Vredeskerk     elke dag open

 

RK PAROCHIE VAN ONZE LIEVE VROUW KONINGIN VAN DE VREDE – AMSTERDAM                                 MAANDAG TM ZATERDAG 13-17 UUR EN NATUURLIJK OP ZONDAG

HOME  |   ADRES-CONTACT-LINKS |  VIERINGEN |   SACRAMENTEN  |   PREKEN |    CARITAS  |    BIDDEN   |   FOTO’S   |    PASTOR  |   HISTORIE |    KOREN  

 

                                                                                                                                                            

Verkondiging

 

16 september 2018 – 100 jaar Salve Regina koor

Beste aanwezigen, gasten en medeparochianen

Ik zal mij even voorstellen aan wie mij niet kent: ik ben Ton van Hal, vice-voorzitter van het Salve Reginakoor (dat precies vandaag maar liefst 100 jaar bestaat).  Vice-voorzitter ben ik, want de officiële voorzitter zit daar: dat is pastor Pierre, want zo is het geregeld in onze Roomse kerk.  Of liever: zo was het geregeld, want we hebben het hier  natuurlijk wel over  een  voorschrift  uit het jaar 1918.

Ik zal straks terugkomen op dat jaar  1918, maar eerst kijk ik graag  even met u  naar de lezingen van vandaag.

Van de 3 lezingen vond ik de middelste het duidelijkst maar  misschien ook wel met de moeilijkste boodschap.  Maar  hoe duidelijk is die boodschap eigenlijk?  Jacobus schrijft: “Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten, DOOD.  

GEEN WOORDEN MAAR DADEN  dus , zoals ze vaak  zingen in de stad met telefoonnr  010.  Om het even  simpel voor te stellen (anders snap ik het zelf niet!):

Wat denkt u?  Iemand heeft zijn hele leven voor iedereen steeds klaar gestaan. Familie en buren geholpen waar hij maar kon, geld gegeven aan alle goede doelen die je maar kan bedenken, maar hij heeft nooit een kerk van binnen gezien  en gelooft niet in God, bv omdat zijn ouders niet gelovig en dus ook niet kerks waren.  Hij (of zij natuurlijk) gaat dood en staat aan de hemelpoort. Wat zal Petrus  zeggen?

Over dit punt: kun je gered worden door goede werken te doen of ben je afhankelijk van de genade door God geschonken? Of is het allebei nodig?   Over dit punt is altijd gedacht, en ook verschillend gedacht. Paulus bv zegt: "Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben..”   Toch een iets ander accent dan Jakobus.   Dit hele punt van de genadeleer  lag ook aan de basis van de reformatie: de scheiding katholiek-protestant in het begin van de 16e eeuw. De hervormers legden de nadruk op de genade die wij “om niet” kunnen verkrijgen. In de katholieke kerk kon je met goede werken een hoop bereiken en als je daar geen tijd voor had of geen zin in had kon je bv wel wat aflaatbrieven kopen..

Hoe  ik hier persoonlijk over denk ? Laat ik het zo zeggen: ik vind Jakobus  vandaag glashelder over deze dingen: Geloof zonder daden is zinloos.  Maar hoe zit het met het omgekeerde: “Goede daden zonder geloof” ?  Het antwoord daarop laat ik graag aan Petrus en zijn Baas (met een hoofdletter).

De 1e en 3e lezing laat ik vandaag maar even onbesproken. Ze gaan beide over  het Lijden en over de volledige overgave aan het Evangelie , aan Gods wil . Daarover horen we beslist meer in de komende weken (de tocht van Jezus met zijn leerlingen naar de uiteindelijke bestemming het kruis op  de berg Golgotha in  Jeruzalem is begonnen).

Nu kom ik dan terug op het  jaar 1918.

De eerste wereldoorlog is gelukkig bijna (nou ja, nog 2 maanden) ten einde gekomen en had enorm veel slachtoffers geëist. Nederland was, zoals we weten, neutraal gebleven. Maar een nieuwe ramp kondigde zich al snel aan:

Vanaf zo’n beetje deze datum (16 september) tot einde van de winter zouden nog miljoenen mensen sterven aan de zgn Spaanse Griep. Er is eigenlijk zo weinig van bekend maar het aantal slachtoffers van die griep was nog hoger  dan dat van de BEIDE wereldoorlogen samen zelfs. Verschrikkelijk moet dat zijn geweest.

Op 8 december 1918 was de geboorte gepland van  een  nieuwe parochie, gewijd aan  Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede. De bouwheer, pastoor Nuijen had al  ruim tevoren gedacht dat in de eerste kerstnacht die in de “Stal van Bethlehem”,  de noodkerk  aan de Ceintuurbaan,  gevierd zou worden  een stevig zangkoor  zou moeten  “optreden”, dus die was al aan het organiseren gegaan. Zo gebeurde het dat  precies op deze dag, 16 september 1918   17 heren  voor het eerst  bijeen kwam om te repeteren in het Vincentiusgebouwtje aan de Daniel Stalpaertstraat 89  (ik ben nog gaan kijken, maar dat gebouwtje bestaat niet meer) onder de naam:  Salve Reginakoor. En nu zijn we dus 100 jaar verder.

Een koor dat zo lang bestaat: dat kan denk ik alleen als er in die honderd jaar veel mannen en later ook vrouwen zijn geweest die het koor levend hebben gehouden, die er hun ziel en zaligheid in gelegd hebben. Die mannen en vrouwen hebben we nu nog. (Ik kan dit zeggen zonder eigendunk, want ik ben pas 14 jaar lid). Die eerste 17 mannen zijn nu uiteraard niet meer, maar er zijn er nog vele gevolgd. Ik ga geen namen noemen, maar voor twee maak ik een uitzondering:  wat te denken van oom Frans van Rheenen, volgend jaar 100 en van die 100 zal hij 54 jaar lid zijn van ons koor (DV). En dan  zijn neefje  over wie ik in de notulen  van 1973 las:

“Pastoor Eykelhof vraagt de Paukenmesse van Haydn te zingen tgv zijn 40-jarig priesterfeest. Uitvoering staat of valt met de medewerking van dhr. Halswijk jr. “

Die junior  zit nu nog hier: Hans, 81 jaar en 60 jaar lid. Kijk, daar heb je wat aan !

Verder noem ik geen namen want daar doe je altijd mensen te kort mee, en het past ook eigenlijk niet in een preek, maar er zijn in ons koor mannen/vrouwen die 43 jaar lid zijn, 37 jaar, 35 jaar, 45 jaar, 30 jaar.  Maar ook:  een half jaar, 1 jaar.

Het uitreiken van pro-ecclesia-medailles, daar doen we in onze parochie niet meer aan;  de reden: er  is gewoon geen beginnen aan hier.

O ja, ik noem toch nog een naam, omdat het gaat om een zilveren jubileum, namelijk dat van  onze eminente organist (en componist) Michiel Mirck. Dank, Michiel, voor wat je voor ons koor betekent en ook voor het present houden van de meer dan 1000 jaar oude traditie van het Gregoriaans.

Twee weken terug had pastor Pierre het in zijn preek over “pareltjes” die je ergens uit kan  vissen en koesteren. Ik heb ook zo’n pareltje. Een kleinigheidje, maar toch…

We stonden, ik geloof  vlak voor een avondmis op Allerheiligen,  vanaf de balustrade naar beneden te kijken. Er zat bijna niemand in de kerk. Mijn collega zei:  “Al zit er niemand meer beneden in de kerk, wij zingen door”.  Een pareltje, nee: een parel was dat.

Ik kwam vroeger vaak in de Thomaskerk, ook op het laatst in de Maranathakerk in de Hunzestraat, Daar was een spreuk op de muur bevestigd in grote, ik denk  metalen letters. De spreuk die op het misboekje staat, een stukje van de berijmde psalm 107, geschreven (gedicht..) door Willem Barnard. Hij was in de jaren 60 met anderen actief  bezig met liturgische vernieuwing vanuit de (toen protestante) Maranathakerk:   Daar stond

GODS GOEDHEID HOUDT ONS STAANDE, ZOLANG DE WERELD STAAT.

HOUDT DAN DE LOFZANG GAANDE VOOR GOD DIE LEVEN LAAT

Laten we dat vandaag vieren met elkaar: dat op deze plek (of wat preciezer: binnen onze gemeenschap) 100 jaar lang de lofzang is gaande gehouden, door die 17 mannen uit 1918, door al die honderden mannen en vrouwen die hen opgevolgd zijn, door  U in de kerkbanken, door de mensen van het Lieve Vredekoor, het Canticum en vandaag dan natuurlijk heel  speciaal te noemen: ons Salve Reginakoor.  

 

 

Verkondiging

 

op 15 juli 2018, de 15e zondag door het Jaar, in de Kerk van

Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Amos 7, 12-15; Ef 1, 3-14; Marcus 6, 7-13

 

Op weg gaan en onderweg zijn. Zonder veel bagage. Dat is geen gemakkelijke opdracht. Niet toen voor de leerlingen van Jezus en ook niet nu voor ons. We gaan op reis, maar we mogen geen extra spullen meenemen. Geen geld, geen voedsel, geen reiszak, wel sandalen en een stevige wandelstok. Jezus stuurt zijn leerlingen op pad als afhankelijke reizigers. Je zou dat voor onze tijd vertalen in: Laat je mobiele telefoon en creditcards thuis en neem alleen een rugzak mee. Is dat wel verstandig? Durf ik dat wel aan? Wat moet ik zonder mijn mobiel, zonder mijn facebook, zonder mijn dagelijkse e-mails en al mijn appjes? Hoe houd ik dan mijn agenda bij? En wat als ik verdwaal?

 

Jezus maakt het niet gemakkelijk voor ons, terwijl het tegenovergestelde zo logisch lijkt. In mijn geval, toen ik steeds opnieuw mijn ouderlijk huis verliet, als kind op weg naar het kleinseminarie in St. Michielsgestel of als student op weg naar mijn studentenkamer in Leiden, werd die tas door mijn moeder extra gevuld. Iets extra’s voor onderweg. Wat snoep, wat fruit, wat geld. Extra warme kleding en goede dichte schoenen. De gedachte was dat je nooit voor verrassingen moet komen staan. Immers, het weer kan omslaan of er komen minder goede tijden. Beter mee verlegen dan om verlegen. Zo doet een zorgzame moeder.

 

Toch geeft Jezus, zoals altijd, het enig juiste advies: Ga met zo weinig mogelijk op weg. Je sjouwt je anders suf aan bagage die je niet nodig hebt. Wat moet je met al die ballast? Ballast kan je in de weg zitten. Ballast kan je gedachten beperken en je horizon versmallen. Je loopt kans op een tunnelvisie. Maak je geest vrij, zodat je Zijn woord verstaat en verkondigt. Neem niet te veel spullen mee op reis. Sterker nog: het laatste hemd heeft geen zakken. Meenemen is zinloos. Onze voorouders begrepen dat niet altijd. Daarom stopten ze voedsel, geld en sieraden in de kist van de overledene. Voor onderweg naar het hiernamaals. Maar toen generaties later die kist of sarcofaag werd geopend, bleken dat voedsel, het geld en de sieraden nog ongebruikt aanwezig als het niet was geroofd.

 

Uiteindelijk moeten we iedereen en alles wat ons dierbaar is, achterlaten. Reden genoeg om bezit te relativeren. Neem afstand van huis en haard. Daardoor krijg je tijd en ruimte om iets nieuws te ontdekken. De aandacht voor je bezit en alle tijd die het kost om dat bezit te verkrijgen en te behouden, gaat ten koste van de aandacht en de tijd die je hebt voor de mensen om je heen.

 

Ofschoon mijn seminarietijd niet echt succesvol was, denk ik er in dankbaarheid aan terug. Ik heb er veel geleerd, zoals: “Met theologische wijsheden kun je later in de praktijk niet altijd uit de voeten, maar sta open voor de mensen om je heen en leer van hen”.

Ook wij zijn afhankelijke reizigers. Wij zijn “Gods-Volk-Onderweg”. Daarom, ontmoet de mensen om je heen en luister naar hen. Als je hen zonder ballast tegemoet treedt, zul je God in hen ontmoeten.

 

Amen

 

Verkondiging

Verkondiging op 10 juni 2018, de 10e zondag door het Jaar, in de Kerk van

Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Gen. 3, 9-15; 2 Kor. 4, 13-5,1; Marcus 3, 20-35

 

De eerste lezing van vandaag klinkt ons bekend in de oren. Het is het verhaal van Adam en Eva. Het verhaal van Eva en de slang. Het verhaal van Eva en de appel. De slang verleidde Eva en Eva verleidde op haar beurt Adam, zoals alleen een goede vrouw kan doen, met alle gevolgen van dien. De rest is u bekend. Er kwam grote ellende van.

 

Er is veel kwaad in de wereld, in soorten en maten. Als je de krant open slaat of de tv aanzet, komt het menselijke kwaad met karrevrachten je woonkamer in. Je zou bijna geen krant meer willen lezen en geen tv meer willen zien. Maar het drukt ons wel met de neus op de feiten. Het hoort bij elke dag, erger nog, het hoort bij ons. De vraag is steeds waar het kwaad vandaan komt. Hoe komt het toch dat wij of anderen ons laten meeslepen om slechte dingen te doen en andere mensen kwaad aan te doen. Als verklaring wordt gegeven dat het de duivel in ons is. Maar, om maar meteen weer een heilig huisje af te breken, duivels bestaan niet. Echt niet. Daarover hoeven we ons geen zorgen te maken. Het zijn de mensen die zich duivels gedragen. Daarover moeten we ons wel zorgen maken. Duivel is het woord waarmee we uitdrukken dat we bloot staan aan krachten buiten ons waardoor we tot het kwaad gedreven worden. De duivel zit in onze zwakheden: trots, jaloezie, vraatzucht, lust, boosheid, hebzucht, luiheid, geldbejag, carrière maken over de rug van anderen, discriminatie, overspel, of veel simpeler, ruzie in de familie of in het kerkkoor. Het duivelse gedrag is ons egoïsme, ikke ikke ikke. 

Kwaad doen. Slechte dingen doen, kleine en grote. Over de grote slechte dingen kunnen we het vrij snel eens zijn. Je mag hopen dat de overheid maatregelen neemt tegen de personen die zich zwaar vergalopperen: de moordenaars, de verkrachters, de misbruikers, de fraudeurs, de tirannen en despoten, de woekeraars, de oplichters en de zakkenvullers. Maar dan blijft het kleine kwaad over. Daar maken we ons allemaal schuldig aan. Je wordt er niet voor vervolgd, je hoeft de bak niet in, niet eens naar Bureau Halt. Het geeft je hooguit een slecht geweten, hoop ik.

 

Vorige week kopte een landelijk dagblad: Nederlanders houden niet van moslims en niet van joden. Trouwens, er zijn er genoeg die ook niet van katholieken houden…………… Je zult maar moslim of jood zijn en in dit land wonen. Blijkbaar ben je niet erg geliefd, misschien niet eens welkom of je wordt genegeerd en met de nek aan gekeken. We hebben toch de opdracht om in vrede met elkaar te leven zonder een ander uit te sluiten?

 

Een groot deel van de Nederlanders stelt zich niet erg gastvrij op tegenover vluchtelingen en asielzoekers. Hier in Amsterdam zwerven uitgeprocedeerde vluchtelingen van huis naar huis, van wijk naar wijk, op zoek naar een dak boven hun hoofd, op zoek naar een bed of naar wat brood. Soms biedt een leegstaand kerkgebouw voor enige tijd “zomaar een dak boven wat hoofden”. En leegstaande kerkgebouwen hebben we helaas genoeg. Deze mensen hebben dringend hulp nodig en zijn in beeld bij verschillende parochiële caritasinstellingen die hen wekelijks van voedsel voorzien. Ook onze PCI.

 

Behoort door het gedrag van Eva de appel nu tot de verboden vruchten? Ik denk van niet. Het was alleen díe appel van díe boom op dát moment. Verder is het eten van appels over het algemeen verstandig en gezond. Was Eva dan een slechte vrouw door zich door de slang te laten verleiden? Wie ben ik om over haar te oordelen? Zonder haar had ik vandaag niets te preken. Ik heb haar allang vergeven, al hebben we alle misère aan haar te danken. Maar ze gaf ons ook nieuwe kansen. De slang zei tot Eva: “Kennis van goed en kwaad zul je verwerven als je eet van de verboden boom”. De slang kon tevreden zijn. Eva liet zich verleiden en zij verleidde vervolgens Adam. Daardoor kennen wij nu het verschil tussen goed en kwaad. Waar verleiding al niet goed voor is. Het is goed dat we ons realiseren wat we fout doen, dat we het niet moeten doen of niet hadden moeten doen, dat het ook anders kan en, vooral, dat het anders moet!

Troost u. Het is niet alleen maar kommer en kwel in de wereld. Er wordt veel goeds gedaan. Goed en kwaad is de tegenstelling waar het in de wereld om draait. Tegenover de kwade dingen staan de goede dingen. Tegenover de slechte mensen de goede. En het goede nieuws van vandaag is dat uiteindelijk het kwaad door het goede wordt overwonnen. Dat is de kern van ons geloof.

 

Pater Mark-Robin Hoogland, die hier regelmatig voorgaat, schreef een boek dat heet “Groeien in geloof”. In dat boek komen de kwade dingen ook aan bod. Hij noemt ze onze zonden. Maar hij zet tegenover die zonden de goede dingen. En omdat we het kwaad allemaal wel kennen, noem ik u hier juist de goede dingen die hij in zijn boek opsomt:

 

nederigheid, vriendelijkheid, onthouding, zuiverheid, geduld, vrijgevigheid en toewijding.

 

Het evangelie is de blijde boodschap van de verlossing van het kwaad. We leren dat we kwaad niet moeten bestrijden met ander kwaad: “Gij zult geen kwaad met kwaad vergelden”. Het kwaad bestrijden we door goed te doen. Waar de heerschappij van God is gevestigd, is de macht van het kwaad gebroken. Juist wij mensen zijn in staat het kwade te overwinnen door het goede. Daardoor zal de wereld er anders uit gaan zien.

 

Laten wij als parochie, als kerkgemeenschap, als individuen het goede voorbeeld geven aan de mensen om ons heen. Als wij katholieken voortaan alleen maar goede dingen doen, dan staat de wereld er beter voor, zullen wij als groep meer geaccepteerd worden en zal ons geloof meer navolging vinden.

 

Amen

 

 

Verkondiging

 

 

 

 

Verkondiging op het Hoogfeest van de Hemelvaart van de Heer, donderdag 10 mei 2018, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Marcus 16,15-20

                               Handelingen 1,1-11. Psalm 47. Efesiërs 1,17-23

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

 

In Nederland zorgt de Kerk “nog steeds” grotendeels voor de vrije dagen: om ontspannen te gaan fietsen, maar zeker ook om ons te laten bezinnen op ons eigen leven – in het licht van het Goede Nieuws van God. Zo’n extra vrije dag is leuk, maar het Feest van de Hemelvaart heeft als wij nadenken over de zin van ons bestaan, meestal niet zo’n centrale plaats. Want zodra we ons gaan voorstellen hóé die hemelvaart dan gegaan zou zijn, merken we al meteen dat we het niet begrijpen, als het goed is, tenminste.

                Echter, kerkelijke feesten gaan nooit over het hóé: hoe kan een kind geboren worden uit een maagd; hoe kan Hij van gedaante veranderen op een berg; hoe kunnen brood en wijn tot Jezus’ lichaam en bloed worden; hoe kan Hij opstaan uit de dood; en “Hemelvaart, hoe dan”? Als we met deze vragen in ons geloof willen staan, wordt geloven vreemd, te vreemd.

                Wie niet zoekt naar het hoe, maar naar de betékenis van het Feest van de Hemelvaart voor ons leven, zal merken dat geloven in Degene “Die opgestegen is ten hemel” [Credo] niet zo vreemd is – meer nog: dat het Feest van Hemelvaart ons tot een centraal gegeven brengt in ons geloof! We vieren vandaag dat Jezus Christus “met lichaam en al” naar God terug is gegaan, om voor ons een plaats te bereiden [Joh 14,2v]. Dat lichamelijke is totáál onbegrijpelijk, maar het is precíés waar het om draait.

                Zo ook met Pasen, 40 dagen geleden. Toen vierden we de verrijzenis van de mens Jezus uit de dood. Het Evangelie verhaalt dàt (en niet hóé!) Maria Magdalena Jezus wil vasthouden [Joh 20,17], dat (en niet hóé!) Thomas zijn hand in Diens wonden kan leggen [Joh 20,27] en dat (en niet hóé!) Jezus Zijn vrienden op het strand brood en vis aanbiedt [Joh 21,12-15a]. Bij de opstanding uit de dood wordt dus het lichamelijke benadrukt. En zo ook bij de hemelvaart.
                Nu kunnen wij ons voortleven na de dood in zekere zin nog wel voorstellen, als het om de ziel gaat; velen die zich ongelovig noemen, geloven dit zelfs. Maar blijkbaar doet óók het menselijke lichaam ertoe voor God. In de eerste eeuwen van het christendom is er een enorme strijd geweest of het lichaam van Jezus wel echt was: was het geen schijnlichaam? Want ja, lichamelijkheid en Godheid gaan toch niet samen? [Joh 4,24] En lichaam en zonde hangen wel heel nauw samen, was de redenering.

                Sommige stromingen (zoals de gnosis/gnostiek – momenteel weer toenemend populair, maar om de verkeerde redenen) benadrukten dat het alleen maar om de ziel zou gaan: om wijsheid, kennis en het geestelijke; het menselijke lichaam was volgens hen maar een tijdelijk en onbelangrijk voertuig: ballast! Uiteindelijk hebben wij als Kerk deze visie níét geaccepteerd. Wij, katholieke christenen, zeggen: door een menselijk lichaam aan te nemen en de Mensenzoon lichamelijk te laten verrijzen, heeft God de gehele menselijke persoon aangewezen als iets góéds, als iets wat niet verloren moet gaan [Ef 1,22. Fil 2,9]. Poëtisch gezegd: de Eeuwige heeft heel de mens omarmd. De hemelvaart van Jezus toont aan dat in Gods ogen het lichaam dus niet onbelangrijk, verdacht of slecht is, maar een wezenlijk onderdeel van ons mens-zijn en dus “hemelwaardig”.

                Dat heeft gróte consequenties voor ons, die voor elkaar zo goed als God willen zijn [Mt 5,48. Lk 6,46]. In navolging van Hem willen ook wij aandacht hebben voor heel de mens: geest, ziel en lichaam. Daarom zijn er vanuit de Kerk bijvoorbeeld vele ziekenhuizen opgericht met zorg voor de ziel (geestelijke verzorging), de geestelijke (psychiatrie) èn de lichamelijke gezondheid. “Missie” door de Kerk is nooit alleen maar “zielen redden” geweest; het doel van onze missionarissen was en is, om heel de mens uit een zinloos bestaan weg te voeren [cf. Rm 8,19] en te laten leven in verbondenheid met God door Jezus Christus. Of als het gaat om vluchtelingen: als er onderweg velen sterven, ráákt dat ons; we zeggen dan niet gemakkelijk: “Wat maakt het uit; God hebbe hun ziel.” Vanuit het gelovige inzicht dat het in Gods ogen gaat om heel de mens, zetten juist de kerken zich in voor hen die moeten vluchten en voor hen die geen thuis hebben. Of als het gaat om de ouderenzorg: als wij geven om ons lichaam, besteden wij ook geld aan de verzorging ervan, ‘zelfs’ als genezing onmogelijk lijkt.

                Met Kerstmis, Goede Vrijdag en met Pasen beseffen wij dat Jezus altijd Zijn mens-zijn ten volle heeft behouden: wáárlijk: geboren, geleden, gekruisigd, gestorven en begraven, belijden wij. Vandaag gaat het nòg een stap verder: we vieren dat Jezus in Zijn volle mens-zijn zelfs naar de hemel is gegaan. Zo realiseren wij ons dat in Gods ogen Zijn schepsel van de mens zo waardevol is, dat héél de mens eeuwigheidswaarde heeft.

Vandaag moeten we dus niet naar de hemel staren [Hnd 1,11]: “Hóé kan dat nu allemaal?” Op ooghoogte vinden we de antwoorden: volgens het evangelie  werkt na de Hemelvaart de Heer met Zijn vrienden mee [Mk 16,20], om ons mens-zijn volledig waar te maken: omwille van ons heil en evenzo omwille van ons welzijn, hier en nu en hierna. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                            

 

op 8 april 2018, Beloken Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (4,32-35), de eerste brief van de heilige apostel Johannes (5,1-6) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20,19-31).

 

“Donkere tonen”. En: “Brokkelig”. En: “Je voelde dat er op de achtergrond van alles speelde. En dat werkt dan door.” – Zo zei mij iemand in verband met onze viering van vórige week zondag: de hoogmis van Pasen.

 

Herkent u het beeld? Het gevoel? – als u er bij was, ook afgelopen zondag? Of was het voor u anders? Uiteraard zou dat kunnen. De percepties die mensen hebben: hoe ze de dingen, de mensen en de omstandigheden zien, horen, waarnemen, die kunnen onderling immers vaak sterk verschillen – zoals wijzélf onderling sterk van elkaar kunnen verschillen.

 

Dat minstens één van ons hier op Pasen “donkere tonen” heeft geregistreerd mag niet verbazen. Die donkere tonen zitten immers in de evangelieteksten die wij met Pasen hoorden zelf! In de Paaswake werd er voorgelezen uit het Marcus-evangelie. Daar hoorden wij over een ontmoeting die de vrouwen in het lege graf hadden met een “jongeman” die hen de blijde boodschap van Pasen verkondigde: dat Jezus verrezen was. Maar, zo staat er dan vervolgens: “Ze vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. (…) Ze waren bang.” En in de evangelietekst van Johannes die we hoorden in de hoogmis van Pasen, nu precies een week terug, daarin hoorden wij over Maria van Magdala die “in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf ging.” Terwijl het nog donker was. Daar zaten ze dus al in, of nóg in, met Pasen: die donkere tonen.

 

“Wie zal voor ons de steen van bij de ingang van het graf wegrollen” is voor de vrouwen, bij Marcus op weg naar het graf, dé grote vraag. En “toen ze opkeken, zagen ze dat de steen weggerold wás.” Ook Maria van Magdala, bij Johannes in haar eentje, “zag dat de steen voor de opening van het graf was weggehaald.” Ja, dierbare gasten en parochianen, zó was het voor hen, voor die vrouwen. Maar hoe is het, nu, voor óns? Is die steen, “die buitengewoon grote steen”, waarover Marcus spreekt, is die steen nu ook in ónze ogen “weggerold”, “weggehaald”? Of ligt die steen er in onze ogen nog altijd op, op dat graf? Jezus is verrezen! Geloof jij dat? Geloof ik het? En hoe zit het met onze eigen verrijzenis? Want Jezus mag dan zijn opgestaan uit het graf. Maar… ben jíj het ook? En ben ik het ook?

 

Laatst was ik op bezoek bij iemand die al een paar jaar niet buiten is geweest. Zijn woning is eigenlijk een soort graf. In zekere zin ís die man al dood en begraven. Natuurlijk heeft dat zijn aangrijpende oorzaken en achtergronden. Maar intussen ís het wel zo – terwijl de man in kwestie wél in Jezus en in diens verrijzenis gelooft. Maar zal hij door Jezus’ verrijzeniskracht nog uit dat eígen graf, die veilige woning, gaan komen? Dát, veelgeliefden, is een ópen vraag. Misschien. Laten we het hopen. We mogen de hoop en het geloof nooit verliezen. Maar… zal het gebeuren? Ik bid ervoor.

 

Deze zondag is de achtste dag na Pasen. We noemen deze zondag: Beloken Pasen. En wát bekent dat? ‘Beloken’ is het voltooid deelwoord van ‘beluiken’. En dat ‘beluiken’ is het omgekeerde van ‘óntluiken’. Voor sommigen zijn de tulpen, de narcissen, de hyacinten misschien nog altijd niet opengegaan, ondanks het fijne voorjaarsweer. Ze hebben het nog niet gezien. De luiken van hun ogen zitten nog dicht. Of: ze zijn opnieuw tóegegaan, die luiken, die oogleden. Inderdaad! - “De deur was op slot” hoorden we in onze evangelietekst vandaag, opnieuw van Johannes. “De deur was op slot uit vrees voor de Joden” zo staat er. Maar… die daarbinnen zijn allemaal zelf Joden! “De deur was op slot uit vrees voor de Judeeërs” vertaalt Pieter Oussoren daarom in zijn Naardense Bijbel. Dat klopt vermoedelijk beter. Wij weten immers dat Jezus en zijn eerste volgelingen uit Galilea kwamen. Huizenhoge vijands- en schrikbeelden op basis van regionale of lokale of andere oppervlakkige verschillen die geweldig kunnen worden opgeblazen. Dat kennen we. Mensen die zich afzetten tegen andere mensen die als twee druppels water op hen lijken al vinden ze zelf van niet. Zo ontstaan de tegenstellingen. En zo blijven we lekker bezig op aarde.   

 

Zoals een kuiken uit een ei, zo is Jezus uit eigen kracht, door Gods kracht in Hem, opgestaan uit de dood en uit het graf gekomen. En zó dringt Hij door in dat graf, in die afgesloten ruimte waarin Zijn bange leerlingen, met z’n tienen of zo, zich hebben op- en afgesloten. Wat een lucht in die ruimte! Wat een bedompte lucht! Wat een graflucht! Zo’n gym- of slaapzaal of kleedruimte is het waar hoognodig een raampje open moet.

 

Een klein opgesloten clubje. Een mooi, dat wil zeggen: een weinig florissant beeld van het begin van de kerk is dat. En maar al te vaak is het ook een beeld van de actualiteit van de kerk trouwens zoals die op vele plekken functioneert, reilt en zeilt, wellicht ook bij ons zo af en toe. Ook in onze huidige Roomse kerk kan er feitelijk sprake zijn van een geweldige incrowdsfeer die behoorlijk vijandig kan zijn ten opzichte van de buitenwereld. Eigenlijk zijn nieuwkomers niet werkelijk welkom en mogen ze niet echt meedoen, op hún manier. Nee, liever blijven we alles zélf doen op onze eígen manier. En de anderen, de nieuwelingen, die moeten zich maar aanpassen, die moeten zodanig gedrild worden dat ze in ons eigen patroon en sjabloon passen. En zo maken wij het hen tegen en zo jagen we hen gemakkelijk weer wég. Van harte hoop ik, dierbare gasten van onze motorclub, dat het bij júllie zo niet toegaat…

 

Hoe anders wat dit betreft wat we hoorden in onze eerste lezing uit het boek der Handelingen van de Apostelen. Daar hoorden we: “De grote groep gelovigen was één van hart en ziel. (…) Er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, alles stond ter beschikking van de gemeenschap. Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de opstanding van de Heer Jezus, en zij werden allen rijkelijk begunstigd. Er was niemand onder hen die gebrek leed.” Er werd “uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.” Kijk… Zo kan het óók, hopelijk: niet bezitterig, maar royaal. Een ander iets gunnen. Of nee: anderen véél gunnen zelfs, het beste, ja álles. Er van af komen, van je eigen stoel, van je eigen motor, van het pluche. Je plek aan een ander afstaan. Kun je dat? Durf je dat? “Ieder die uit God geboren is, overwint de wereld” hoorden we in onze tweede lezing, uit Johannes’ eerste brief. De wereld overwinnen, wat houdt dat in? Ja, bedenk dat maar eens. Ik denk: het heeft alles te maken met het overwinnen van heb- en behoudzucht en met durven loslaten zoals een jachthond de paashaas.

 

Ik ken iemand die was al dertig jaar of zo in dienst bij hetzelfde bedrijf. Vol vuur sprak zij altijd over haar werk. Maar toen kwam de zoveelste reorganisatie en was het ook voor haar exit. Een harde exit was het. Maar toch niet te lang getreurd. Met groot doorzettingsvermogen zette zij zich aan het solliciteren. Vele brieven gingen de deur uit. Vaak kwam er niet eens antwoord. Totdat: Bingo! Tenslotte was het toch raak. En die nieuwe baan is als een handschoen die haar precies past. Zij is geknipt voor dat nieuwe werk. Veel leuker en uitdagender nog dan haar oude werk is het eigenlijk. Ja… zo kan het gaan. Zo kan het óók gaan veelgeliefden.

 

“Hoewel de deur op slot was… kwam Jezus.” Ja dierbare gasten parochianen. Van Hem moet het voor ons als kerk komen. Van Hem moeten we het verwachten. Hij moet het in en bij en voor ons doorbreken. Zelf zijn we er helaas vaak niet toe in staat, hoezeer we ook ons best doen. De verlossing moet van buiten komen, van Hem dus, van Jezus. Hij is de grote kracht, de rijkdom, de schat, de troef van de kerk. “Jezus kwam. Ineens stond Hij in hun midden en zei ‘Vrede!’ (En) na deze groet toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde.” – Die zijde die was doorstoken en die handen die vastgespijkerd waren geweest wel te verstaan omdat mensen zo volstrekt genadeloos kunnen zijn. Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen.”

 

Het is die vreugde waar wij naar verlangen. Vreugde omdat wij Jezus, de Verrezene, wérkelijk zien, werkelijk ervaren, - hier in het breken van het brood en in het uitgieten van de wijn bijvoorbeeld. Vreugde niet alleen omdat Hij, Jezus, zelf is opgestaan uit de dood, maar ook omdat Hij doordringt in dat graf waarin ook wijzelf kunnen verblijven en ons opsluiten. Kom daar toch uit, uit dat graf, en wees blij. Laat de vreugde vanwege Jezus al die donkere tonen toch doen verbleken en overstemmen. Als het verleden week, op Paaszondag, niet gebeurd is, laat het dan nu gebeuren. Je was er toen, zoals Thomas, misschien niet bij. Of je was er misschien wel. Maar het drong niet tot je door. Hij drong niet tot je door. Waar het echt om gaat. Dát drong niet tot je door. Je was met andere dingen bezig, met dingen die bijzaak zijn, dingen die geen vreugde geven maar die alleen treurnis en verdriet genereren. Hou daar toch mee op! Surge cum Christo! Verrijs met Christus! Alleluia! Amen.     

 

                                                                                                                                            

Verkondiging

 

op 1 april 2018, Eerste Paasdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10,34-43), Psalm 118 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse (3,1-4) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20,1-18).

 

Aldegonda is een vrouw van voor mij niet te bepalen leeftijd. Ik ken haar vanuit het geweldige, onvolprezen hospice Het Veerhuis in de Vincent van Goghstraat, hier vlakbij de kerk. U weet wat een hospice is: daar gaan mensen heen om te sterven – in een goede, zorgzame, liefderijke omgeving. Zo ook Aldegonda. Liggend in dat Veerhuis heeft zij echter toch nog een nieuwe behandeling tegen de kanker waar zij aan lijdt aangeboden gekregen. En daardoor heeft zij, groot wonder, het Veerhuis toch weer door de voordeur kunnen verlaten. Hoe bestaat het!

 

Vele maanden geleden is dat inmiddels: kostbare tijd die Aldegonda aan haar leven heeft mogen toevoegen, tijd waarin zij opnieuw moeilijke, maar ook veel mooie en wezenlijke ervaringen heeft gehad. Nu ligt ze opnieuw in het ziekenhuis en is het weer erg menens voor haar geworden. Afgelopen Goede Vrijdagavond keek ze op de televisie naar de Matthäus Passion. Om half twaalf schreef ze erover aan een vriendin: “Prachtige Matthäus Passion gekeken. Beluisterd. Deze is het meest intensief bij me binnen gekomen van alle keren dat ik hem meemaakte, zelfs de keren in het Concertgebouw. Bijzonder. Kan ik toch wel weer dankbaar voor zijn. Kwam zo direct in mijn hart. Het goddelijke als het ware raakte me aan.” Om twaalf minuten over een stuurde Aldegonda het bericht in kwestie aan mij door, met daarbij ook de mededeling: “Ik ben bang, panisch eigenlijk.” Ja, lieve mensen, je kruis dragen, je eigen kruis, dat kan soms een zware en soms zelfs een onmogelijke en tot wanhoop en waanzin leidende opgave zijn. Zo was het voor Jezus. En zo is het, zo kan het zijn, ooit wellicht, voor elk van ons.

 

“Ik ben bang, panisch eigenlijk.” De woorden doen mij denken aan de laatste woorden van het Paasevangelie van de evangelist Marcus die wij hier gisteravond laat hoorden in de Paaswake. Daar bij Marcus hoorden wij over drie vrouwen die het graf van Jezus waren gaan bezoeken, die het leeg hadden aangetroffen maar die er wel een jongeman ontmoetten die hen zei dat Jezus tot leven was gewekt. En dan staat er, bij Marcus: “Ze vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang.” Aldegonda, in de nacht alleen liggend in het ziekenhuis is bang voor wat haar boven het hoofd hangt, voor wat dreigt en op haar afkomt. Die drie vrouwen bij het graf zijn bang voor de ongehoorde boodschap én opdracht die de jongeman in het graf hen gaf: “Hij is tot leven gewekt. Hij is niet hier. Kijk hier is de plaats waar ze Hem neergelegd hadden. Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: “Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien.” Dat is wat die jongeman tegen die drie vrouwen zei. En die boodschap en die opdracht jagen hen de stuipen op het lijf. Het maakt hen panisch – precies als Aldegonda in het ziekenhuis.

 

Natuurlijk heb ik haar gisteren tussen de bedrijven door teruggeschreven. En inmiddels mocht ik van haar ook al weer begrijpen: Mijn woorden deden haar goed. En inmiddels is de Paasnacht voorbij en beleven wij een grijze, een druilerige Paasmorgen. Opnieuw hoorden we in het evangelie over de verrijzenis, maar nu van Johannes. Bij hem gaat er maar één vrouw naar het graf, namelijk Maria van Magdala. En zij gaat niet “na zonsopgang”, zoals die drie vrouwen bij Marcus, maar “terwijl het nog donker was”. En ik denk, dierbare gasten en parochianen: dat donker, die duisternis zit ook bij haar van binnen, in haar hoofd, in haar hart. Iedereen die iemand mist kan erover meepraten.

 

Ook Maria van Magdala in haar eentje treft het graf leeg aan. “Ze hebben de Heer uit het graf gehaald” is direct haar conclusie. Ook dát nog. Alsof het allemaal al niet erg genoeg was. Ze gaat het Petrus vertellen en die raadselachtige “ándere leerling, die van wie Jezus hield.” Wie is hij? Of zou het ook een zij kunnen zijn? Is het Johannes de apostel en evangelist zelf, hij die bij het laatste avondmaal tegen Jezus aan had gelegen, tegen Zijn borst aan? Of is de uitdrukking misschien ook een uitnodiging aan elk van ons om die woorden, “de leerling, (…) van wie Jezus hield” op onszelf te betrekken? Ben jij zo’n leerling van Hem? Een geliefde leerling? Voel jij Zijn liefde voor jou?

 

Petrus en die ander reppen zich naar het graf. Het lijkt wel concurrentie, een hardloopwedstrijd zoals Johannes die schildert. Wie is er het eerst? Petrus of die ander “van wie Jezus hield”? Natúúrlijk is het die laatste. Liefde loopt altíjd het hardst. Iedereen die wel eens in nood is geweest kan dat bevestigen. Petrus gaat wel als eerste het graf binnen. En “hij zag” zo hoorden wij, “hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die Zijn hoofd had bedekt, niet bij de overige doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart.” Petrus stelt vast, hij stelt de feiten vast – zoals een politierechercheur. Maar zo niet die ander, die leerling van wie Jezus hield. “Hij zag en kwam tot geloof.” Beiden, Petrus en die ander: wat ze zien is hetzelfde, dezelfde feiten. En toch, die ander, die gelooft, hij ziet méér. Wie gelooft ziet meer. Voor hem of voor haar hoeft die lege plek in de stoel, aan tafel, in bed en op het kerkhof geen lege plek te blíjven. Nee, voor hem of voor haar kan die lege plek ook een plek van hoop worden, een plek van belofte, een plek van een nieuw en anders maar toch blijvend aanwezig zijn van die afwezige, van die zo verschrikkelijk gemíste afwezige.

 

En Maria van Magdala? Hoe gaat het inmiddels met haar? Die twee anderen, de mannen, Petrus maar ook die van wie Jezus hield, “gingen terug naar huis”. Maar zij bleef. Zo gaat dat misschien wel vaker. (…) Mannen hebben misschien de neiging om weer snel over te gaan tot de orde van de dag, om gewoon verder te gaan waar we gebleven waren, maar ook: om over verdriet héén te stappen. Van Petrus en die ander wordt het níet gemeld – dat zij verdriet hadden, dat ze dat vóelden, dat ze huilden. Een man mag niet huilen. En misschien kán hij het wel niet - tot verdriet van hemzelf ook wellicht. Van Maria wordt het wél heel expliciet gezegd: Zij huilde. “En terwijl zij zo huilde, wierp ze een blik in het graf en zag daar twee in het wit geklede engelen zitten, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde van de plaats waar Jezus had gelegen.”

 

Hé, die engelen, die ken ik! En misschien kent u, ken jij ze ook wel! – van dat gebedje dat je als kind leerde, ik wel tenminste. Wie de woorden nog kent, die kan ze misschien mee opzeggen:

 

                                                               ’s Avonds als ik slapen ga,

                                                               volgen veertien engeltjes mij na:                          

                                                               twee aan m’n hoofdeind,

                                                               twee aan m’n voeteneind,

                                                               twee aan m’n rechterzij,

                                                               twee aan m’n linkerzij,

                                                               twee die me dekken,

                                                               twee die me wekken,

                                                               twee die me wijzen,

                                                               naar des hemels paradijze.                                       

 

Eigenlijk een heel bijbels gebed dus. Maar ten opzichte van de bijbel wordt er nog een schepje bovenóp gedaan zelfs, of nee, een héle schep engelen zelfs: geen twee maar veertien. Engelen – boodschappers, verbeeldingen van een grenzenloos vertrouwen, van vertrouwen dat sterker is en verder reikt dan de dood.

 

En om dat vertrouwen, veelgeliefden, gaat het vandaag met Pasen. Gistermiddag schreef Aldegonda, in de nacht nog zo panisch, mij opnieuw vanuit het ziekenhuis: “De zon schijnt bij me binnen en de uitlopende struik/boom vóór, welhaast tegen mijn raam. Ik lig op een kleine, maar eenpersoonskamer als bevoorrecht persoontje… mazzel toch maar weer…

 

Ik wil natuurlijk toch weer van alles hier op aarde meemaken. O, o, o die levensdrang, levenshonger, levensliefde hè? Ik besef ook: leven ontvangen reikt voorbij de grens aarde-hemelen. ’T Blijft op reis gaan en zijn en dat vind ik weer leuk, gewoon spannend… Zo blijf ik de reiziger, die ik geloof ik altijd wel was. Denk aan dat kleine kindje van twee jaar, dat al van huis stapte naar mijn lievelingsoma, waar ik toch echt moest zijn om te leven. Zij was mijn tweede moeder, eigenlijk de enige, eerste, werkelijke op aarde, zij het niet biologisch… Wat een gezond kindje, dat opgewekt, onderzoekend de boombladeren onderweg en zo, naar oma en de dieren en het leven ging. Wat een steunvol beeld, herinnering. Wat een mooie tijd.

 

Rest me nog om jou en je naasten en verder een goede, zeer lichtvolle Pasen toe te wensen. Laat het vertrouwen in Jezus Christus groeien alsook de overgave, zodat ik het goede, heerlijke kan blijven ontvangen. Lastig om de regie en dergelijke te laten voor wat het is en God toe te vertrouwen mij de mogelijkheden, de weggetjes te brengen die ik vast ook weer krijg. God heeft het beste, het mooiste met mij voor, dat weet ik heus wel inmiddels. We blijven leven… leren dus tot het einde hier…”

 

Ik wens het, dierbare gasten en parochianen, ons allen toe: Blijven leven, wérkelijk leven, en leren, tot het einde toe en daaraan voorbij. Ik wens u allen een Zalig Pasen.

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                                           

 

op 31 maart 2018 in de Paaswake in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de boeken Genesis (1,1-2,2), Exodus (14,1-15,1), Ezechiël (37,1-14), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (,3-11) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (24,1-12).

 

Er zijn misschien mensen die zich afvragen: Wat doet zo’n pastor nu eigenlijk? En die denken, speciaal in de afgelopen Goede Week die begint met Palmzondag en die uitloopt op het Paasfeest: Hij, die man, mijn persoontje, voert eigenlijk niet zoveel uit. Anderen doen het werk, maken schoon, produceren en regelen van alles en nog wat, maar hij, wat doet hij eigenlijk, bijvoorbeeld afgelopen dag, de dag die we Stille Zaterdag noemen?

 

Ik zal het u zeggen: De lezingendienst, om zes uur, heb ik helaas laten schieten. Die heeft Alex van der Bijl, mijn lezingendienstmaatje alleen gedaan. Want toen ik om kwart over zeven in de kerk kwam voor het morgengebed waren de grote houten kerkdeuren reeds geopend. En in de Mariakapel brandde al een kaars. Na het morgengebed, dat ik samen met Ine en Suzette gebeden heb, ben ik naar de markt geweest en in de supermarkt. De middag begon met een laatste bijeenkomst met de doopkandidaten en hun begeleiders. Daarna heb ik wel zeven vazen met bloemen geschikt voor in de huiskamer en de eetkamer in de pastorie, want daar is het met Pasen ook feest en er komen gasten. Aan het eind van de middag ben ik nog naar de banketbakker geweest en heb ik met Sylvia, de hulp die bij mij past en geweldig voor mij zorgt, gegeten.

 

Maar, dierbare gasten en parochianen, wat mij afgelopen dag vooral heeft beziggehouden, tussen alle voornoemde activiteiten in, dat is: lezen. En wát heb ik gelezen?

 

Om te beginnen, heel intensief: de vijf schriftlezingen die wij in deze Paaswake zojuist hebben gehoord – uit Genesis, Exodus, Ezechiël, de Romeinenbrief en het Marcusevangelie. Daaraan alleen al had ik een hele kluif. Maar ik heb ook nog eens al mijn aantekeningen herlezen van de wel zes afzonderlijke gesprekken die ik met onze beide doopkandidaten, Arthur Prins en Martin Woudstra, heb gevoerd. Een berg aantekeningen was dat. Aan het eind van de middag heb ik ook nog een beetje, veel minder dan ik van plan was, in de zaterdagkrant gebladerd en gelezen.

 

Eerlijk gezegd vond en vind ik mijn taak gigantisch: Twee kostbare en indrukwekkende mensenlevens, dat van Martin en Arthur, die mij heel hun ziel en zaligheid hebben toevertrouwd. En dan dat hele panorama van de bijbel, van de heilige Schift in deze Paasnacht. Wat hebben de levens van die twee mannen te maken met dat grote verhaal van God die de bron en de oorsprong is van alles: van de kosmos, van de aarde en van alles wat zich daarop bevindt, van de basics en van het decor van ons bestaan, van het levenloze en van alles wat leeft, van de geschiedenis, van alle volken en van Israël in het bijzonder en die de Vader is van Jezus en van allen en met name van hen die op de manier van Jezus in Hem, in God willen geloven. Veelgeliefden: het is me alles bij elkaar nogal wat. Maak daar maar eens chocola van, een chocolade-ei zo u wilt, en vooral: maak daar maar eens een preek van, een paaspreek. Waar moet je beginnen? Wat is het raakvlak? Wat verbindt ons en speciaal Arthur en Martin met dat universum van de bijbel, van God, van Jezus?

 

Mijn aandacht werd, opnieuw, vooral getrokken door onze tweede lezing, die uit Exodus. Wat daarin beschreven wordt, de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee is ongetwijfeld het fundament van het hele Joodse én christelijke Paasfeest. Het is Mozes die, in nauw contact met, geïnspireerd door, ja op last ván ‘De Heer’, leiding geeft aan die uittocht en doortocht. Het is een zenuwslopend gebeuren. Mozes krijgt met grote weerstanden te maken. De farao, de Poetin, Trump, of Xi Jinping van die dagen, heeft na de vele plagen die Egypte hebben getroffen, tóestemming gegeven om het volk te laten vertrekken. Maar, zo hoorden wij, ‘De Heer’ maakte hem “halsstarrig”. Merkwaardig… God die zijn eigen plannen blijkbaar dwarsboomt. Maar goed… farao kreeg dus weer last van een stijve nek. Hij kwam terug op zijn belofte. En hij ging er achteraan, achter dat volk, met een geweldige overmacht. En dat volk deed het in z’n broek van angst. En Mozes is de gebakken peer. Er wordt op hem gevit. Men overlaadt hem met verwijten: “Waren er in Egypte geen graven, dat u ons naar de woestijn hebt gebracht om te sterven? Wat hebt u ons aangedaan (…)? Hebben we u (…) niet gewaarschuwd: bemoei u niet met ons (…). Het is beter om in dienst te blijven dan te sterven.” Hoge bomen vangen veel wind. Mozes krijgt de wind van voren. En de vraag, veelgeliefden, is: Is dat wáár wat het volk zegt? Is het inderdáád beter om in dienst, om slaaf te blijven dan om te sterven? Dezer dagen horen wij hoe, juist in diezelfde regio, vanuit de Gazastrook, praktisch een open gevangenis, de Palestijnen daar een poging tot uitbraak doen. Ze noemen het: ‘de Grote Mars van de Terugkeer’. Vijftien vooral jonge mensen hebben het al met de dood moeten bekopen. Hoe wanhopig, hoe woedend, maar ook: hoe krachtig en hoe dapper waren zij om te wagen, om te doen wat zij waagden en deden. En dat kan ons misschien confronteren met de vraag: Hoe krachtig en dapper zijn wij, ben jij? En ook met de vraag: Ben jij vrij? Of ben jij slaaf? En mocht je slaaf zijn, wat doe je dan? Leg je jezelf daar bij neer? Of probeer je er iets aan te doen?

 

Mozes zei: “Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe de Heer u vandaag nog zal redden. (…) De Heer zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.” En de Heer zelf spreekt: “De Egyptenaren zullen weten dat ik de Heer ben, als ik mijn heerlijkheid bewijs ten koste van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.” Tweemaal hoorden wij in de Exoduslezing diezelfde woorden. En het gebeurt. Als door een wonder ontkomt het volk. Wat is er precies gebeurd? Wij weten het niet. Ongetwijfeld is wat wij in Exodus lezen het resultaat van mondelinge overlevering waarin wat gebeurd is van generatie op generatie steeds mooier, sterker, fantastischer werd – met die “wateren (die) links en rechts van hen een wand vormden.” Ja. Maar toch. Iets wonderbaars moet er toch wel gebeurd zijn, iets wat voelde als een uitredding, een wonderbaarlijke helpende hand die werd gereikt. “Het volk kreeg ontzag voor de Heer” zo hoorden wij. En “zij stelden vertrouwen in de Heer en in Mozes, zijn dienaar.” In de lezing uit het boek van de profeet Ezechiël die wij hoorden is iets dergelijks aan de hand: “Als ik uw graven open en u in grote aantallen uit de dood opwek dan zult u erkennen dat ik de Heer ben. Ik schenk u mijn geest, zodat u weer leeft, en laat u op uw eigen grond wonen.” Denk aan die Palestijnen! “Dan zult u erkennen dat ik, de Heer, doe wat ik zeg.”

 

De Joden hebben het meegemaakt in hun geschiedenis, meer dan eens. Zullen de Palestijnen het ook meemaken? En wij? Hoe zit het met ons? En hoe zit het met onze doopkandidaten? Hebben zij en hebben wij ervaringen in ons leven gehad die maakten dat wij “ontzag voor God” kregen, ervaringen waardoor wij moesten erkennen dat Hij, de Heer, doet wat Hij zegt? Heeft die Heer jou en mij bevrijd van slavernij? Heeft Hij jou en mij door de Rode Zee geleid? Heeft Hij onze graven geopend? Heeft Hij onze doden opgewekt?

 

Het zijn me nogal vragen veelgeliefden. Wat is de diepste dynamiek in onze levens? Op grond waarvan maken wij onze keuzes? Waardoor laten wij ons ten diepste leiden, jij en ik?

 

Ik denk, ja ik weet wel zeker: als onze beide doopkandidaten, Martin en Arthur, de leidende, ja reddende hand van God in hun leven niet duidelijk hadden ervaren, dan zouden zij hier nu niet geweest zijn. De discretie en de tijd beletten mij om van jullie beiden ‘het verhaal’ te vertellen, maar we zouden dat verhaal zó naast de bijbelverhalen kunnen leggen. Of eroverheen. En dan klikt het en dan klopt het. Er wordt wel gezegd: God schrijft recht langs kromme lijnen. En beiden, dierbare Arthur en Martin, kunnen jullie die woorden van harte beamen denk ik. Zoals ook voor jullie beiden het woord ‘rust’ een sleutelwoord is. Martin zei: “Ik heb het doel in mijn leven gevonden waarmee ik onbewust heel mijn leven ben bezig geweest en dat ik gezocht heb. Het heeft mij rustiger en stabieler gemaakt.” En Arthur zei eveneens: “De beslissing om katholiek te worden heeft mij veel rust gebracht. En dat doet me goed.” Inderdaad, dierbare Arthur en Martin, is dáár alles om begonnen. God wil ons goed doen. Hij wil ons geluk. “God zag dat het goed was.” “En het was avond geweest en het was morgen geweest.” – deze dag. Deze Paasnacht. Kom op! Het water wacht! Het wordt tijd om door het  water te gaan, het water van de Rode Zee – in die kleine doopvont. Het wordt tijd om van de dood naar het leven te gaan. Het wordt tijd om met Christus te verrijzen.

 

Inleiding   op de viering van de Kruisweg op 30 maart 2018, Goede Vrijdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Goede Vrijdag. Dat is: het lijden van Jezus. The Passion. Zijn lijden en het onze en dat van de hele wereld. “De hele schepping kreunt en lijdt onder barensweeën” schrijft de apostel Paulus in zijn lange brief aan de christenen van Rome (8, 22).

 

Lijden. Leed. Groot leed en klein leed. Maar… wat ís ‘klein leed’? In bepaalde omstandigheden kan, voor bepaalde mensen, ook ‘kleín leed’ groot zijn of groot worden. 

 

Zo word ik nogal eens geconfronteerd met klachten wat betreft de duur van onze vieringen hier. Mensen vinden het soms te lang duren. En daar hebben ze dan last van, óók in verband wellicht met deze Goede Vrijdagviering.

 

Zodadelijk zullen wij hier door de kerk trekken langs de kruiswegstaties. Door te kijken naar de voorstellingen daarvan en door te luisteren naar teksten die daarop betrekking hebben, trachten wij ons in te leven in Jezus’ lijden en dood. Wij proberen dichtbij Hem te komen en bidden dat Híj ons nabij komt daarin. De teksten die zullen klinken zijn van Erik Borgman,[1] die zo’n beetje de bekendste katholieke Nederlandse theoloog is van dit moment. Hij is professor in Tilburg.

 

Nu zijn die teksten relatief lang. Iemand heeft het precies uitgerekend: 251 woorden gemiddeld. Vorig jaar waren dat er maar 118. En een paar jaar terug maar 83. Ja… Toe maar… Wat een verschil!

 

Kunnen wij dat aan? Houden wij dat vol? De volwassenen en de kinderen? Of gaat u zich zitten ergeren en zitten lijden in de kerkbank of lopend achter het kruis en dat misschien zelfs mede-dragend? Klein leed natuurlijk vergeleken bij het gróte leed van Jezus en van zovéél mensen die in het verleden en in het heden de klos waren en zijn. Klein leed misschien, maar toch…

 

Ik kan, beste gasten en parochianen, ik kan alleen maar zeggen en u aanraden: Volg uw hart. Doe wat uw hart u ingeeft. Loop mee achter dat kruis. Of blijf in de bank zitten. Blijf. Of ga weg als het u te lang duurt. En zeker ook de kinderen. Wij zijn vrije mensen. En geneer je niet.

 

Ooit had ik een huisgenoot die deed z’n horloge af en legde het weg als er iets te vieren was, aan tafel of ’s avonds in de huiskamer. Geweldig vond ik dat altijd. Gezelligheid kent geen tijd. En de Heer ook niet. Want Hij is heerlijk. Zelfs in Zijn lijden is Hij heerlijk. Juíst in Zijn lijden is Hij heerlijk. En de Heer is eeuwig. Laat die tijd dus maar los. En geef je maar beter over aan de lijdende Heer. Wees er, hier, helemaal. Of ga gewoon lekker weg. Het lukt. Of het lukt niet. Kwel uzelf niet. Ik wens ons een goede kruisweg toe. 

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                           

op 29 maart 2018, Witte Donderdag, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (11, 23-26), het heilig evangelie van onze Heer jezus Christus volgens Johannes (13, 1-15) en volgens Mattheüs (26, 36-46).

 

Hoe is dat, dierbare gasten en parochianen; hoe is dat toch in godsnaam mogelijk? Iedereen, elk mens wil licht, warmte, veiligheid, geborgenheid, voedsel, drank, maar Hij Jezus, gaat met open ogen op zijn ondergang af, op uiterst onaangename omstandigheden waarin medemensen zich manifesteren op hun lelijkst, keihard en ijskoud. Hij stevent af op de schandelijke kruisdood. Nogmaals: Hoe kan dat? Hoe kan een mens dat willen? En: wie vráágt daarom, dat Jezus dat zou doen? Niemand toch? Je zou zeggen: Het is een perverse manier van doen. Want hij graaft Zijn eigen graf. Hij roept het ongeluk over zichzélf en over Zijn omgeving, Zijn naasten, áf. Hij maakt zichzelf en anderen ongelukkig. Waarom?

 

Ik denk: wat het verklaart, dat hebben wij in de evangelielezing die wij hoorden, van Johannes, gehoord. Daar stond: “Jezus, die wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God gekomen was en naar God zou teruggaan…” – En Hij waste de voeten van Zijn leerlingen. Het was niet Zijn onmacht, maar het was Zijn macht en het was Zijn kracht die maakten dat Hij deze weg ging. Von Kopf bis Fuß, van top tot teen, met huid en haar en van begin tot einde wist Hij zich in Gód, in Zijn Vader, geborgen. En daarom was Hij niet bang om deze weg te gaan. Of, nou ja, zodadelijk tijdens de nachtelijke uren in de hof van Getsemane toch wél. “Hij begon bedrukt en onrustig te worden” zullen we horen. En: “Ik ben dodelijk bedroefd.” Maar toch: Hij is dit aangegaan, vol overtuiging. Hij heeft ervoor gekozen om het te laten gebeuren en om een speelbal te worden van de slechtste impulsen en praktijken waartoe mensen, ook wij wellicht, in staat zijn. Hij ging dat aan. Want God in Hem was sterker dan de mensen tegenover Hem. En God in Hem was sterker dan de dood. Het is een krachtmeting. Wie, wat is het sterkste, dé sterkste? Is het God in Jezus en in ons of is het de dood van Jezus en de onze. Wat is daarop uw antwoord? Wij zullen het zien.

 

Nogmaals: Waarom? Wij hoorden: “Voorheen hield Hij al van degenen die Hem in de wereld toebehoorden, maar nu zou Hij hun Zijn liefde betonen tot het uiterste toe.” En Hij toont hun en ons dat uiterste in de voetwassing en in het laatste avondmaal en in Zijn kruisdood. Het hoort allemaal bij elkaar. Het is één samenhangend complex, een geheel. “Hij legde zijn bovenkleren af” hoorden wij. En zo zal Hij Zijn aardse leven afleggen, daar afstand van doen, autonoom, vrijwillig. “Maar toen Hij hun voeten had gewassen en Zijn bovenkleren had aangetrokken, nam Hij weer aan tafel plaats.” En in die woorden, veelgeliefden, horen wij denk ik al over het andere, het nieuwe leven waarmee Jezus bekleed zal worden, ja dat Hij zélf zal beginnen, dat nieuwe leven waarin wij Hem voortdurend precies aan tafel, aan déze tafel, onze altaartafel, zullen tegenkomen.

 

“Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte slaan” hoorden wij in onze eerste lezing, uit het bijbelboek Exodus. “Alle eerstgeborenen… slaan.” Dat slaan is natuurlijk een eufemisme, een verzachtende, maar ook verdoezelende term. Andere vertalingen schrijven: “treffen”, dat is al duidelijker. Weer andere vertalingen schrijven: “doden”, en dát is glashelder. Maar… hoe gruwelijk toch dat nota bene Gód al die eerstgeboren Egyptische zonen en dochters, ook onschuldige baby’s dus, laat sterven. Hoe gruwelijk dat Hij nota bene ook Zijn eigen Zoon de dood in doet gaan, Hem aan de dood prijsgeeft, Hem die aandoet en doet ervaren. Gruwelijk ja. Maar in verband met die eerstgeborenen van Egypte en álle onschuldige slachtoffers van onze wereld, de burgerslachtoffers, de verkeersslachtoffers en ga zo maar door; ten opzichte van hen en van al hun treurende nabestaanden is het misschien ook wel weer éérlijk van God. Want in en met Zijn eigen Zoon ontziet Hij zichzelf niet. Wat mensen meemaken en doormaken, dat maakt ook God zelf mee en door.

 

Dierbare gasten en parochianen: Wat moeten we ermee? Wat willen we ermee? Iemand schreef mij: “Jij neemt die bijbelteksten allemaal serieus op en je leeft ermee, voor mij is het voor driekwart mythologie.” Ja… dat zal wel. Maar Jezus is wél op een gruwelijke manier gestorven, precies zoals er zoveel mensen een ellendige dood sterven. En dat is géén mythologie, maar keiharde werkelijkheid. En wat moeten we dáármee? En wat kunnen we dáármee? Wat kon Jezus ermee?

 

Nou ja, dat hebben we gehoord: Hij waste die voeten. En dat was een daad van liefde, “tot het uiterste”. En Hij brak “brood in stukken” en Hij nam wijn, “mijn lichaam” en “mijn bloed” zei Hij. Daden van goddelijk-menselijke liefde zijn het die de dood doen verbleken, waar geen dood tegenop kan. En dát is wat Hij elk van ons gunt. En dát is wat Hij elk van ons wil geven. Dat God in ons het wint van de dood en van elke blamage, schande, afgang, ontluistering, mislukking, ondergang die ook wij kunnen meemaken en die ook wij kunnen vrezen. Niet doen! Je hoeft dat alles natuurlijk niet op te zoeken. Maar je hoeft het ook niet uit de weg te gaan. Wees maar niet bang, zelfs niet voor de dood. Ga maar beter Zijn spoor. Dóe maar zoals Hij. “Als ik jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen.” De voeten graag! Niet de oren. Amen. 

                                                                                                                                                            

 

Verkondiging

25 maart

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het heilig evangelie van onze Heer jezus Christus volgens Marcus (11, 1-10; 14 en 15, 1-47), het boek van de profeet Jesaja (50, 4-7), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Filippenzen (2, 6-11).

 

Gistermorgen, dierbare gasten en parochianen, mocht ik in één van onze Amsterdamse kerken voorgaan in een uitvaartviering. De gestorvene was een man van achtenzestig jaar oud, gehuwd, vader van drie zoons, twintigers, en als specialist verbonden aan één van onze Amsterdamse ziekenhuizen van waaruit hij inmiddels begonnen was zich langzaam terug te trekken, hoewel hij er nog elke dag in alle vroegte stipt op tijd present was. Hij was heel toegewijd aan en betrokken op zijn familie, zijn patiënten, medewerkers, collega’s en op zijn vak. Afschuwelijk natuurlijk als je man of als je vader zo plotseling sterft. Zo iemand en zijn familie gun je, zoals trouwens iedereen, een zo goed mogelijke uitvaart. Maar het liep helaas een beetje anders.

 

We hadden namelijk in de kerk een probleem met de geluidsinstallatie. Het lukte niet om de voor de uitvaart zorgvuldig uitgekozen muziek van de meegebrachte USB-stick tot klinken te brengen. Een zeer stressvolle en tot wanhoop drijvende situatie. De drie zoons van de gestorvene, zijn vrouw, vrienden en familieleden, mijn ambtsbroeder, de pastoor van de parochie: iedereen werd erdoor in beslag genomen. Op een gegeven moment leek het toch te lukken. Hoewel qua volume onbevredigend, was er toch enig geluid te horen en maakten wij een begin met de viering. Vervolgens bleek de microfoon waardoor gesproken moest worden óók niet te werken. Wat een ellende. Op een gegeven moment kwam het, vast door ingrijpen van de heilige Geest in iemand, toch min of meer goed, maar… wát een nachtmerriescenario. Ik vond het heel erg voor de familie en uitvaartgasten. En als kerk sloegen wij natuurlijk weer eens een geweldig modderfiguur.

 

Tja. Een modderfiguur slaan. Daar zijn wij als kerk van meet af aan goed in geweest. Dat blijkt wel op deze Palmzondag. De weg die Jezus is gegaan naar en in Jeruzalem, die weg is in de loop der eeuwen en die wórdt tót op de dag van vandaag door ons geweldig geësthetiseerd oftewel: vermooid. De grootste componisten hebben de prachtigste en aangrijpendste passiemuziek gecomponeerd. Ons Canticum Anglicum brengt daarvan vandaag en op Goede Vrijdag het een en ander ten gehore. Die muziek doet het nodige met ons. Ook allerlei schilders hebben in de loop der eeuwen Jezus’ lijdensweg verbeeld, met name in de zogenaamde kruiswegstaties aan de wanden van onze kerken, ook hier in de Vredeskerk die van Johannes Schelfhout uit de dertiger jaren van de vorige eeuw. Soms moet ik om kruiswegstaties, vooral als ze van neo-gotische snit zijn, ook wel een beetje lachen. Want Jezus en alle andere figuren staan daar op in keurig gewassen en gestreken gewaden, mooi in de plooi. Hoofd- en baardharen van alle betrokkenen zien er keurig geknipt en gekamd uit: alsof iedereen nog even lekker in bad en naar de kapper is geweest alvorens op te trekken naar Golgatha. Niet als modderfiguren dus.

 

Maar dat zijn ze wel: veel van de handelende figuren in het lijdensverhaal. En de grootste modderfiguur van allemaal is mijn naamgenoot Petrus, de eerste paus! Terwijl Jezus “angstig en onrustig” en “dodelijk bedroefd” wordt, vallen Petrus en zijn mede-leerlingen in slaap. Terwijl óm Jezus het net zich sluit en Hij wordt afgetuigd, zit Petrus zich bij het vuur te warmen en doet hij net alsof hij Jezus niet kent – om vervolgens als de haan kraait hete tranen te schreien. Wat een afgang. Wat een lafbek. Wat een modderfiguur. “Jullie zullen allemaal ten val komen” had Jezus gezegd. En het gebeurt. Toen het er op aankwam “lieten ze Hem allemaal in de steek en vluchtten weg.” In de loop van een lange kerkgeschiedenis waarin de meest fantastische kunstwerken zijn ontstaan en de meest verschrikkelijke bloedbaden zijn aangericht hebben “wij”, de zogenaamde christenen, maar al te vaak gedaan alsof wíj van de prins geen kwaad wisten, hebben wij onszelf wijsgemaakt dat óns niets te verwijten viel en met Pilatus ónze handen in onschuld gewassen. Het waren “De Joden” die het gedaan hadden.

 

Maar, veelgeliefden, wie zijn wij zelf? Petrus en álle apostelen waren Joden. Ja, wij zijn het zelf – Joden, in overdrachtelijke zin. Wij zijn, als christenen, in principe werkelijk geen haar beter of slechter dan zij, dan de Joden. Dát heeft de kerkgeschiedenis en die van de zogenaamd ‘christelijke naties’ wel aangetoond zo lijkt mij. Niet beter dan de Joden. En wel dan de moslims? Niet weinigen in dit land, ook christenen, dénken het: van wél. Maar ik hoor daar niet bij. Volgens mij is het een illusie om te denken dat christenen of boeddhisten beter zijn dan moslims of joden. Ik denk: precies voor díe waarheid zou Jezus’ lijdensverhaal ons de ogen kunnen of zelfs moeten openen.

 

Als kerk slaan wij een modderfiguur, van meet af aan. Wij zijn modderfiguren. Wij deugen niet. Maar al te vaak stellen wij onze prioriteiten verkeerd en laten wij elkaar stikken en barsten en vallen als een baksteen. Christenen kunnen geweldige huichelaars zijn en als zodanig, precies áls christenen, het sóp van de kool niet waard. Tja.

 

Nou ja… zo kan ie wel weer… Wat trekt ie weer fel van leer. En: is het dan zó erg? Is er dan niets goed aan ons? En: is dat nou niet een erg pessimistische, negatieve, zwartgallige mens- en geloofsvisie en levensopvatting? Ik hoor het u allemaal denken.

 

Nou ja, veelgeliefden, u zegt het maar. Het is Palmzondag. En ík denk: op deze dag vallen wij als mensen en ook als gelovigen gewoon door de mand en zouden wij van al onze illusies niet alleen moeten worden beróófd, maar vooral: bevrijd!

 

Wij zijn als mensen en ook als gelovigen twijfelachtige, bedenkelijke, dubieuze wezens. Verbeeld je dus maar niets. En: reken dus, wat de mensen betreft, maar nergens op. Dan kan ‘het’ en dan kunnen ‘ze’, de mensen, alleen maar meevallen en, wie weet, soms onverwacht tóch uit de hoek komen: zoals die anonieme vrouw die dat “albasten flesje echte kostbare nardusbalsem” zomaar boven Jezus’ hoofd stukbreekt en Hem ermee zalft - “met het oog op mijn begrafenis” zegt Jezus. Ik denk: het is onbetaalbare liefde welke die vrouw in en van Jezus ervaart en die zij zelf uitdrukt in haar royale en spontane gebaar. En dan die anonieme jongen die Jezus volgt “met slechts een linnen doek om het naakte lijf; ze grepen hem vast. Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt weg.” “Onze ziel als een vogel kwam vrij. De strik brak en wij, wij ontkwamen.” – Psalm 124, vers zeven. Ik denk: dat is het. En ook: die jongen is beeld reeds van Jezus zelf in Zijn verrijzenisgedaante. Maar ik moet bij die jongen óók denken aan wat de voor mij onvergetelijke pater Jan van Kilsdonk ooit zei in een interview: "Het wemelt van de mensen die lijden aan zelfverwijt of die denken te falen. Mijn enige antwoord is dan zo iemand te eerbiedigen. Achter z'n schuld z'n onschuld zoeken, achter z'n bezoedelde leven z'n onuitwisbare reinheid, achter z'n onmacht z'n macht. (...)”[2] – De macht, de onschuld, de onuitwisbare reinheid van die naakt wegvluchtende jongeman.

 

Wij zij modderfiguren. Wij deugen niet. Nochtans, ondanks dat, dóet God het met ons en doet Hij het met ons zoals wij nu eenmaal zijn, ondanks datgene of van de dingen ook waarvan wij onszélf eventueel maar niet kunnen bevrijden wil God met ons verder gaan. Nogmaals, Jezus zegt: “Jullie zullen allemaal ten val komen.” “Want er staat geschreven: Ik zal de herder treffen, en de schapen zullen verstrooid worden. Maar”, zo voegt Hij er aan toe, “maar na mijn opwekking zal ik jullie voorgaan naar Galilea.”

 

Dus toch nog, of liever gezegd: toch ál - een sprankje hoop aan de horizon. Een sprankje hoop, - niet vanwege ons, vanwege hoe mensen zijn, maar wel vanwege God die de doden opwekt en die Jezus in staat zal stellen om er opnieuw te zijn vóór en om te blijven bíj al die krukken en modderfiguren die wij zijn. Blijven wij dus bij Hem. Amen.

 

 

Verkondiging

 

op 18 maart 2018, de 5e zondag van de Veertigdagentijd, in de Kerk van

Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Jer. 31,31-34; Hebr. 5,7-9; Joh. 12, 20-33

 

Komende woensdag zijn de stemlokalen weer open. Ook hier in de pastorie. De scheiding tussen kerk en staat is even zoek. Volgens de Kieswet mag je in en rond stemlokalen geen propaganda maken. Maar ik hoop dat er ergens de tekst: “God roept ook U” hangt of een gigantisch kruisbeeld, zo groot en zwaar dat het door de leden van het stembureau niet kan worden verwijderd. Het zou jammer zijn als juist nu over dat kruisbeeld een paarse doek of jute zak hangt, omdat het vastentijd is.

 

Ik weet dat een stemadvies tegenwoordig uit den boze is. Vroeger kon dat, maar de tijden zijn veranderd. Vroeger kreeg je gevraagd en ongevraagd advies van je ouders, van een leraar, van een pastoor, zelfs van de bisschoppen. Advies van wijze mensen die het beste met je voor hebben. Het kon je helpen in je keuzes. Maar nu zijn wij met 17 miljoen mensen die het allemaal beter weten. Als het over voetbal gaat lijken er 17 miljoen bondscoaches te zijn. In de politiek zou je soms denken dat er 17 miljoen potentiele premiers zijn of, erger, 17 miljoen politieke partijen met elk een eigen programma. In de religie gedragen we ons soms als 17 miljoen theologen. We lijken niet te zoeken naar wat ons verbindt, maar naar wat ons verdeelt. Dat geeft te denken. We zouden, omdat we volgelingen van Jezus zijn, het toch eens moeten zijn over de essentie van ons geloof. Die is zoals pater Mark-Robin Hoogland het vorige week hier zei: God is liefde, God heeft ons lief, jou en mij. Daarover denkend kost het mij geen moeite u vandaag een stemadvies te geven. Toch wil ik geen onderwerp zijn van tegenspraak. Of ben ik dat al omdat ik hier sta? Je mond open doen als christen, je mond open doen als gelovige, er voor uit komen. Dat zou het verschil moeten maken in de wereld, ook woensdag in het stemhokje.

 

In de Nieuwe Kerk op de Dam was onlangs een indrukwekkende tentoonstelling over drie grote wereldleiders, nl. Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Ze zijn de ‘incarnatie van ons betere ik’, ten minste wanneer die betere ik is gericht op geweldloosheid, op gelijkwaardigheid, op verzoeningsgezindheid en op vasthoudendheid voor de goede zaak. Dat is vandaag helemaal niet zo vanzelfsprekend, gezien de toename (en verheerlijking) van geweld, van discriminatie (dus ontkenning van gelijkwaardigheid) en van de neiging tot polarisatie. Twee van deze drie grote en moedige leiders werden vanwege hun boodschap en idealen vermoord. Net als Christus. Mijn stemadvies voor woensdag is in de geest van hen en in de geest van Jezus Christus zelf: Kies tegen geweld, kies tegen discriminatie en tegen polarisatie;  kom op voor de armen en gebrekkigen. Kerken zijn van oudsher op die terreinen actief. Veel vrijwilligers zijn leden van de kerken. Zij zetten zich in voor de diaconie, voor de voedselbanken, voor asielzoekers en voor inburgering. Zij zetten zich in om mensen uit de schulden te krijgen. In dit land is onderhand aan alles gebrek, ondanks de hoge welvaart. Uitkeringen zijn laag, vaste lasten van wonen en levensonderhoud hoog. Betaalbare woningen ontbreken en het openbaar vervoer is verschraald. De zorg wordt onbetaalbaar en er zijn geen handen aan het bed. Ouderen vereenzamen thuis. Klassen zitten zonder juf of meester. Bejaarden en zieken betalen een hoge prijs voor de bezuinigingen en de marktwerking in de zorg.

 

Ik wil dat de kerk zijn stem verheft tegen deze maatschappelijke misstanden. Ik wil dat de kerk opkomt voor de mensen in nood. De kerk zou minder naar binnen gericht moeten zijn. De kerk moet de gemeentebesturen aansporen een veel socialer beleid te gaan voeren. Die kerk is niet of niet alleen het instituut, niet het lichaam, nee, het zijn vooral de ledematen. Die ledematen dat zijn wij! Ik weet natuurlijk dondersgoed dat als we donderdagochtend opstaan de wereld niet is veranderd. Misschien niet eens verbeterd. Het gaat langzaam en met kleine stappen. Daarin hebben we allemaal een rol, allemaal onze eigen taak, allemaal onze eigen verantwoordelijkheid. Je kunt niet zeggen: laat de ander het maar doen. Je kunt niet zeggen: mijn inbreng doet er niet toe. Je kunt niet aan de kant blijven staan. Er is werk aan de winkel. Je zult je handen uit de mouwen moeten steken. Er is menskracht nodig. Van u en van mij. En actie.

 

In het Evangelie van vandaag vragen de Griekssprekende Joden aan Filippus: Wij zouden Jezus graag spreken, wij zouden Hem graag ontmoeten. Ik vertaal dat in: Wij willen Jezus graag leren kennen en Hem volgen. Het antwoord dat ze krijgen is schokkend. Jezus spreekt over de bereidheid je leven te verliezen. Je moet bereid zijn om te sterven, zoals de graankorrel die in de aarde valt, daar sterft om vruchten voort te brengen. Als je Hem wilt volgen, staat je vernedering, lijden en dood te wachten. Vraag dat maar aan de vervolgde christenen in China of in het Midden-Oosten. Als het er op aan komt, moeten we ons leven durven verliezen omwille van een hoger belang. Omwille van Hem en van Zijn Evangelie. En dan mogen we bidden dat dat nooit letterlijk van ons gevraagd zal worden.

Lijden verwijst naar het heil dat de dood teniet zal doen. Dood is de doortocht naar het volle leven, zoals de graankorrel die in de aarde valt, de voorbode is van de rijke oogst. Dit gelovend kijken wij hoopvol uit naar Pasen.

 

Er komt een tijd, zo lezen we vandaag in Jeremia, dat God met ons een nieuw verbond zal sluiten. Hij zal onze God zijn en wij zullen Zijn volk zijn. En onze misstappen, ook in de politiek, worden ons vergeven.

Het Evangelie-vers van vandaag is ontleend aan Johannes 12,16 en luidt: “Wil iemand Mij dienen dan moet hij Mij maar volgen; waar Ik ben, zal ook mijn dienaar zijn.”

U hoeft Hem alleen maar achterna te gaan.

 

Een beter stemadvies kunt u niet krijgen.

 

Amen

 

Verkondiging

 

 

op de 4e zondag van de Veertigdagentijd vóór Pasen, Zondag “Laetare”, 11 maart 2018, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Johannes 3,14-21

                               2Kronieken 36,14-23. Psalm 137. Efesiërs 2,4-10

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Soms is het maar moeilijk te geloven wat wij geloven: de ene God Die Vader, Zoon en Geest is, of Jezus Christus Die ten volle mens is en God is en Die na lijden en sterven weer is verrezen uit de dood – ‘om maar wat te noemen’. Hoewel, hoe vreemd het ook klinkt, als we erbij stilstaan, geloven wij dit spontaan en van harte. Meer nog, na jaren in het pastoraat lijkt het mij dat een van de moeilijkste dingen om te geloven is dat God liefde is – of nog preciezer: dat God ons liefheeft; dat God jou, mij lief-heeft.

                We zeggen het zo gemakkelijk: God is liefde. Johannes 3 vers 16 is naar verluidt het meest geliefde en vaakst geciteerde Bijbelvers. In Amerika heb ik het vaak op autobumpers gezien: “J 3:16.” Typ “John 3” in in google, en “16” verschijnt er meteen bij en met één druk op de knop wordt je scherm gevuld met een enorme hoeveelheid afbeeldingen – kunst en kitsch – met de tekst: “God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn enige zoon heeft gegeven, (opdat al wie in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft).”

                Wat is dan liefde? Filosofen hebben er boekenkasten over volgeschreven. De Griekse gedichten van Sappho en “broederschap” in de Franse Revolutie – alles onder het mom van de liefde. Liefde gaat dikwijls gepaard met gevoelens: verlangen, verliefdheid. Maar de kern van de liefde is het willen van het goede voor de ander zonder bijbedoelingen, dus: omwille van die ander en niet om er zelf beter van te worden. Het goede willen voor een ander: ook als de vurige verliefdheid wat is weggeëbd, kan een huwelijk goed zijn, ja, zelfs een betere, meer liefdevolle relatie dan toen het een stormachtige romance was. Want niet liefde, maar verliefdheid maakt blind. Het goede willen voor de ander ondanks diens tekorten en ondanks onenigheid: zo zien we dat liefdevolle ouders voor hun kinderen heel ver gaan. Vrienden die elkaar vasthouden ook in krisis en ellende.

                Als het over de relatie met je vrienden, je partner en je kinderen gaat, is die liefde (bijna) vanzelfsprekend: je wilt niet alleen het goede voor je geliefden, je doet ook het goede voor hen – zelfs als je er niet hetzelfde voor terugkrijgt en zelfs als ze het niet verdienen, zogezegd. Die liefde voor onze dierbaren is onvoorwaardelijk: trouw tot de dood ons scheidt; vrienden voor het leven; door dik en dun enzovoorts. Daarom is liefde zo bevrijdend, levengevend. Juist daarom verlangen wij naar liefde, naar relaties en verbanden waarin betrouwbare liefde de leidraad is en ervaarbaar wordt!
                Maar als het gaat over onze relatie met God, wordt die gedachte voor menigeen enorm problematisch. Dat kan te maken hebben met ons idee van “God”: als wij blijven hangen in het beeld van de oude man met een lange baard op een wolk [cf. Da 7,9] of als we niet verder willen (!) gaan dan dat er wel “iets” is, wordt het evangelie van vandaag wel erg vreemd.

                Maar misschien vinden wij onze relatie met God Die liefde is nog problematischer, als wij ons realiseren dat God “alles weet” [1Joh 3,20]; als “God” degene betekent die alles van mij weet, echt alles [cf. Ps 139: Gij kent mij en doorschouwt mij en weet waar ik ga of sta] – ik vind het een geruststellende gedachte, maar een ander kan dit afschrikken. Zeker als wij onze eigen schaduwzijden en zwakke kanten niet onder ogen durven zien, als wij een gevoel van minderwaardigheid hebben – altijd onterecht! [Ef 2,1-5 etc.] – dringt het maar moeilijk tot ons door dat wij worden liefgehad door Degene Die groter is dan ons hart [1Joh 3,20].

                Het idee dat wij Gods liefde moeten verdíénen is veel gemakkelijker te begrijpen dan een liefde die sowieso al groter is dan onze zonden, fouten en tekorten. Zoals gezegd, de liefde voor onze kinderen, partner en bijzondere vrienden is vrijwel onvoorwaardelijk, maar bij mensen die wat verder weg staan, speelt bewust of onbewust toch “het verdienmodel”. Evenzo, naarmate wij God beleven als veraf, wordt het moeilijker om Zijn liefde voor ons als onvoorwaardelijk te zien. Dan kan elke tegenslag gezien worden als straf van God: “Wat heb ik verkeerd gedaan?” Of als we nog verder afdwalen, menen we ons lot in eigen hand te hebben: dat we bij alles wat we denken en doen, bezig zijn om goed karma te verzamelen: oorzaak en gevolg, en eigen schuld als het mis gaat. We zijn onszelf aan het verlossen? [vs. Ef 2,8v]

                Voor christenen is het precies omgekeerd, zoals ook Paulus schrijft aan de Efesiërs (de Tweede lezing): de goedheid van God die concreet wordt in de schepping en in het Nieuwe Verbond [in de persoon van Jezus – Zijn leven, lijden, sterven en verrijzen] is genade, d.w.z. onverdiend, een geschenk. Elders in het Evangelie gebruikt Jezus Zelf het beeld van een dokter die gekomen is voor zieke mensen [Mk 2,17]; Hij maakt ons beter, maakt ons tot betere mensen: lévend.

                Maakt het dan niet uit wat wij doen? Hoe kun je op die liefde nu het best op reageren? Hoe zou je hierop willen antwoorden? Geloven, wordt ons van Godswege aanbevolen, d.w.z. vertrouwen. Laat maar tot je doordringen dat je geliefd bent. Dat je de moeite waard bent. Dat er zoveel goedheid in jou is gelegd. Dat je op de goede weg bent gezet, die leidt naar het leven en het geluk dat geen einde kent [Ef 2,10]. Als je dat gelooft, begint te geloven, zul je groeien in dankbaarheid: alles, al het goede is een geschenk, gegeven [cf. 1Kor 4,7]. Dan wil je ontvangen, met open armen, i.p.v. pakken. Dan wil je liefde en al het mooie delen en doorgeven i.p.v. voor jezelf houden: aandacht en tijd, geld en goed. Dat kan er aan de buitenkant hetzelfde uitzien als “karma”, maar voor ons is zulke goedheid een àntwoord, uit dankbaarheid.

                Dit inzicht geeft alle reden om halverwege de Vasten, op weg naar Pasen, al vrolijk te zijn: laetare! De paarse kleding moet er zelfs voor wijken; wereldwijd kleurt de kerk vandaag roze!
                Maar wat als je nu niet gelooft: omdat je het niet kunt of omdat je niet weet hoe? Die Eerste lezing die misschien in eerste instantie compleet langs ons heen is gegaan, geeft hier wel een sleutel. Die Persische koning Cyrus is geen gelovige, maar hij wordt wel door God bewogen om zijn macht ten goede te gebruiken. Koning Cyrus zal het zelf waarschijnlijk niet zo gezien hebben, maar de gelovigen herkennen hem als een instrument in Gods hand [N.B. Js 44,28. 45,1]. Oók mensen die zichzelf ongelovig achten, kunnen het goede ontvangen, delen en doorgeven. Zo zijn zij geen vijanden van God; zij zijn bondgenoten geworden [cf. Tomáš Halík in: Geduld met God].

                Mogen wij zo voor elkaar het goede willen: dankbaar en vol vertrouwen samen de toekomst tegemoet gaan die God door Jezus Christus bereid heeft voor hen die liefhebben. Amen.

 

Verkondiging

 

op 4 maart 2018, de derde zondag van de Veertigdagentijd, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek Exodus (20, 1-7), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 22-25) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bent u er al uit dierbare gasten en parochianen? Weet u al op wie, op welke partij u op 21 maart gaat stemmen bij de verkiezingen voor de gemeenteraad?

Het Wijkcentrum De Pijp organiseerde maandag twee weken terug een debat met vertegenwoordigers van acht politieke partijen. Ik ben daar naar toe gegaan. Is er op den duur binnen de ring alleen nog ruimte voor rijke mensen, voor toeristen en filialen van grote merken? En moet er in de stad ruimte blijven voor auto’s? En zo ja, hoevéél ruimte dan? En waar láten we die auto’s? Om dat soort vragen ging het.

De aanwezigen op de debatavond werden aangemoedigd om eventuele overige vragen per e-mail aan de vertegenwoordigers van de politieke partijen te stellen. En ik heb dat gedaan. Want er is in de stad iets waar ik mij geweldig aan stoor, namelijk: terrasverwarming. Het moet schoner en het moet duurzamer op aarde. Door de verbranding van fossiele brandstoffen warmt de aarde op met alle problemen van dien, onder andere de zeespiegelstijging. Op den duur hóuden wij het daardoor niet meer als Nederland achter onze duinen en dijken. Half Groningen is intussen al verzakt en ontwricht. De gaskraan moet verder dicht. Maar intussen verwarmen wij hier in Amsterdam vrolijk de buitenlucht. Ik vind dat van de gekke. Nog even afgezien van wat er middels die terrasverwarming daadwérkelijk aan kostbaar Gronings gas of aan stroom, groen of niet, de lucht in gaat: het is om te beginnen al een totaal verkeerd signáál dat we met die terrasverwarming geven, vooral ook aan onze eigen jeugd en aan bezoekende buitenlanders. Want: ‘Het zal nog wel meevallen.’ En: ‘Zo erg zal het toch heus niet zijn’ – ben je toch geneigd te denken in een stad waar nota bene de terrassen verwarmd worden!?

“In zes dagen heeft de Heer de hemel, de aarde en de zee en al wat zij bevatten gemaakt” hoorden wij vandaag in onze eerste lezing uit het boek Exodus. De aarde is ons huis. En wíj zíjn, wórden en blijven geroepen om dat huis goed te beheren en om al wat leeft te behoeden. Jezus noemt in de evangeliepassage die wij hoorden de tempel te Jeruzalem “het huis van mijn Vader”. Maar… “zou God werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten!” – bad koning Salomo bij de inwijding van diezelfde tempel die híj had mogen bouwen.[3] Die tempel, elke tempel, ook onze kerk, is een symbolisch gebouw. Het is een symbool van de kósmos, van het heelal. Jezus stelt, nogal heftig, stevig en rücksichtslos orde op zaken in de tempel. Hij reinigt die. En aldus spoort Hij óns aan, speciaal in deze Veertigdagentijd vóór Pasen, om orde op zaken stellen in ons eígen leven, orde op zaken naar lichaam, hart en geest. En daarin en daarbij, dierbare parochianen en gasten, mogen wij ook elkáár aanmoedigen en ondersteunen, - om dat te doen. En sámen moeten we het doen in onze wereld, in Europa, in ons land en in onze stad: opruiming houden, grote schoonmaak. Wég daarom dus, in dit verband, met die terrasverwarming!

Dat vind ík dus. Voor mij is ‘het milieu’ eigenlijk al heel lang beslissend wat betreft het bepalen van mijn eigen politieke keuzes. Want we hébben maar één aarde. En als we die bederven houdt álles op. Misschien dat voor u andere onderwerpen belangrijker zijn en bepalend voor úw keuze. Dat kan natuurlijk en is uiteraard aan u. Maar ík ga dus voor het milieu en ben in dat verband dus erg geïnteresseerd in de standpunten van de politieke partijen in Amsterdam wat betreft die terrasverwarming. Wie immers ‘het kleine niet eert is het grote niet weert’. Wie met zo’n beperkt, duidelijk thema niet goed omgaat, hoe zou die wel goed om kunnen gaan met ‘de grote dingen’ zoals die spelen binnen onze samenleving? Zo denk ik. En daarom heb ik die acht politieke partijen dus gevraagd naar hun visie op dat thema terrasverwarming. Hier komen de antwoorden, soms ingekort[4] en in volgorde van binnenkomst.

Om te beginnen het antwoord van Johnas van Lammeren van de Partij voor de Dieren: “Ons standpunt over terrasverwarming is helder. Wij zien die liever gaan dan komen. (…) Een warme trui, deken of gewoon binnen zitten is veel verstandiger. (…) Sinds ik in de raad ben,” aldus Johnas, “draag ik dit uit. Ik heb (…) moties ingediend bij plannen omtrent horeca en pilots omtrent terrasverwarming met als doel deze te verbieden.” Dat klinkt ferm.

Vervolgens: Remine Alberts van de SP. Zij schrijft: “Wij hebben ons daar tegen verzet. (…) Wij hebben destijds voorgesteld om te kijken of restwarmte van de koelingen bij de horeca gebruikt kon worden (…). Aan het restwarmteverhaal is geen gevolg gegeven. De horecapartijen (VVD, D66) waren er niet voor te porren. De PvdA was in die tijd nog niet zo groen als ze nu wel proberen te zijn.” Tot zover de SP. Dat klinkt enigszins machteloos. En ‘restwarmte’… is zoiets reëel?

Ten derde: Jelle de Graaf van de Piratenpartij: “In ons (…) verkiezingsprogramma wordt er niks over terrasverwarming gezegd. Voorstellen om die terug te dringen, bijvoorbeeld door een milieuheffing, zullen wij (…) steunen.” Dat klinkt afwachtend.

Ten vierde: Jacques Klok van het CDA: “Terrasverwarming is een beslissing van de ondernemer zelf. Wij vinden het niet nodig om de vrijheid van ondernemen en van personen in te perken op dit vlak.” Het CDA dat kleur bekent.

Ten vijfde: Paul Slettenhaar van de VVD, kort en krachtig: “Ik ben altijd voorstander geweest.” – van terrasverwarming dus. Duidelijk. Maar ook: duidelijk verkeerd wat mij betreft.

Ten zesde: Sebastiaan Capel van D66: “Juridisch is het niet mogelijk om terrasverwarming te verbieden, dan wel te reguleren.” Dít verbaasde mij hogelijk. Want: als verbieden of reguleren binnen de huidige jurdische kaders niet mogelijk is, dan zouden zulke kaders toch geschapen kunnen en moeten worden? Waar een wil is, daar is toch een weg zou je zeggen? Er wordt toch binnen onze samenleving wel meer verboden en gereguleerd? “D66 heeft liever een terrasverwarmer op duurzame stroom dan op aardgas.” “D66 heeft liever”. Dat klinkt vrij slap.

Ten zevende: Maarten Poorter van de PvdA: “De PvdA heeft geen principiële bezwaren tegen terrasverwarming, maar heeft wel zorg over de impact op het klimaat. We vinden dat ondernemers er alles aan moeten doen om groene stroom te gebruiken en de terrasverwarming alleen aan te zetten als er mensen op het terras zitten. In ons programma is geen passage over terrasverwarming opgenomen.” Ja… dat snap ik dan wel, dat laatste. “Geen principiële bezwaren.” Goed dat die aap uit de mouw komt. En is ‘de zorg’ die men zegt te hebben in dit verband dan meer dan een schaamlap? Ik vraag het mij af.

Ten achtste: Jeroni Vergeer van Groen Links: “Groen Links is altijd al een tegenstander geweest van terrasverwarming. Daar hebben wij ons in het verleden vaak tegen uitgesproken. Ook hebben wij oproepen gedaan om dekentjes te gebruiken als je graag buiten wilt zitten als het koud is, en zelf ook wel eens dekentjes uitgedeeld op terrassen.” Leuk en goed dat laatste. Maar zet het zoden aan de dijk? Nee lijkt mij.

Tot zover de visies van deze acht partijen in verband met dat thema terrasverwarming. Gelukkig is het nog geen 21 maart.

Jezus zegt: “Breek deze tempel af en in drie dagen laat ik hem herrijzen.” En de evangelist Johannes voegt er aan toe: “Met dit woord doelde Jezus op de tempel die Hijzelf was.” “Tijdens zijn verblijf in Jeruzalem (…) kwamen heel wat mensen tot geloof in zijn naam (…) Maar Jezus van Zijn kant had geen geloof in hen, omdat Hij ze allemaal kende. Niemand hoefde Hem over de mens iets te leren, Hij wist welf wel wat men aan een mens had.” Jezus kende zijn pappenheimers. Hij liet en laat zich door individuele mensen en ook door politieke partijen geen knollen voor citroenen verkopen. Hij doorziet elk van ons en elke partij.

In de Obrechtinfo, het parochieblad van de Roomse parochie die ten westen aan onze parochie grenst, schrijft mijn ambtsbroeder pastoor Jacques Quadvlieg:

“Zie de Mens”  Met deze woorden, uitgesproken door Pontius Pilatus, werd Jezus na geseling en doornenkroning, voorgeleid aan het volk dat om zijn veroordeling scandeerde. Dit beeld toont de ultieme broosheid van Jezus in zijn menselijke gestalte. In Hem zien wij elk menselijk bestaan dat in alle fragiliteit, in alle kwetsbaarheid onrecht wordt aangedaan. Ieder mens kan worden gebroken, zelfs de Zoon van de Allerhoogste.” Ja… zo is dat.

Broos. Fragiel. Kwetsbaar. Onrecht dat wordt aangedaan. Breekbaar. Al die termen snijden inderdaad hout als het om Jezus gaat. Maar óók als het om onze aarde gaat: die kostbare tempel die wij met z’n allen bewonen. Het lichaam van élk van ons is zelfs zo’n kostbare maar broze, fragiele, kwetsbare, breekbare tempel. Van vier van ons zullen wij zodadelijk die tempel zalven. Wij dienen hen het heilig oliesel toe, het sacrament van de zieken. Niet omdat zij op dit moment per se doodziek of zelfs ten dode opgeschreven zouden zijn, maar wel omdat zij zich van hun broosheid, fragiliteit, kwetsbaarheid, breekbaarheid, ja sterfelijkheid goed bewust zijn. En dat is goed. Ja, dat is heilzaam.

“Wij verkondigen een gekruisigde Christus” schrijft Paulus in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe, vandaag onze tweede lezing. “Voor hen die geroepen zijn (…)” is die gekruisigde Christus “Gods kracht en Gods wijsheid”. Want “de dwaasheid van God is (…) wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.” Wat die woorden precies betekenen, dierbare gasten en parochianen, dat blijft enigszins duister. “Maar”, zegt Salomo bij de inwijding van de tempel in Jeruzalem: “De Heer heeft beslóten in het donker te wónen” – in het donker van de tempel, óók in die van ons lichaam. Ik voor mij vertaal Paulus’ woorden over die gekruisigde Christus zó: Als het lot van onze aarde alleen van mensen en hun uitvindingen, van die onzalige terrasverwarming bijvoorbeeld; als ons lot dáárvan, van mensen alléén af zou hangen, dán moeten we inderdaad het ergste vrezen. Als ons individuele lot, dat van elk van ons, zou afhangen van mensen alléén, dan zou een mens het inderdaad somber kunnen gaan inzien. Maar dáárvoor behoede ons God! En God dóet dat ook. Inderdáád behoedt Hij ons daarvoor. Já, God is er óók nog! Precíes in de gekruisigde Christus laat Hij zich zien en kennen. En in dat kruis keert Hij alles om. Precies in en door dat wrede teken van ondergang en vernietiging bouwt Hij ons, dat wil zeggen: wie wil en zich door Hem daarin laat meenemen; precies door en in de gekruisigde Christus bouwt God ons óp tot een nieuw bestaan. Mogen wij het ervaren. Amen.

 

 

Verkondiging

 

 

 

Verkondiging 25 februari  AD 2018

 

Lezingen  gen.22: 1-2,  9-18; ps.116; Rom.8: 31b-34; Mc.9: 2-10

 

Het is vandaag, zusters en broeders, de dag dat de Februaristaking van 1941 wordt herdacht.  Amsterdamse arbeiders staakten uit protest tegen de terreur door Nederlandse nationaal- socialisten en het Duitse leger tegen joodse medemensen. Een staking, die onder meer werd aangezwengeld door communisten, maar ook veel christenen waren er bij betrokken.  Het Nederlandse protest vanuit zo brede lagen van de bevolking was uniek in het door de Duitsers bezette Europa. Zoals trouwens ook uniek was dat de katholieke kerk, de hervormde kerk en de gereformeerde kerken zich eensgezind hebben verzet tegen de deportatie van de joden.

 

De katholieke kerk was daarin, ondanks veelvuldig voorkomende risjes zeer militant.  De Duitsers namen wraak en veel geloofsgenoten vielen ten offer aan het katholiek protest. Zoals Titus Brandsma en Edith Stein. Of de architect van deze kerk, Jos Bekkers. Het burgerlijk gezag steunde veelal de bezetter. Ook na de Februaristaking sloegen de nazi’s keihard terug: verscheidene organisatoren betaalden de actie eveneens met hun leven of leden zwaar in concentratiekampen.  Was hun aller offer het waard ? Want toch viel de overgrote meerderheid van de in Nederland wonende joden ten offer aan de massamoord door de nazi’s, de shoah.

 

Ten offer gevallen   zei ik zojuist. Kunnen de offers van de verzetshelden en sterker nog  -  kan de massaslachting van de joden vergeleken worden met het offer van Abraham dat in de eerste lezing beschreven wordt ?  Want toen kwam een engel tussenbeide en was uiteindelijk een ram het slacht – offer. Die engel kwam niet langs begin jaren ’40 van de vorige eeuw. Gaat die vergelijking mank ?  Misschien, maar feit is dat enkele jaren later de joden hun eigen staat stichtten, formeel nu,  in 1948, bijna 2000 jaar nadat de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de definitieve verstrooiing, de diaspora begon.

 

Na die diaspora waren de joden altijd bloot gesteld aan vervolging, tot onze schande tot voor kort, bijna 20 eeuwen lang ook, en in extreme mate door de christenen.  En toch is er nog altijd een joodse gemeenschap. Hebben wij hedendaagse christenen daar iets mee te maken ? Ja, het is bijvoorbeeld niet zo maar dat Jezus daar op de berg Tabor geen koningen als David of Salomo ontmoet maar juist de belangrijkste joodse profeet Mozes en die andere profeet, Elia en dat in dat illustere gezelschap de Vader Jezus presenteert als Zijn Zoon.  En zo de goddelijke identiteit van Jezus de Christus bevestigt tegenover de drie prominentste discipelen.

 

Mozes en Elia hadden geen onbevlekt blazoen. Mozes had zich in Egypte schuldig gemaakt aan doodslag op een Egyptische slavendrijver (Ex. 2: 12) en Elia was verantwoordelijk voor de executie van 450 Baalpriesters (1Kon. 18: 40).  Valse profeten, zoals wij er in onze tijd ook vele kennen, maar dit was wel erg radicaal. Toch werden juist deze boegbeelden van de joodse traditie, hoewel niet volmaakt, door God uitverkoren om Zijn meest wezenlijke  boodschap door te geven. Mozes  -  al eerder besteeg hij een berg, om van God de tien geboden te ontvangen en zo de grondslag te leggen voor hier en nu universeel geldende normen en waarden.

 

Maar de betekenis van Mozes omvat veel meer dan dat.  Mozes wees, gestuurd door God,  het aan hem toevertrouwde volk de Weg, de Weg uit de slavernij naar de vrijheid.  Eigenlijk hetzelfde wat Jezus later, als Hij weer van die berg afdaalt, zal doen voor de gehele mensheid. Mozes is nog de man van het oude verbond; Jezus breidt het uit tot het nieuwe verbond.  Net als Jezus en Mozes beklimt ook Elia een berg om nader tot God te komen, de Carmel. Zijn opdracht is om de mensen te overtuigen dat zij niet Baal en Asjera (1Kon.1819) moeten volgen maar de Enige, de God van Israël.

 

Geen wonder dus, dat Jezus, de volmaakte,  juist met Mozes en Elia in gesprek gaat. Daar op de berg Tabor ontmoeten onder Gods alziend oog de Thora, de Profeten en het Evangelie elkaar.  Jezus beleeft er waarschijnlijk het gelukkigste moment van Zijn leven op aarde, zo gelukkig dat voor de ogen van de drie verbaasde discipelen zelfs zijn kleren er blijk van geven door schitterend wit te worden. Deze ontmoeting moet intussen heel intiem blijven. De drie leerlingen mogen er niet over praten tot hun Heer is opgestaan. Zij begrijpen er helemaal niets van.

 

God zegt toch zo duidelijk: ‘’dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem’’. Maar luisteren is moeilijk. Zij begrijpen ook nog niet dat, om iets te bereiken, er soms levensgrote offers gebracht zullen moeten worden.  Omdat er lang niet altijd een engel langs komt met een prettige oplossing.  Dat ontdekken Petrus en Jacobus pas veel later.  Nu is het  leven hier, heden ten dage in Amsterdam, niet te vergelijken met dat in het door de Romeinen geterroriseerde gebied waar Jezus verkondigde, maar dat betekent niet dat er voor ons christenen niets meer is om eens bij stil te staan.

 

De ontmoeting van de grote drie op de Tabor heeft nog een betekenis: ondanks de fundamentele verschillen tussen de joodse traditie en de essentie van het christelijk geloof zoals Jezus Christus ons leert  -  desondanks zijn wij christenen schatplichtig aan de joden.  Een visie, die de heilige apostel Paulus blijkens zijn brief aan de parochie in Rome zijns ondanks onderschrijft. Twintig eeuwen geleden vormden de joden de kweekvijver waaruit ons christelijk geloof kon opbloeien.   Ook daarom kwamen Amsterdammers terecht op voor de joodse medeburgers.  En zouden dat nog steeds moeten doen.

 

Over het wonder op de Tabor zijn veel geleerde dingen geschreven en gezegd. Soms ook heel mooie, zoals door de pas overleden Amsterdamse predikant Nico ter Linden, de Duitse theoloog/ psychiater Eugen Drewermann en wijlen de priester Henri Nouwen.  Maar ik wil vanochtend vanuit mijn eigen christelijke beleving ook aansluiten bij de actualiteit.  Al heel lang worden nu, in onze tijd in Amsterdam vrijwel alle joodse instellingen beveiligd en dat blijkt keer op keer keiharde noodzaak.  Uitingen van antisemitisme nemen toe en worden gebagatelliseerd.

 

De herdenking vanmiddag op het plein tussen het Aschkenazische synagogencomplex, nu museum, en de Portegiese Schnoche, nog steeds in gebruik als godshuis en trouwens ook te bezichtigen, herinnert ons aan een moment dat het Amsterdamse hart op de goede plaats zat. Daar staand word ik toch hardnekkig gekweld door een vraag, waarop ik geen antwoord weet. Juist op de 25e februari kan je er niet omheen: waar was Christus in Auschwitz ?   Waarom kwam er geen engel langs ? En ook: waar is Christus na Auschwitz ? 

 

Je kunt ‘’Je laten vallen in Gods onbegrijpelijkheid’’, zoals de Duitse theoloog Karl Rahner  het verwoordt. De joodse traditie leert dat het wezen van God onbegrijpelijk, onuitsprekelijk, onkenbaar en onbevattelijk is en dat Hij zich alleen openbaart in de schepping van het universum. Wij christenen weten dat God zich ook geopenbaard heeft in zijn Zoon Jezus Christus. Laten wij dus doen wat God tijdens Jezus’ gelukkigste moment in Zijn korte aardse leven aan de drie discipelen voorhield: laten wij luisteren naar Jezus Christus.     Amen.

 

Leonardo Jacobs ofs

 

 

Verkondiging

 

op 18 februari 2018, de eerste zondag van de Veertigdagen- of Vastentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te    Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek Genesis (9, 8-15), de brief van de heilige apostel Petrus (3, 18-22) en het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (1, 12-15).

Wanneer, dierbare gasten en parochianen, hebt ú voor het laatst een volle regenboog gezien?

Of: Hebt u een bijzondere herínnering aan het zien van een volle regenboog ooit in uw leven?

Ik wel!

De laatste keer was twee zomers geleden. Met mijn vakantiegenoot was ik, op de vouwfiets, de Brompton, vanuit het stille plaatsje Drosendorf an der Thaya, aan de Tsjechische grens, geheel ommuurd, liggend op een heuveltop, op de terugweg naar Wenen, de hoofdstad van Oostenrijk, waar wij bivakkeerden. Onder een stralend zonnige hemel was dat een prachtige tocht! Máár… het landschap was bepaald, zoals men zegt, ‘geaccidenteerd’: nogal heuvelachtig, om niet te zeggen: bepaald steil. U weet: bergáf is dat heerlijk. Maar bergóp… Mijn vakantiegenoot, ouder dan ik en vrouw, had er meer moeite mee dan ik. Zuchtend en steunend werkte zij zich de heuvel, of zeg maar gerust: de berg op. De ene na de andere wel te verstaan. Op een gegeven moment, na úren, werd het vlakker. En toen… verscheen aan de donkerder geworden hemel een volle, dubbele regenboog. En vele kilometers suisden wij naar beneden, geflankeerd door die regenboog totdat wij uitkwamen bij het stadje en treinstation waar wij op af waren gekoerst. Dat laatste stuk van ons traject kwam als een grote verrassing en als een mooie beloning voor onze inspanningen. 

“Ik zet mijn boog in de wolken”, zo klonk het in onze eerste lezing, vandaag uit het boek Genesis, uit de mond van God zelf: “Ik zet mijn boog in de hemel; die zal het teken zijn tussen Mij en de aarde. Wanneer ik op de aarde de wolken samenpak, en de boog in de wolken zichtbaar wordt, dan zal ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, aan alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer aanzwellen tot een vloed, om alles wat leeft te verdelgen.” Voor de bijbels geïnformeerde, voor de door de bijbel van binnen gevormde mens betekent derhalve de regenboog: God denkt aan ons. Híj denkt aan ons. In de hoop natuurlijk dat wij ook aan Hem denken, aan Hem en aan dat verbond dat Hij met ons sloot, unilateraal eigenlijk: een verbond met ons en “met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn (…) Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.” Het is opvallend hoe uitvoerig in de Genesistekst ook de dieren, ja alles wat leeft, wordt inbegrepen in dat verbond. Het gáát niet alleen om ons. Oók om de dieren. Ook voor hen is er ruimte, móet er ruimte zijn. Ook zij hebben hun recht, bestaansrecht. Marianne Thieme heeft goede, ja zij heeft goddelijke papieren.

Nooit dus meer die vloed. En nooit meer Auschwitz. Maar intussen vrezen wij soms met groten vreze. En zopas hebben wij vijfenzestig jaar watersnoodramp in Zeeland herdacht. Die kostte, in 1953, aan 1836 mensen het leven. En wij herinneren ons nog levendig de tsunami in de Stille Oceaan op de Tweede Kerstdag van 2004 die 290.000 slachtoffers maakte. Dus… wát nou: “nooit meer een vloed”? Op de school waar hij zelf van af was getrapt schoot de negentienjarige Nikolas Cruz afgelopen Aswoensdag zeventien van zijn oud-medeleerlingen dood. Dertien raakten er gewond. In de krant[5] stond een foto van een struise, een weelderige blonde vrouw, maar: echt een mater dolorosa, in diepe smart en rouw, wenend om de dood van haar kind. Op haar voorhoofd was duidelijk zichtbaar, maar de krant signaleerde het in het commentaar onder de foto niet: dat op het voorhoofd van die vrouw een groot askruis getekend stond. Kort voordat haar kind werd vermoord moet zij dus, met of zonder dat kind, in de kerk zijn geweest om dat askruisje te halen, precies zoals dat hier bij ons gebeurt. “Bedenk wel: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.” Ja, zeg dat wel. “Bekeer u! Heb geloof in de Goede Boodschap.” Had Nikolas Cruz het maar gedaan: zich bekeren. Of moge hij het nu alsnog doen. “Hij is een gebroken mens” zei de hem toegewezen advocaat Melisa McNeill bij zijn voorleiding in de rechtbank. Ja, maar: zolang er leven is, is er hoop, zelfs voor hem.

Ach lieve mensen, wat heeft het toch allemaal voor zin, dat geloof van ons?

Is het geen water naar de zee dragen?

Verandert het ook maar iets aan de gang der dingen?

Het is toch aantoonbaar onjuist?

Sinds de onttovering van de wereld door de wetenschap weten wij toch precies onder welke voorwaarden, in welke fysieke omstandigheden bijvoorbeeld zo’n regenboog ontstaat? Daar hebben we God toch helemaal niet voor nodig?

Tja… wát moet je daarop zeggen?

Denk ik terug aan ons indrukwekkende openingslied:

Standvastig houden wij wacht, standvastig mensen van God. In twijfel gevangen, in donker verlangen, in duistere nacht: Standvastig houden wij wacht, standvastig mensen van God: de eerste strofe.

En de vierde strofe: In alles dragen de pijn, in alles mensen van God. Bij sterven en leven wij worden verheven de dood zal niet zijn:In alles dragen de pijn, in alles mensen van God.

Tja…

Het is goed gekozen dat openingslied[6] in verband met onze evangelietekst: “De Geest dreef Hem recht de woestijn in.” Het was nota bene de Geest die dat deed! “Hij bleef in de woestijn, veertig dagen.” Wij proberen dat ook te doen, in deze tijd van het jaar. Door niet of minder te eten en te drinken op de doordeweekse vastendagen, stellen wij onszelf op de proef. En, zeker weten, dan kom je in allerlei verleidingen de satan tegen die je op de proef stelt, net als Jezus. Want zeg maar eens nee als iedereen gewoon dooreet en –drinkt. “Hij was”, Jezus, “Hij was in gezelschap van de wilde dieren.” Het zit in jezelf. Het zit óók in jezelf dat wilde dier dat wil vreten en vechten, neuken en vluchten. Hoe bedwing je het? Hoe hou je het in toom? “De engelen stonden Hem ten dienste” staat er. Er is, er kómt hulp. De engelen, de boodschappers van God. Wie zijn zij? Wát zijn zij? Wat betekenen zij? Gaan ze verschijnen op de spits van onze kerktoren? Of kunnen wij dat wel op onze buik schrijven? Ach, die wezens met die vleugels: dat is maar een beeld… Ja, zeker, maar daar kan een mens soms toch steun in en door vinden, door en in die beelden. 

In wijsheid bouwen wij voort, aan onze kerk en aan onszelf. In wijsheid mensen van God. Met vriendschap die hecht is, met liefde die echt is, de daad bij het woord.

De tweede strofe van ons openingslied zingt het, veelgeliefden, helemaal goed denk ik. Vriendschap die hecht is, liefde die echt is, die hebben wij nodig. En kríjgen wij die? En géven wij die? Mensen kunnen dieren, ja beesten zijn. Mensen kunnen ook engelen zijn. En wat ben jij?

Mooi is dat het om en in Jezus in die woestijn blijkbaar helemaal in evenwicht is: enerzijds zijn daar de wilde dieren en anderzijds de engelen. Ze houden elkaar in balans. Het is een wip die noch doorslaat naar de ene, noch naar de andere zijde. De engelen tillen de wilde dieren óm en ín Jezus óp. En de wilde dieren halen de engelen naar beneden. En zo worden ze aards en echt iets van onze wereld. En zo is dat: als die engelen daar bovenop die torenspits niet in óns zitten, in jou en in mij, dan koop je er niets voor mensen en dan kunnen we er ook maar beter niet aan beginnen. 

Vriendschap die hecht is, liefde die echt is, de daad bij het woord. Krijg je die? Geef je die? “Christus (…) heeft geleden (…) om u tot God te brengen.” Zo schrijft de apostel Petrus in zijn eerste brief, vandaag onze tweede lezing. “Hij (…) predikte voor de geesten in de kerker, die destijds weigerden te gehoorzamen, terwijl God geduldig wachtte.” Aldus vervolgt Petrus. Het zijn wat raadselachtige woorden. Want… wie zíjn die “geesten in de kerker, die (…) weigerden te gehoorzamen, terwijl God geduldig wachtte”? Gehoorzaam jíj God? Of gehoorzaam jij hem niet? Zit je hier in de kerk? Of zit je hier in een kerkér? Ben je vrij? Of zit je vast, zit je gevangen?

God heeft geduld, zo mochten wij begrijpen. Wij worden gered door het doopwater schrijft Petrus. En hij vervolgt: “De doop beoogt niet verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar is een verzoek aan God om een zuiver geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus.” De Bijbel in Gewone Taal vertaalt: “Het water van de doop wast niet het vuil van je lichaam, maar laat zien dat je bij Christus hoort.” – onvervreemdbaar, zou ik zeggen. Ben je eenmaal “in Christus gedoopt” en ten goede door en met Hem ‘besmet’, dan is dat nooit meer ongedaan te maken. Je krijgt Hem niet en nooit meer van en uit je weg, hoezeer je daarvoor eventueel ook je best doet, hoe een schurk, onverlaat of loeder je eventueel ook bent. Zijn vriendschap is hecht, Zijn liefde is echt, de daad bij het woord. Hij blijft het jou aanbieden – zoals de regenboog steeds aan de hemel zal blijven verschijnen. Het verbond is unilateraal, eenzijdig, het gaat van God uit. Zijn Geest, die van Jezus zelf, gaat bergop met je en bergaf, Hij drijft je de woestijn in, of een highschool-shooting of een tsunami in. De satan stelt je daardoor op de proef. En je overleeft dat of je overleeft dat niet. Juist “nadat Johannes overgeleverd was”, juíst nadat Johánnes overgeleverd was, voorbode van Jezus’ eigen ondergang, juíst tóen, “kwam Jezus in Galilea de goede boodschap van God verkondigen en zei: ‘De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.”

- De woorden van Aswoensdag, van het askruisje. De laatste aan wie ik het afgelopen woensdag gaf, ’s avonds bij haar thuis, was Lenie Kooijman die al twintig jaar onze familiemissen op de piano begeleidt, maar al nu al geruime tijd ziek is. “Geloof in de blijde boodschap” zei ik tegen Lenie. “Zeker weten!” zei ze. Moge haar vertrouwen dat van ons allen zijn. Amen.

Verkondiging

 

op 4 februari 2017, de vijfde zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering     

Gelezen: uit het boek Job (7, 1-7), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (9, 10-23) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (1, 29-39).

Het toilet is vrij. De sluiting staat op wit. Dán kun je er in. Óf het toilet is bezet. De sluiting staat op rood. Dan kun je er niet in. Zo eenvoudig is dat dierbare gasten en parochianen. En zoals dat is met het toilet, bezet of vrij, zo is het ook met ons, met mensen.

Ofwel: Je kunt er in bij mensen. Ze zijn, wíj zijn, jé bent vrij en toegankelijk. Iemand is een open boek. Iemand is vrij en blij, iemand is ontspannen en voelt zich gelukkig, iemand kan alles laten zien wat in haar of zijn leven speelt, iemand kan over alles spreken.

Ofwel: Mensen, wij, jij, ik, zijn bezet. De luikjes zijn dicht. De deur zit op slot. En die luikjes en die deur gaan niet of slechts met grote moeite open. En jij maar wachten. Wat er speelt, je krijgt het níet te zien, je krijgt het níet te horen. Hoogstens hoor je wat gekreun en gesteun van achter de deur. Iemand is bezet, zoals het toilet. Mensen zijn “bezeten” noemt de bijbel dat. Ze hebben ergens last van. Ze worstelen ergens mee, met ‘dingen’.

En waarom gáát het dan? Waarván hebben mensen last? Van “demonen” noemt het evangelie dat. “ ’s Avonds, toen de zon was ondergegaan, brachten ze allen bij Hem die ziek waren en die van demonen te lijden hadden” zo hoorden wij. In één adem worden ze genoemd: “die ziek waren” én “die van demonen te lijden hadden”. En ja, dierbare gasten en parochianen, zo is dat: ziekte, dat kan iets zijn van het lichaam. Maar ziekte, dat kan ook iets geheimzinnigs van binnen zijn, in de geest van mensen. En vaak gaat dat samen, vaak heeft dat met elkaar te maken en versterkt het elkaar, ziekte van het lichaam en ziekte van de geest.

In het evangelie komen we allerlei, véle mensen tegen die last hebben van demonen. Wij zeggen: van getob, van muizenissen. Mensen zijn in de greep van gedachten en gevoelens waar ze het moeilijk mee hebben en waar ze maar moeilijk of helemaal níet vanaf komen. Iemand ziet spoken zeggen we. En dat zíe je ook aan iemand die spoken ziet. Want, veelgeliefden, in wezen kúnnen we ons voor elkaar niet verbergen. Je zíet die spoken in het gezicht van iemand. Je zíet ze in zijn of haar hele gestalte. Iemand zit niet lekker in z’n vel zeggen we. En wát moet zo iemand beginnen? Er is iets. En dat moet er uit. En kan het er uit komen? En gaat het er uit komen? Mensen kunnen last hebben van constipatie. En dan moeten ze in de w.c. zijn. Die is er voor de ontlasting. Maar hoe zit het met de ontlasting van de geest? Hoe zit het met de mensen en met de gebeurtenissen in de levens van mensen die hun sporen hebben nagelaten en die tot demonen zijn geworden waardoor zij worden gekweld? Ja, dierbare gasten en parochianen, dan kun je natuurlijk naar de huisarts gaan en die geeft je misschien een doorverwijzing naar een psychiater of psychotherapeut. Maar als ik het evangelie van deze zondag goed begrijp, dan kun je ook, net zo goed, of wellicht beter zelfs nog, naar Jezus gaan. Híj drijft demonen uit! Bij herhaling wordt het ons vandaag gezegd en op het hart gedrukt. Hij, Jezus, weet raad met die demonen. Hij kan ze aan. Hij kan er mee omgaan. Hij verlost mensen er van.

Ik denk, veelgeliefden, waar het om gaat werd prachtig geïllustreerd in onze eerste lezing, uit het boek Job vandaag. Job heeft het over het “zwoegen” van de mens op aarde. En waaruit bestáát, veelgeliefden, eventueel ons zwoegen? Ik denk: zware lichamelijke of geestelijke arbeid, als je het goed doet, dan doe je het fluitend. En dan dóet het je goed, dan bouwt dat werk jóu op, dan word je er sterker van. Als je het goed aanpakt, dan is werken, dan is ‘dingen doen’, fijn. Wérkelijk zwaar wordt werk pas als het met tegenzin gepaard gaat, bijvoorbeeld omdat er iemand is met wie je het moeilijk hebt, iemand met wie je niet goed kunt omgaan, iemand die jou het leven zuur maakt, iemand die voor jou een kwelgeest is geworden, een demon. Ja, veelgeliefden, dán wordt werken zwoegen. Job heeft het over “vruchteloze maanden” en “nachten vol getob”. “Wanneer ik lig zeg ik: Zal ik opstaan? Maar de avond duurt lang. En tot de ochtend ben ik vol onrust. (…) Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel, ze lopen af, zonder hoop.” Aldus Job. Hij heeft werkelijk last van mal de vivre. Leven als zodánig is moeilijk voor hem geworden. Het is uitzichtloos voor hem geworden. En wat hij zegt, veelgeliefden, dat is heel paradoxaal. Van de ene kant krúipt de tijd voorbij: “de avond duurt lang”. Van de andere kant ráást de tijd voorbij en Job heeft er geen greep op, het leven ontglipt hem, het schiet door z’n handen. Ja, veelgeliefden, dít zijn demonen waar Job last van heeft. En ik denk dat die héél herkenbaar zijn voor veel mensen, bijvoorbeeld ook voor mij persoonlijk.

Ik schroom, dierbare gasten en parochianen, ik schroom om het u te melden, maar ik doe het toch maar, want: “één vonk eerlijkheid is beter dan allerlei gepraat” las ik gisteren en zo is het natuurlijk ook.[7] Dus, ja… eigenlijk al vanaf vóór Kerstmis ben ik uit m’n doen en heb ik veel last van weerzin, stroperigheid, stroefheid, kom ik soms maar moeilijk m’n bed uit en strijd ik ’s nachts en overdag overduidelijk met mijn demonen. Gelukkig is het voor mij zonneklaar waar het allemaal vandaan komt, dus wat de oorzaak is. Maar daarmee goed omgaan, dat is nog weer een ander verhaal.

Ga ik gistermiddag met een bosje kleurige ranonkels naar Amsterdam-Noord om een zeer lieve en heel dierbare vriendin met haar verjaardag te feliciteren, kom ik op de pont een van onze parochianen tegen. Voor Kerstmis had ze in de abdij van Egmond een stilte-retraite gedaan van vier dagen vertelde ze. De begeleider had haar aandacht gevestigd op ‘het goddelijke’ dat altijd in haarzelf aanwezig is. En dat had haar geweldig goed gedaan. Ze had zich herboren gevoeld en sindsdien had ze alles en iedereen veel beter aangekund. “Maar ja”, zei ze, “dat hoef ik jou natuurlijk niet te vertellen. Want jij weet daar natuurlijk alles van.”

Ja... Dat zal wel. Maar wéten enerzijds en anderzijds wérkelijk kennen en weten te léven vanuit die grote bron die God is, in elk van ons, dat zijn, veelgeliefden, natuurlijk twee dingen. En ik denk: we hebben het nodig, ook ik als pastor en priester; we hebben het nodig om door elkaar voortdurend herinnerd te worden aan die bron en om die in onszelf en in elkaar te helpen vrijleggen. Want gemakkelijk raakt die bron verstopt, komt er prut in. Dat zijn dan weer die demonen, die prut. Niemand kan God in zijn of haar zak steken, ook de grote apostel Paulus niet. “Ik doe alles voor het evangelie” schrijft hij in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe, onze tweede lezing vandaag, “ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen.” Paulus en ook ik, wij spreken over dingen die groter zijn dan wijzelf en waarvoor wij moeten werken en strijden, voor anderen, maar ook voor onszelf.    

Het moet, veelgeliefden, ons telkens opnieuw worden aangezegd. We moeten er aan herinnerd worden. We moeten het steeds opnieuw te horen krijgen. Daarom is het ook zo belangrijk om op zondag de heilige eucharistie mee te vieren. Want hier is Jezus veelgeliefden, zeker weten. He healeth those that are broken in heart and giveth medicine to heal their sickness. Zo zong ons Canticum Anglicum in onze tussenzang, psalm 147: Hij, de Heer, geneest de gebrokenen van hart en geeft medicijnen om hun ziekte te genezen. Hij drijft de demonen uit! En, zo staat er, “Hij stond de demonen niet toe te spreken.” En zo is het. Niet de demónen moeten spreken, maar jíj mág spreken. Jij mag jouw verhaal vertellen. Het verhaal dat jou wellicht al veel te lang bezet houdt en dat je belast, dat mag er uit. Je mag je er van ontlasten, zoals op het toilet. Dat maakt je vrij. En daar, veelgeliefden, is het ook voor, met en in Jezus, allemaal om begonnen: dat wij vrij en blij zijn. Dus móge dat zo zijn. Mogen wij daarin groeien. Amen.

 

Verkondiging

 

 

maandag 1 januari 2018 Feest van Moeder Gods

Num. 6, 22-27; Psalm 67, 2-3.5.6.8; Gal. 4,4-7; Luc. 2, 16-21

 

“Moge de Heer u zegenen en behoeden

Moge de Heer het licht van zijn aanschijn over u doen schijnen en u genadig zijn,

Moge de Heer u zijn gelaat toewenden en u vrede geven”

 

Het gelaat, het gezicht van een vriend, de ogen van een geliefde, de blik van een dierbaar familielid dat ons aankijkt en ons misschien toelacht. Die blik kan lang in ons blijven nagloeien, dierbare mede-parochanen, gasten, vrienden en familie. Ook als diegene al lang is verdwenen. Soms kan de herinnering eraan ons op moeilijke momenten moed geven en helpen verder te gaan.

 

Hoe vaak heeft Maria, de moeder van God, zo het lachende gezicht van haar Zoon gezien? Toen Hij nog peuter was, tiener, adolescent..  Ook in haar hart zal die blik zijn blijven nagloeien.

 

In het evangelie hoorden we vandaag: “Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na’. Andere vertalingen schrijven: “Maria bewaarde deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf.. ” of ook  “..en bleef erover nadenken”. Wat was het dat ze bewaarde? Het waren de woorden van de herders die vertelde wat ze van de engel hadden gehoord: dat dit kind de wonderlijke leider is waarop het volk Israël al eeuwen wachtte. En de engel gaf zelfs aan waarop ze moeten letten: “en dit zal u tot teken zijn: u zult een kind vinden dat in doeken is gewikkeld en in een voederbak ligt..”

Je ziet ze komen: de herders, een stelletje ongeregeld, een soort zwervers maar dan met een baantje – zo werden ze in die tijd gezien. Ze vallen met de deur in huis en kijken, ja hoor, daar ligt ie: in een paar lappen en in een trog, een voederbak. Hij ligt daar en lijkt precies op hen: ‘the lowest of the lowest’. Eerst zeker weten dat het er zo uit ziet. Pas dan komt het verhaal dat de engel het hen zo al had beschreven. Dat teken dus, in die doeken en in die voederbak... en dat Hij de Messias is, de Redder.

Evangelieteksten zijn altijd heel bondig in het beschrijven van handelingen en je leest er weleens overheen maar precies zo staat het er beschreven. Eerst zien, dan vertellen.

Iedereen staat paf. De omstanders denken: ja, dat zal wel en gaan huns weegs. Maar Maria onthoudt het goed... en blijft erover nadenken.

 

Maria wordt niet vaak sprekend opgevoerd in de evangeliën. Ook hier niet. Maar ze is er steeds op sleutelmomenten. Het is niet voor niets dat zij al vanaf de vroegste Christenen gezien wordt als beeld en voorbeeld van de geloofsgemeenschap: Zij is de eerste mens die worstelt met wat er allemaal met haar Zoon gebeurt en gadeslaat hoe Hij zich ontwikkelt. Ze is de eerste die gelooft (denk maar aan de bruiloft in Kana) en de eerste die getuigt. En.. ze is het biddend hart van de kerk.

 

In feite beschrijft Lucas, de evangelist, hier met deze woorden niet alleen wat er met Maria gebeurt. Hij maakt duidelijk dat zij de ooggetuige is uit wier mond hij deze informatie heeft verkregen. Geleerden uit de vorige eeuw trokken dit vaak in twijfel. Maar als ik heel eerlijk mag zijn – zijn die wat mij betreft gezakt voor het examen ‘begrijpend lezen’. Geleerden uit de 21ste eeuw geven echter steeds meer credit aan de evangelieteksten. Dateren ze steeds vroeger en zien ze vaker als getuigenverslagen.

 

 

“Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken”.

Het Griekse woord voor “blijven nadenken’ dat gebruikt wordt is ‘sumballein’. Dat betekent ‘samenbrengen’, ‘bij elkaar gooien’, maar ook ‘opeen laten botsen’. Het werkwoord kan bijv. zowel het mengen van vloeistoffen beschrijven maar ook het slaags raken van legers.  Het kan ook slaan op het opeen botsen van gedachten, het blijven overwegen, een dynamisch proces.

 

Wat er met haar Zoon gebeurt is niet niks. Haar baby in een trog, bijna als voer voor de beesten.. Haar Zoon als zonderling. En later voor gek versleten door zijn naaste familie. Een man die wonderen doet, de meest bijzondere dingen zegt en door sommige mensen – vaak de verstotenen - op handen wordt gedragen. Maar ook een man die woede opwekt, fel betreden wordt. Een man die uiteindelijk dood moet. En dat soms nog steeds.

 

Ook ik heb deze man ooit, dan misschien niet als dood, maar toch zeker als irrelevant bestempelt.

 

Dat ik hier vandaag het woord mag voeren heeft er alles mee te maken dat het precies 10 jaar geleden is dat ik deze kerk binnen wandelde om mijn enkele uren daarvoor hervonden geloof met een Heilige Mis te vieren.

 

Als jongvolwassene had ik na lange onzekerheid het geloof van mijn jeugd vaarwelgezegd. Vervolgens werd ik agnost en later zelfs ‘anti’, zoals je dat dan noemt. Het was een gesloten boek geworden. Vreemd genoeg was er in mij altijd wel een soort van ontroering of troost bij de gedachte aan Maria. Maar daar schonk ik toen niet te veel aandacht aan.

Jaren later, langs een achterdeur, kwam de geloofstraditie weer aankloppen. Motetten en de passies van Bach, muziek van Josquin, Brahms, Britten. Uiteindelijk was het via de muziek, mijn passie en intussen ook mijn beroep, dat ik weer in contact kwam met wat ik had verworpen.

 

Een honger naar kennis en achtergrondinformatie maakte zich geleidelijk van me meester. Ondanks mijn katholieke opvoeding was me maar weinig inhoudelijks geleerd, bleek nu. De gedachten en nieuwe inzichten botsten opeen in mijn hoofd, en ik bleef er maar over nadenken. Ik ontdekte de schoonheid en de kracht van de Christelijke traditie, de waarde van het geloof voor gemeenschap en samenleving, de ontwikkeling van kunst en wetenschap, groot geworden in de bedding van het Christelijke denken. Het vanuit het evangelie ontstaan van een mensbeeld waarin iedereen telt. Uiteindelijk wilde ik zelfs graag geloven maar kon het niet over mijn hart verkrijgen. Een enorme ijzige muur van scepsis en wantrouwen hield me tegen.

Ik werd een ‘cultuur-Christen’, zoals je dat tegenwoordig noemt. Het leek me toen het hoogst haalbare.

 

In de nacht van 31 december 2007 was ik ziek thuis en voor het eerst in mijn leven alleen met oudennieuw. Om in m’n eentje het einde van het jaar toch te kunnen markeren, besloot ik een klein ritueel uit mijn vroege jeugd te herhalen.

 

Tot ongeveer mijn 6de jaar gingen we biddend het jaar uit. Samen met mijn broer, mijn zus, ouders, grootouders op de knieën, een paar Weesgegroeten biddend en wat verbindende teksten die ik niet begreep. (Met wat ik nu weet moet het wel het ‘Engel des Heren’ zijn geweest.) Daar zat ik, eind dertig, op de knieën, met een paar Weesgegroeten terwijl 2007 ten einde liep.

 

Maar met een andere wending dan ik had vermoed. Niet eerder was ik ook maar op het idee gekomen om in gebed te gaan. Maar het gebed bleek iets onverwachts met me te doen. Het werd een venster, een poort. In de eerste minuten van 2008 was ik niet geïnteresseerd in het vuurwerk buiten. Op het internet was ik intussen wel op zoek naar een kerk waar ik naar de mis kon gaan. Dat bleek de Vredeskerk te zijn. De mis van 1 januari 2008, om 12.00.

 

“Moge de Heer het licht van zijn aanschijn over u doen schijnen, Moge de Heer u zijn gelaat toewenden”.

 

Heel af en toe is het gebed zo intens en persoonlijk dat je je gezien voelt. Dat je weet dat er een vriendelijk gezicht is dat er misschien gewoon altijd is en altijd al was, en zal zijn ... dat naar je kijkt en lacht... en dat terwijl jij het nu pas ziet en ervaart. Het is een wonderlijk moment als het je overkomt te ervaren hoe persoonlijk het geloof kan zijn. Het zijn momenten die je, merk ik nu, alleen met enige schroom en terughoudendheid kan beschrijven.

 

De afgelopen 10 jaar zijn voor mij ontzettend belangrijk en vruchtbaar geweest. Ik heb veel om dankbaar voor te zijn en ben blij hier vandaag voor u te mogen getuigen.

 

Ik heb veel meer geleerd dan ik voor mogelijk kon houden. En ook dingen die in zekere zin voor de hand liggen. Dat ratio en geloof geen tegenpolen zijn maar juist elkaar aanvullen en verrijken. Ook dat het leven gewoon weer verder gaat. Dat we lang bezig blijven om het vele tegenstrijdige in ons met elkaar te verzoenen. Dat je daar zelfs een leven lang mee bezig kan zijn. En dat dat niet erg is. En dat Maria ons daarin is voorgegaan. En dat we met haar verblijven in het licht van Zijn gelaat, in het licht van haar Zoon. Amen

 

 

Jeroen Spitteler

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                            

op Oudjaarsdag 2017, feest van de Heilige Familie, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Jezua Sirach (3, 2-6+12=14), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3, 12-21) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 22-40).

 

"Luister goed naar wat ik zeg."

 

"Netjes met twee woorden spreken."

 

"Eerst je bordje leeg eten."

 

"Zit stil."

 

"Eet netjes."

 

"Doe je mondje maar op slot."

 

"Schrok niet zo."

 

"Die 4 voor rekenen is helemaal niet nodig."

 

Afgelopen donderdag, dierbare gasten en parochianen, maakte ik in Studio K aan het Timorplein in Amsterdam-Oost een theatervoorstelling mee, Testament ongekend, waarin zeven amateurspelers, zes vrouwen en één man, allemaal tégen of voorbij de zestig, belangrijke scenes uit hun leven verhaalden en verbeeldden. Duidelijk werd dat verschillenden van hen uit een groter of kleiner katholiek nest kwamen en dat ze allemaal met gemengde gevoelens terugdenken aan hun ouders en aan hun jeugd in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, dat is: de generatie die massaal met God, geloof en kerk gebroken heeft. Veel emotionele eenzaamheid, een groot gebrek aan persoonlijke aandacht, aan een werkelijk wáárnemen door ouders van de noden en behoeftes van lichaam, hart en geest van hun kinderen, veel leed dat lang verborgen bleef, veel schrijnend verdriet, veel zielepijn, véél onbegrip, strijd en verwijdering tussen ouders en kinderen bleek er te hebben gespeeld in de levens van de mensen op het toneel.

 

Het bleek die levens te hebben getekend, eigenlijk tot op de dag van vandaag - ook al had iedereen op eigen wijze ook gepoogd zich te ontworstelen aan de beknellingen van de jeugdjaren en om in vrijheid en liefde, met vallen en opstaan, een eigen bestaan op te bouwen en vorm te geven - wat dan goed of minder goed gelukt is. De eigen diepste kern zien en durven láten zien, van jezelf houden zoals je bent en van dáár uit leven en werken en zich met anderen verbinden, daar ging het eigenlijk bij iedereen om, bij al die zeven acteurs op het podium. 

 

Maar misschien ook wel bij de mensen in de zaal? Als publiek hadden wij bij de ingang van de zaal allemaal een bordje gekregen met daarop de tekst ‘Ik ook’. En regelmatig werden ons tijdens de voorstelling naar aanleiding van wat op het toneel naar voren was gebracht vragen gesteld over ons eigen leven: Herken je dit of dat? Heeft dit of dat ook in jouw leven gespeeld? Nou ja... Soms niet dus. Maar soms óók wél. Soms twijfelde ik dierbare gasten en parochianen, maar af en toe heb ook ík mijn bordje omhoog gestoken: Ja, ik ook!

 

Vandaag, op deze zondag onder het octaaf van Kerstmis, vieren wij als kerk het feest van de Heilige Familie: van Jezus, Maria en Jozef, het heilig huisgezin van Nazareth dat daarmee ten voorbeeld wordt gesteld aan alle christelijke, katholieke gezinnen om zich aan te spiegelen. Bestaan die nog: christelijke, katholieke gezinnen? Nou ja, wat zal ik zeggen? Sinds jaar en dag vieren wij elke zondag in onze Vredeskerk 'de familiemis'. Allerlei ouders en kinderen komen daar inderdaad op af. Vanaf de komende 6e januari, hoogfeest van de Openbaring des Heren, Epifanie oftewel Driekoningen, gaan we diezelfde familiemis ook nog eens op zaterdagavond vieren, dus: Ja. In die zin bestaan christelijke, katholieke gezinnen in Nederland, in Amsterdam tot op de dag van vandaag. Maar we moeten er natuurlijk meteen bij zeggen: Alles wat op gezinsgebied in deze tijd speelt in dit land, dat kan ook in christelijke, katholieke gezinnen een rol spelen, bijvoorbeeld: dat niet allebei de ouders het zijn, christelijk, of katholiek. Soms zijn de ouders van kinderen die deelnemen aan onze familiemis kerkelijk getrouwd, maar vaker niet denk ik. Sowieso is het kerkelijk huwelijk in Nederland een grote zeldzaamheid aan het worden, helaas moet ik zeggen. Want ik zeg altijd: als je een kerkelijk huwelijk goed voorbereidt en goed viert, dan kun je daar je hele leven plezier en profijt van hebben. Dan kán dat stevigheid en diepte geven aan je leven en aan je samenleven.

 

Met veel vreugde en dankbaarheid denk ik terug aan de ruim honderd huwelijksinzegeningen die ik in mijn nu bijna vijfentwintig jaren als priester van de Roomse kerk en daarvoor al als pastoraal werker heb mogen begeleiden, voorbereiden en vieren. Daar zijn soms echt geweldige, prachtige gezinnen uit gegroeid waarmee ik soms nog altijd contact heb en waar ik echt van geniet. Maar ja... huwelijken die toch gestrand zijn waren er ook. Soms ontmoeten gescheiden mensen een nieuw iemand om zich mee te verbinden, soms blijven ze korter of langer of verder alleen. Eenoudergezinnen, samengestelde gezinnen, gezinnen met twee ouders van hetzelfde geslacht: het komt allemaal voor, óók bij mensen, gezinnen die deelnemen aan onze famieliemis. Gelukkig maar! Want iedereen is hoe dan ook welkom. In de kerk zou dát altijd en overal voorop moeten staan - wat helaas niet altijd het geval is geweest en is...

 

Nee, juist op relationeel gebied heeft onze kerk zich vaak geweldig dwingend gemanifesteerd - en daarmee vooral in de loop van de afgelopen decennia velen van zich vervreemd en de kerk uitgejaagd, althans: zo heeft het voor de mensen in kwestie, heel begrijpelijk, vaak gevoeld. Eén van onze oudste parochianen heeft het, sprekend over de kerk van zijn jeugd tegenover mij een keer zó verwoord: "Niks mocht en alles wat wel mocht móest." Het leven moest geleid worden conform in gietijzer gegoten wetten en regels waaraan niet getornd mocht worden. Mensen, man en vrouw, ouders en kinderen, zaten ten opzichte van elkaar in een keurslijf. En soms, váák wellicht, heeft dat geweldig uitgepakt en heeft dat geresulteerd in prachtige, gelukkige, stabiele huwelijken en gezinnen. Maar al te vaak was het resultaat ook minder florissant en om over naar huis te schrijven en hebben man en vrouw, ouders en kinderen elkaar in huwelijks- en gezinsverband behoorlijk óngelukkig gemaakt en komt dat helaas nog altijd voor.

 

Opvállend in de theatervoorstelling die ik zag was hoe in het leven van de vrouwen die daarin meespeelden voor hen vaak een échtscheiding het moment is geweest van de grote verlossing en het begin van een nieuw, vrijer en gelukkiger leven. En, dierbare gasten en parochianen, hoe wráng is dat. Want hoe slecht heeft ook een gelovige, kerkelijke opvoeding mensen blijkbaar vaak geëquipeerd en niet in staat gesteld tot het aangaan van goede, gelúkkigmakende verbintenissen.  

 

In de evangelielezing die wij op dit feest van de Heilige Familie hoorden is misschien opgevallen hoe vaak daarin de term 'de wet' voorkomt. Maria en Jozef deden heel precies en nauwgezet wat de wet allemaal voorschreef. Duidelijk conformeerden zij zich, van harte of omdat het nu eenmaal moest, aan alle regels en tradities. Wát Jozef en Maria daar precies aan beleefden is daarbij geen issue, dat wordt niet vermeld. Ze deden het. Ze bráchten dat offer van dat "koppel tortels of twee jonge duiven". Teneinde hun kind te mogen en kunnen toewijden aan de God van Israël moest er bloed vloeien, vogelbloed in dit geval. Daar is de kerstkalkoen! Geen vegetariër dus blijkbaar, die God.

 

Ongetwijfeld, dierbare gasten en parochianen, zijn wet, woorden, leefregels en tradities van Godswege bedoeld om mensen op de goede weg te zetten en om hun geluk te dienen. Vraag is natuurlijk of wij dit als zodanig kunnen herkennen en waarderen. In onze eerste lezing vandaag uit het boek Jezus Sirach hoorden wij: "Wie zijn moeder eert is als iemand die schatten verzamelt. Wie zijn vader hoogacht zal vreugde aan zijn (eigen!) kinderen beleven." Ja, dat is herkenbaar. Wie goed doet, goed ontmoet. Zo werk het. En dat begint al bij de relatie tussen ouders en kinderen. Maar dán, bij de apostel Paulus, in zijn brief aan de christenen van Kolosse, onze tweede lezing: "Kinderen, gehoorzaam je ouders in alles, want dit is de Heer welgevallig." En:  "Vrouwen, schik u naar uw man." Oef! Dat is andere koek. Alle vrouwen meteen in de gordijnen. Dat zijn gevaarlijke zinnen dierbare gasten en parochianen. Dynamiet, vuurwerk! Wie zulke zinnen níet goed verstaat, weet te plaatsen, hanteert, wie daar niet goed mee omgaat: bij zo iemand kan het gemakkelijk misgaan. Voor je het weet ontplóffen zulke zinnen, ja ontploffen daardoor de reláties tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen. Dan vallen er slachtoffers, vuurwerkslachtoffers. Door onoordeelkundig gebruik, veelgeliefden, kunnen zulke zinnen een vrijbrief worden voor willekeur en heerszucht. En dat is zéker niet de bedoeling. Nee, zeker niet. "Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet ruw tegen haar." "Vaders, vit niet op uw kinderen, anders worden zij moedeloos." Dat schrijft Paulus óók in dit verband. En ik denk: vanwege onze ten opzichte van Paulus' tijd zeer veranderde man-vrouwverhoudingen mogen we het geslachts-specifieke van wat hij hier schrijft er best van af pellen. Jezelf schikken, als partners ten opzichte van elkáár, of gehoorzamen, als kind ten opzichte van een ouder - dat gaat alleen maar als partners elkaar en ouders hun kinderen met liefde en tact bejegenen, alleen dan worden mensen soepel en royaal ten opzichte van elkaar.

 

"Bekleed u (...) met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar (...). (En) laat de vrede van Christus heersen in uw hart (...). (En) wees dankbaar. (...). Leer en vermaan elkaar met wijsheid." Ja, veelgeliefden, wat Paulus dáár schrijft, zoals de voorgelezen passage uit de Kolossenzenbrief begint, dát wil je. Zó wil je leven. Zó wil je met elkaar omgaan. Dát zijn de gaven van de Heilige Geest - zoals die ook belichaamd worden in die twee oude mensen die wij in het evangelie tegenkwamen, Simeon en Hanna: mensen van de grootoudergeneratie zoals die ook in het leven van kinderen nú zo heilzaam aanwezig kunnen zijn.

 

“Op hem rustte Heilige Geest.” En: "Door de Heilige Geest was hem geopenbaard". En: "Door de Heilige Geest geleid". Dat alles wordt gezegd in verband met Simeon. En zijn dat ervaringen die ook u en ik zouden kunnen hebben veelgeliefden? (‘Ik ook!’) Kunnen jij en ik ook geleid worden door die Heilige Geest? En kan die Heilige Geest ook jou en mij iets, het nodige openbaren? En zo ja: wat dan? Door de Heilige Geest geïnspireerd zegt Simeon tegen Maria: "Deze jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn - ook door uw ziel zal een zwaard gaan - en zo zal onthuld worden wat in veler harten omgaat." Hoe werkt dit bij óns? Welk effect heeft het geloof in Jezus op u en mij? Word je er blij van? Knap je er van op? Of knap je er van af en is het voor jou eerder een bron van ellende, van verscheurdheid, van droefenis? Of is de ervaring soms dubbel, gemengd, van allebei wat? Onthuld wordt, door de kennismaking en de omgang met Jezus, wat in de harten, in je eigen hart dus ook; wat daarin omgaat. Door het hart van Maria gaat een zwaard. Dus door het mijne en jouwe misschien dan ook wel.         

 

Waar gaat het om? Ik denk, veelgeliefden: om de confrontatie, door, met en in Jezus, met onze eígen werkelijkheid en waarheid die mooi is, want we zijn kinderen van God, allemaal, zonder uitzondering - máár die waarheid en werkelijkheid van ons leven kan ook moeilijk en pijnlijk zijn, vanwege 'hoe het loopt' en vanwege wat er allemaal gebeurd is in dat leven van ons.

 

Eén van die vrouwen afgelopen donderdag, Thérèse, vertelde over haar vader, een Rotterdammer. Hij had de stad zien branden. Als dwangarbeider werd hij te werk gesteld in Berlijn. Pas bij het derde luchtalarm steeds hadden ze de schuilkelder mogen opzoeken. De relatie die zijn dochter met hem had was slecht. Veel ruzie. Weinig begrip, veel regels en wetten. Maar toen zij uit huis was gegaan om te studeren kwam aan het licht dat diezelfde vader een relatie bleek te hebben gekregen met haar eigen boezemvriendin Jacqueline. Heel schokkend natuurlijk. Daar heb je dat zwaard dat door dat hart gaat. Allerlei puzzelstukjes vielen nu wél op hun plaats: wáárom bijvoorbeeld haar vader altijd naar de mis van half twaalf had gewild. Dan kon hij Jacqueline zien. Afscheid had hij genomen, deze vader, van zijn vrouw. Hij was getrouwd met Jacqueline. Aan de vriendschap tussen haar en Thérèse was wel een einde gekomen. Alle vriendschapsgevoelens gingen de diepvries in en zijn nooit meer ontdooid. Het contact werd formeel, "zoals je aardig bent voor de tweede vrouw van je vader" zei Thérèse.

 

Zes jaar terug overleed Jacqueline. Vader leeft nog. Negentig is hij nu. Onlangs heeft Thérèse hem meegenomen, met zijn rollator, naar De Beekse Bergen. Het werd een mooie dag. Onderweg vertelde hij dat hij Jacqueline nog enorm mist. Maar dat hij ook geleerd heeft om te genieten van wat er nog wel is: de kleine dingen, zijn luisterboeken, de buurvrouw die iedere dag even langskomt, de tuin die al de seizoenen van zijn eigen leven weerspiegelt. Thérèse zei: "Terwijl ik naar hem luister, voel ik een stil geluk in mij. Dat ik eindelijk gewoon samen met mijn vader kan zijn, niet geforceerd omdat het van mijzelf 'moet' ("want het is toch je vader"), maar omdat ik het wil." 

 

Ik wens het, veelgeliefden, alle partners, gezinnen, ouders en kinderen toe: bij elkaar zijn, elkaar opzoeken, niet omdat het moet, maar omdat je het wilt, omdat er iets is, omdat er iemand is, Jezus Christus geloven wij: iemand die je met elkaar verbindt, wezenlijk, van hart tot hart. Waar liefde woont, dáár gebiedt de Heer Zijn zegen.[8] Waar liefde woont, dáár woont  de Heilige Familie. Amen.

 

Verkondiging

 

26 december 2017 (Tweede Kerstdag), door Marco Voorhuis

Lezingen: Handelingen 6, 8-10 + 7, 54-60 en Mt 10, 17-22

Het is opmerkelijk dat de lezingen van vandaag – Tweede Kerstdag, een feestdag- nou niet bepaald een vreugdevol karakter hebben. Koud zijn we nog maar bekomen van alle feestelijkheden rond de geboorte van het kerstkind, of de realiteit dient zich aan. Stefanus die op gruwelijke wijze wordt gestenigd vanwege zijn geloof, en in het Evangelie stuurt Jezus zijn leerlingen er twee aan twee op uit, en geeft hij ze een hele trits waarschuwingen mee: hun tocht zal vol hobbels en gevaren zijn.

Nogal onaangenaam bij al deze kerstvreugde, zou je denken. Met Kerst immers vieren we het feest van het Licht. De blijde boodschap, de komst van een redder waar eeuwenlang naar is uitgekeken.

Wat is de kern van die boodschap van Jezus? Hij laat ons het ware gezicht van God zien. God is een liefhebbende Vader die wij abba, pappa mogen noemen. Geen afstandelijke Heerser. Geen wettische, kille accountant die ons de maat neemt zoals onze medemensen dat graag doen, maar iemand met andere maatstaven, iemand die van ons houdt en ons uitnodigt om Hem lief te hebben, elke dag weer. Jezus schildert in het verhaal van de verloren zoon het ultieme portret van God: als een liefhebbende vader die met wijd geopende armen wacht op zijn kind, ongeacht diens levenswandel. Zonder voorbehoud, zonder eerst nog even rekenschap te vragen, zonder verwijt. Uit onvoorwaardelijke en onbegrensde liefde.

Maar zoals we vandaag hebben kunnen horen, maakt de blijde boodschap van Jezus het bestaan nog niet altijd even makkelijk. Wij zijn nu eenmaal woonachtig in een wereld die niet volmaakt is: een wereld belast met de gebreken van de schepping, gebreken van anderen, en van onszelf.

Dat het leven niet makkelijk is, heb ook ik de afgelopen periode zelf aan den lijve mogen ervaren. Het begon dit voorjaar met keelklachten die niet over wilden gaan. Na uitvoerig onderzoek en een scan werd door het OLVG geconstateerd dat ik lymfeklierkanker had. Er volgden maanden van chemotherapie, met vermoeidheid en lichamelijk ongemak als gevolg.

Er is me de afgelopen tijd wel eens gevraagd: wat betekent het geloof voor je als je zo’n ziekte ondergaat? Ja, je eigen geloof en hoe je daar instaat komt in zo’n moeilijke periode wel aan de orde. Het is een vraag die ook Jezus in het Evangelie aan de orde stelt: hij vraagt zijn dikwijls onbegrijpende en twijfelende leerlingen meermaals hoe groot hun geloof eigenlijk is. Het Evangelie noemt ook de vrouw die aan bloedingen leed, wiens geloof zo groot was dat ze alleen maar de mantel van Jezus wilde aanraken, wetende dat ze genezen zou worden. Of de centurion met de zieke slaaf. Hij zei tegen Jezus: u hoeft niet te komen, maar één woord van u, en ik weet zeker dat mijn slaaf genezen is. Er wordt ook gezegd dat geloof een berg kan optillen en in zee kan doen neerkomen. Indrukwekkende voorbeelden.

Ik zou de omvang van mijn geloof niet met die Bijbelse voorbeelden willen vergelijken, twijfelend en kleingelovig als ik ben. Geloof is immers zo ongrijpbaar. Liever vertrouw ik bij voorkeur – waarschijnlijk net als u – toch eerder op de wetenschap, op de ratio en op gezond verstand. Ik ben een kind van deze tijd, die geloof vaak wegzet als een onzekere factor, waar je misschien maar niet teveel op moet vertrouwen, omdat je anders nooit weet waar je uitkomt.

Maar er zijn periodes in je leven dat de ratio ophoudt en dat het neerkomt op andere zaken. Zo’n periode was mijn ziekte. Een periode waarin ik op sommige momenten een aanwezigheid ervoer, iets van troost op moeilijke momenten. Simpelweg omdat ik voelde dat er iemand was. Iemand die steun geeft. Niet als een alomtegenwoordige enorme kracht, een enorm vuur of een intens licht, maar veeleer als een zachte bries, nauwelijks merkbaar, maar toch aanwezig. Hij, die er is. Ik heb in deze periode het gevoel gehad dat, hoe moeilijk of bodemloos het soms ook leek, er als het ware ergens in die diepte een vangnet gespannen was. Mijn val zou niet eindeloos zijn. En ik voelde dat, zelfs al zou dit allemaal slecht aflopen, ik toch niet alleen was en dat ook een slechte afloop op een of andere manier toch niet zonder betekenis was. Een moeilijk te omschrijven gevoel, maar desalniettemin een heel belangrijk gevoel. Het gevoel dat je toch niet helemaal alleen bent.

Uiteindelijk ben ik opnieuw door de scan gehaald en een paar weken geleden vertelde de arts me dat de kanker weg was. Ik ben genezen was verklaard en het is dus allemaal achter de rug. Een hele opluchting natuurlijk. Ik kijk nu op de afgelopen periode terug met gemengde gevoelens. Naast vermoeidheid en misselijkheid die regelmatig aan de orde was, heb ik ook intens genoten van mooie zomerdagen, het groen van het Vondelpark, fietstochtjes door de stad en de vele keren dat ik afsprak met vrienden of bekenden, en met hen de banden weer eens aanhaalde. Eindelijk heb ik voor een aantal zaken weer eens de tijd genomen. Vreemd eigenlijk, dat je daar een ziekte voor nodig hebt. Ook de aandacht en de zorg van de artsen en verplegend personeel heeft indruk gemaakt. Ik kijk dan ook lang niet alleen met een akelig gevoel, maar ook met positiviteit en dankbaarheid op de afgelopen periode terug. Dankbaarheid richting Hem die er is.

Wat kan ik u nu meegeven? Ik denk dit: geloven betekent niet dat je erop kunt vertrouwen dat je geen ellende zal overkomen. We krijgen allemaal – getuige ook de lezingen van vandaag -ons deel van de donkere kanten van het leven, hoe graag we dat ook liever niet zouden willen. Geloven betekent echter wel dat je mag vertrouwen op die Ene, die bij je blijft en wil laten zien dat Hij er is, wat je ook gebeuren zal. Hij is er in de schijnbaar bodemloze diepte, Hij is dat vangnet dat je behoudt en zekerstelt, hoe onzichtbaar dat net soms ook is. We zijn niet alleen, Hij is bij ons. Dat mogen we geloven, en daarop mogen we vertrouwen. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                            

 

op Eerste Kerstdag van 2017 in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (52, 7-10), de brief aan de Hebreeën (1, 1-6) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (1, 1-18).

 

"Ik schrok (...) wakker en lag dan naar de geluiden van de nacht te luisteren. (...) De nacht vulde zich met stilte. Lang luisterde ik ingespannen naar de gonzende stilte." Woorden van de Russische auteur Konstantin Paustovski die ik recentelijk las in het tweede deel van diens autobiografie Verhaal van een leven."[9]

 

"De nacht vulde zich met stilte."  Zo was het ook afgelopen nacht. Een oude, zeer dierbare vriend was aan het begin van de kerkstnacht bij mij aangekomen. Onze beide nachtmissen, zowel die van half negen als die van elf uur maakte hij mee. Het wonder, de tover van de kerstnacht in de kerk. Ik kan het niet anders zeggen. Licht, vrede, vreugde, verbondenheid: die waren er bij ons in de kerstnacht. Althans, zo heb ik het zelf ervaren. Tijdens en na de vieringen zag en hoorde ik dat ook terug bij de kerkgangersters. En daarna, boven, bij mij in de huiskamer in de pastorie hebben die vriend en ik nog een fles wijn opengetrokken en hebben we bijgepraat, tot diep in de nacht. Achter geen van de ramen die te zien zijn vanuit mijn huiskamer brandde nog licht, niet eens van kerstversieringen. Eigenlijk zie je die ook nauwelijks achter de ramen van de Pijnackerstraat en het Cornelis Troostplein waar ik op uitkijk.

 

"De nacht vulde zich met stilte" schrijft Paustovski in 1921 in Odessa aan de Zwarte Zee. En zelf meende ik afgelopen nacht terwijl ik met die vriend van mij sprak en dronk dat het nog stiller was dan gewoonlijk, echt een 'stille nacht' inderdaad. Doodstil. Maar constateerde ik dat nu omdat ik normaal gesproken natuurlijk slaap midden in de nacht, maar nu wakker was? Of was het écht zo? Ik meen toch het laatste. Het was vanmorgen vroeg op straat ook zo: nog stiller dan normaal op zondagmorgen. Ik denk dat veel mensen de stad uit zijn - naar familie of vrienden toe of misschien zijn ze voor Kerstmis weggevlucht. 'Kerstvlucht' is een veel voorkomend verschijnsel. Ik zag vanuit mijn keukenraam veel vrije parkeerplekken, méér dan gewoonlijk op zondagmorgen in de Pijnackerstraat. Hoe was het in de straat waar uzelf woont? En onderweg hier naar toe? Stiller dan gewoonlijk? Of verbeeld ik het mij maar?

 

De stilte van Kerstmis, van de kerstnacht en van de vroege kerstmorgen. In sterk contrast staat die met de afgelopen dagen: zaterdag en zondag. Ook gisteren waren de winkels overal open, zelfs op de Bible belt, in de strook van regio's van vanouds streng protestants-christelijke streken die min of meer dwars door het land loopt: van het noorden naar Zeeland met in het midden daarvan de Veluwe. Zelfs daar waren de winkels gisteren op zondag geopend. Dat was nieuws. Maar dan dus die stilte - die zodadelijk als de mensen uit hun huizen komen en de weg opgaan weer helemaal verdwenen zal zijn. Maar die stilte is er dan dus wel geweest. En die stilte, dierbare gasten en parochianen, die stilte verbindt ons met de ervaring waaraan ook de apostel en evangelist Johannes wil herinneren in de indrukwekkende, de majestueuze tekst waarmee hij zijn evangelie begint en die ik u zojuist mocht voorlezen: "In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is door Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan. Wat ontstaan was, had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen." Leven en licht. Licht en leven. Twee kanten van één medaille. Leven dat helemaal licht is. Licht dat in elk leven en in het hele bestaan evident is en zichtbaar is. "God is licht. In Hem is geen spoor van duisternis" schrijft Johannes in de eerste van zijn drie brieven die ook in het Nieuwe Testament zijn opgenomen.[10] Dat licht dat God is en dat aan de basis ligt van elk bestaan, dat zou in elk bestaan, in dat van alle mensen, duidelijk zichtbaar moeten zijn. Maar helaas is het zo niet mensen. En daarvan is Johannes en daarvan zijn wij trouwens ons allen, bewúst. En hoe tragisch is dat. "Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan" schrijft Johannes. "Het ware licht was er, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen. Het was in de de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, en die wereld heeft Hem niet erkend. In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen." Het licht van God, zo zichtbaar en ervaarbaar geworden in het bestaan van Jezus, het licht van Kerstmis: op een dieper niveau dringt dat toch niet werkelijk door tot mensen en krijgt het toch niet werkelijk vat op hen, zodanig dat zijzelf, hun eigen bestaan licht is of wordt. Daar kan iets hards, iets stugs, iets taais, iets weerbarstigs zijn in mensen, in ons, dat zich tégen dat licht van God, van Jezus, van Kerstmis verzét. En ik zou dan nu, dierbare gasten en parochianen, ik zou dan nu alle conflictgebieden op aarde en alle wereldleed kunnen gaan opsommen: het lot van de Rohinya's in Birma, dat van onze geloofsgenoten in Pakistan en andere islamitische landen, dat van de mensen die leven in de sloppenwijken van de miljoenensteden in de Derde Wereld, maar ook dat van de armen in de Verenigde Staten onder Trump; zo zou ik nog een tijdje door kunnen gaan, maar dat is dan ver van m'n bed. Laten we liever naar onszelf kijken: naar hoe moeilijk we het elkaar kunnen maken, naar onaardigheid van mensen ten opzichte van elkaar, naar de grauw en de snauw, het elkaar negeren, koppigheid, botheid, stuursheid, het lelijk doen, het elkaar diskwalificeren, het onwelwillend over elkaar denken en spreken, het mensen zwart maken, de onwil en/of het onvermogen om voor hen plaats te maken en het er uit werken van mensen. Ik denk, veelgeliefden, ook daaraan kunnen we denken bij dat "Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan" van Johannes en dat "In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen." Wie jij voor anderen bent, zo ben jij voor God. Hoe jij naar mensen kijkt, zo ben jijzelf in Gods licht. En dat licht in ons kan dus behoorlijk verduisterd raken.

 

Maar zo hóeft het niet te zijn. Zo'n zwartkijker is Johannes gelukkig niet. De mogelijkheid dat het ook anders kan, laat hij wel duidelijk open. De deur is niet helemaal dicht, maar staat op een kier. Hij schrijft: "Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God." Vanzelfsprekend is dat dus niet. Je kunt de deur verder openen en erdoorheengaan het licht in. Maar je kunt die deur natuurlijk ook dichtknallen. De keuze is aan jou.

 

"Het woord is vleesgeworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien". "Niemand heeft God gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen". In die woorden drukt Johannes zijn diepe overtuiging uit in verband met Jezus. Ik denk: Wie die overtuiging tot de hare of de zijne weet te maken, wie werkelijk met Jezus leeft, die neemt het wonder en de tover van de kerstnacht, van die stille, die heilige nacht overal mee naar toe, het hele jaar door, die wordt door dat wonder, door die tover gedragen. Moge dat voor elk van ons zo zijn of zo worden. Amen.

 

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                                           

 

in de Kerstnacht van 2017 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 1-14).

 

Nu krijgen we het, dacht ik. Afgelopen vrijdag viel ik op t.v. in Hart van Nederland denk ik.[11] We zagen de kerstmarkt in Bunschoten-Spakenburg, in de sneeuw nota bene. Het moet dus in het tweede adventsweekend geweest zijn, want toen wás er sneeuw, behoorlijk wat. We zagen de bekende kraampjes met lekkernijen, glühwein en kersttierelantijnen. De stemming, bij publiek en neringdoenden, zat er goed in. Ja, die sneeuw hè. Dat deed 't 'm. Wórden er twee dames geïnterviewd, in vol ornaat, in Spakenburgse klederdracht - met van die arm-bumpers opzij en het haar naar boven opgerold tot op de kap. "Hoe gaat ú Kerstmis vieren?" Ik dacht: Nu krijgen we het. Nu komt God. Nu komt de kerk. "Wilt u het echt weten?" vroeg één van die dames. "Jazeker" zei de interviewer. "Nou", zei die dame, "we gaan naar Bali. Nu al voor de zevende keer."

 

Oef. Dat viel tegen. Mijn verwachtingspatroon werd wreed verstoord. Je denkt: zo'n mens, zo'n traditioneel uitgedoste Spakenburgse vrouw, van de Bible belt, die zal godsdienstig-levensbeschouwelijk nog wel stevig in elkaar zitten en Kerstmis traditioneel ook vieren, vast en zeker óók in de kerk. Maar niets dus daarvan. Naar Báli... Ik was geschokt. Ik viel bijna van m'n geloof af. Niets en níemand in deze tijd, in dit land, in deze wereld is meer wat hét en wat hij en zij lijkt en zoals zij, hij, het, vroeger was. Alles is anders. Iederéén is anders. Wie is man? Wie is vrouw? Wat is waar? Wat is niet waar? Ja, veelgeliefden, je kunt in deze tijd gemakkelijk de kluts kwijtraken.

 

Maar nu ís het Kerstmis, de nacht van Kerstmis, écht waar. Geen sneeuw, maar toch. En u bent hier. Wij zijn hier. Waarom? Wat hebben we hier te zoeken? Wie of wat zouden we hier kunnen vinden? Nou ja, Jezus natuurlijk, Jezus als kind in de kribbe, in doeken gewikkeld en neergelegd in de voerbak, in de trog voor de beesten. Tja... Maar wat moet je daarmee? Wat wíl je daarmee? Wat kún je daarmee? Met Hem?

 

De bijbellezingen in deze kerstnacht nodigen ons uit om naar Hem te kijken, om te beginnen in het licht van de profeet Jesaja die we hoorden in de eerste lezing. "Men noemt hem wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst" meldde Jesaja ons. En nou, dat is allemaal niet niks. In de tweede lezing, uit de brief van de apostel Paulus aan Titus werd daar nog een hele schep bovenóp gedaan: "De genade van God is verschenen, bron van rédding voor alle mensen". En dat sluit aan bij wat de engel tegen de herders zegt in het kerstevangelie: "Vandaag (...) is uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer."

 

Een kléine, dierbare gasten en parochianen, een báby, maar tórenhoog de beloftes die in verband met dat kind worden gedaan. Wat moet je ermee? "Toen ze het zagen", de herders het kind, "toen ze het zagen, maakten ze bekend wat hun over dit kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd (...). Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na." Tja... wat moet je anders... Ik stel mij voor, mijn dierbare parochianen en gasten, ik stel mij voor dat Maria 'er misschien ook niet zoveel mee kon', met al die beloftes en dat ze die misschien maar liever liet rusten, liet voor wat ze waren en heel verstandig dacht: We zullen wel zien...

 

Iedereen weet veelgeliefden: Je kunt maar beter géén verwachtingen koesteren in verband met je kind. Want je kent het nog niet. Je kent het nog onvoldoende. Je wéét niet wat er allemaal in zit, wat er nog méér in zit, in je kind, én wat er allemaal uít kan komen, hoe het zich zal ontwikkelen. Nee, je kunt maar beter géén verwachtingen koesteren in verband met je kinderen. Want daar zet je ze alleen maar klem mee. Grote verwachtingen worden gemakkelijk grote teleurstellingen. En grote beloftes lopen gemakkelijk spaak. Ik zie nóg de glans in de ogen van mijn jongste zus Carola toen ze vertelde dat haar zoon Sven, misschien acht jaar destijds; ik zie nog de glans in haar ogen toen zij vertelde dat hij gezegd had dat hij later chirurg wilde worden. Maar intussen is het, na een niet helemaal probleemloze lagere en middelbare schoolperiode van Sven, ánders gelopen. Hij is nu 22. Na een afgebroken opleiding fysiotherapie en na een tijdje huis-aan-huis groetenpaketten aan de man en aan de vrouw te hebben gebracht, werkt hij nu in een ski-shop en doet hij een IT-opleiding. Hij is een toffe peer, een leuke, spontane vent met vaak strálende blauwe ogen. Hij komt er wel. Maar chirurg gaat het niet worden.

 

En hoe zit het met Jezus? Wonder van beleid, goddelijke held, vader voor eeuwig, vredevorst, redder, messias, Heer. Is Hij het geworden? - voor ú? wat ú, wat jóu betreft? We weten allemaal hoe het afgelopen is met Jezus. Gód beware dat bijvoorbeeld onze Sven zo'n levenslot beschoren zou zijn. Chirurg is hij niet geworden. En daarmee heeft mijn zus zich natuurlijk allang verzoend. Dáármee kan ze zeker leven. Maar wat als je kind... Arme Maria!  

 

"Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na" hoorden wij. Voelde Maria wellicht al nattigheid, toen al? Rook zij al onraad? Vermoedde zij al de dubbele bodem van de belofte? Ik denk: het zou zomaar kunnen. Wat is er allemaal in Maria omgegaan? Bij een uitvaart van een vrouw, wordt in de kerk vaak voorgelezen het zogenaamde 'loflied op de sterke vrouw' uit het 31ste hoofdstuk van het bijbelboek der Spreuken. "Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?" Met die vraag begint die tekst, dat loflied op die sterke vrouw. En ongetwijfeld, veelgeliefden, is die vraag in en met Maria beantwoord. Ja, zij was, ja zij ís een sterke vrouw.

 

Dagelijks, om tien over acht, na afloop van het morgengebed in deze kerk, en ook om tien over één, na afloop van de dagelijks mis, in elk geval als ik die heb gedaan, daarna bidden wij, de ogen gericht op ons Mariabeeld, het zogenaamde 'Engel des Heren' met daarin een driemaal herhaald 'Wees gegroet' - hét Mariagebed bij uitstek. Die woorden bidden en je er hélemaal door laten vullen en ze vullen ook met wie jijzelf bent én met wat en wie je aan die sterke Maria voor wilt leggen en toevertrouwen, dat is helemaal niet zo gemakkelijk lieve mensen. Gemakkelijk dwaal je met je gedachten af. Het is dus maar goed dat het gebed, dat 'Wees gegroet', herhaald wordt:

 

                                                                                              Wees gegroet Maria,

                                                                                              vol van genade.

                                                                                              De Heer is met u.

                                                                                              Gij zijt de gezegende

                                                                                              onder de vrouwen.

                                                                                              En gezegend is Jezus,

                                                                                              de vrucht van uw schoot.

                                                                                              Heilige Maria,

                                                                                              moeder van God,

                                                                                              bid voor ons, zondaars,

                                                                                              nu en in het uur

                                                                                              van onze dood.

                                              

                                                                                              Amen.

 

Het is een heel eenvoudig gebed. Of nou ja, wat je eenvoudig noemt: Moeder van God. Ten opzichte van de bijbellezingen in deze kerstnacht doet dat 'Wees gegroet' door Maria "moeder van God" te noemen er óók nog weer een schep boven op: Jezus is de Messias, de Heer. Hij is God zelf. En Maria is Zijn Moeder. Het lijkt, het ís bizar. Wie kan daarin meegaan? Joden en moslims niet in elk geval. Maar wij wel? U? Jij? Ik?

 

Jezus, het kind in de kribbe is God zelf. En als zodanig, Jezus zijnde, is Gód gestorven aan het kruis. Waarom? Paulus schreef in zijn brief aan Titus: "(Hij) leert ons af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld". "Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, ons te reinigen en ons tot zijn eigen volk te maken, vol ijver voor goede werken." Nou, opnieuw: dat is heel wat. "Hij leert ons af te zien van (...) wereldse begeerten." O ja? En hóe doet Hij dat dan? En wat zíjn "wereldse begeerten" eigenlijk?

 

Ik moet meteen denken aan die mevrouw in Spakenburger dracht, in wie ik spontaan een degelijk protestants-christelijk typ zag, maar dat is ze vermoedelijk niet. Of: niet meer. Want met Kerstmis vliegt ze naar Bali, dit jaar al voor de zevende keer op rij. En gáát ze daar wel naar de kerk, als daar al een kerk die bij haar past te vinden zou zijn? Veelgeliefden: Zou die Spakenburger dame zich soms laten leiden door wereldse begeerten? En zou dat wellicht komen omdat ze niet naar de kerk gaat? niet méér wellicht? 

 

Gisteravond belde ik met een vriend, óók priester. Hij had een lezing gegeven voor de Rotary-afdeling waarvan hij lid is. Hij had verteld over de oorsprong van ons kerstfeest. De Romeinen vierden omstreeks deze datum het feest van de Onoverwinnelijke Zon. De christenen hebben dat feest vervolgens omgeturnd en in plaats van die 'Zon', 'de Zoon' gezet. Maar in deze tijd gaan we weer terug naar de Zon zei mijn vriend. Ja! Zo is het! Zie maar die Spakenburgse! Zij kiest de zon. En Jezus, Gód in Jezus, kiest voor het kruis. En waar kiezen u en jij en ik voor?

 

Afgelopen week had een andere vriend van mij, kunstenaar annex onderwijzer, maar al een paar jaar in de ziektewet; hij had mij uitgenodigd om te komen eten. Zijn nieuwe vriendin sinds precies twee jaar, het was de verjaardag van hun kennismaking, was er ook bij en ook zijn pas zestien geworden dochter. Hij en zijn vriendin willen een Foundation opzetten, vertelden ze, een Foundation  waarin ze samen met anderen willen werken aan het probleem van de milieubelasting van het wereldwijde vliegverkeer: van al die mensen die zonder er bij na te denken maar af en aan naar de zon vliegen zonder er bij na te denken. See-Buy-Fly? Nee! See-Buy-Tree! Koop een boom als je vliegt.

 

Ik denk, dierbare gasten en parochianen: die vriend van mij en zijn vriendin zitten, in elk geval wat dit betreft, vermóedelijk op de lijn van de Zoon, van Jezus. Want die zou ons dus willen leren om "af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en (om) bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld." En nou, veelgeliefden, zoals dat internationale vliegverkeer functioneert en zich ontwikkelt, beantwoordt daar inderdaad niet aan lijkt mij. Want dat is zeer ónbezonnen lijkt mij. Met de rust op de Veluwe is het binnenkort ook al gedaan, vreest men, als Schiphol uitbreidt naar Lelystad. Wie roept er in Godsnaam een halt toe aan de mens die zich op aarde steeds maar groter en breder maakt, ten koste van de niet-menselijke natuur, maar die aldus natuurlijk uiteindelijk ook zichzelf in de voet schiet?

 

Nou, veelgeliefden, dat doet Híj dus van Godswege: de Zoon. Zijn geboorte betekent: het "ja" van God tegen onze wereld. Hij is gekomen voor ons állemaal. "Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft" zingen de engelen. En wie zíjn die mensen in wie Hij welbehagen heeft en die dús vrede ervaren? Ik denk: het zijn de mensen die, bewust of onbewust, "ja" zeggen tegen God, mensen die in Hem hun kracht vinden, óók om soms heel duidelijk als dat nodig en goed is, om dan "nee" te kunnen zeggen tegen hoe onze wereld reilt en zeilt en "nee" tegen hoe ménsen 'het' soms zien en doen. Mensen die bereid én in staat zijn om voor hun "nee" tegen wereld en mensen eventueel ook een prijs te betalen - een beetje of een beetje veel wellicht vergelijkbaar met zoals op ultieme wijze Híj dat heeft gedaan, Jezus, op het kruis.

 

Wat is, dierbare gasten en parochianen, wat is úw woord van het jaar 2017? Het mijne is 'kerstvlucht'. Veel mensen hebben de neiging om Kerstmis te ontvluchten: wég van huis, wég van familie en vrienden of het ontbreken daarvan, wég van God, wég van Jezus, weg van jezélf ook ten diepste. De kerstvlucht naar Bali of waarheen dan ook. Veelgeliefden: Het is nergens voor nodig en trouwens ook zinloos. Want je kúnt namelijk jezelf en de anderen en ook God uiteindelijk niet ontlopen. Je komt jezelf en de anderen, met name ook de familie, je komt Gód, hoe dan ook, vroeg of laat tóch altijd weer tegen. En in elk geval voor Gód hoef je écht niet bang te zijn. Kijk maar in de kribbe. Dierbare gasten en parochianen: U zit in deze kerstnacht hier. Proficiat. U hebt het beste deel gekozen. U zit goed, op de goeie plek. Niks geen kerstvlucht. Blijf lekker thuis. En maak er wat van met elkaar of desnoods in je eentje. Kom lekker naar de kerk. Ook hier mag en kun je jezelf geheel thuisvoelen. Amen. Zálig Kerstmis! 

 

Verkondiging

 

Zondag 24 december – Ton van Hal

Het is wel een bijzondere dag vandaag, beste mensen. In veel kerken is er niet eens een mis omdat vanavond de kerstmissen al zijn. Ik heb begrepen dat zelfs in de kathedraal in Haarlem geen mis is, maar bij ons wel, want het is gewoon de 4e adventzondag en onze pastor Pierre heeft het verleden zondag duidelijk gezegd: geen mis op de vierde advent? Over my dead body!.

 

En zo zijn we hier dus bijelkaar met onze kleine schare van wat ik maar weer eens hard-core katholieken noem.

Wat zeggen de lezingen ons vandaag? In de eerste lezing gaat het steeds over huizen

 

De koning (David) had net voor zichzelf een prachtig huis gebouwd: een paleis van cederhout.

David realiseert zich wel dat hij zelf nu een schitterend huis heeft, maar dat God nog steeds in een tent woont, de tent waarin Hij meer dan 40 jaar lang vanuit Egypte is rondgedragen door de woestijn, op weg naar het door God zelf Beloofde Land. David wil nu voor God ook een mooi huis bouwen: een tempel.

Dan spreekt God in de nacht tot de profeet Nathan, zo staat het er, en God draait de zaak eigenlijk helemaal om. God heeft helemaal geen behoefte aan een huis of een tempel of een paleis. Hij helpt ons even goed wel, al woont hij in een tent, zoals Hij  in de afgelopen 40 jaar de Israëlieten door de woestijn heen heeft geholpen.

Alle vijanden van Israel zijn verslagen, het beloofde land is bereikt. Davids paleis van cederhout is gebouwd. Het lijkt allemaal af. Nu nog een mooi huis voor God en dan kunnen we in alle rust verder leven. Maar God steekt daar dus een stokje voor.

 

God laat (via de profeet) weten waar het werkelijk om gaat. Niet om een mooi huis, tempel of kerk. Hij hoeft zelf geen mooi huis, maar hij belooft David een heel ander soort huis: een eeuwig durend KONINGSHUIS.  Dat is geen huis van steen of cederhout, maar een koningschap van duizenden jaren, een goddelijk koningschap.

 

En wat hoorden we in het Evangelie daarnet?  Een engel laat aan Maria weten dat zij een zoon zal baren die de Zoon van God zal worden genoemd. God zal hem de troon van zijn (voor-)vader David geven. Het eeuwig durend koningschap dat aan David is beloofd zal dus worden bekleed door Jezus Christus, nu al 2000 jaar geleden. Jezus is als zoon van God onze Koning, El Shaddai.

 

“Heer”, vragen de apostelen op zeker moment aan Jezus (in de Handelingen vermeld) :Zult u binnenkort het koningschap van Israel herstellen?” De apostelen kenden natuurlijk ook de boeken van de profeten en ze begrepen ook wel dat Jezus de Messias was. Zij dachten (aanvankelijk) dat Jezus het koningschap van Israel, dat in Jezus’ tijd bezet was door de Romeinen zou herstellen. Dat hij daadwerkelijk koning van Israel zou worden (en de Romeinen eruit zou gooien!). Maar Jezus geeft hen eigenlijk geen antwoord Gij kent dag nog uur, zegt hij.

 

Want het koningschap van Jezus, van God, gaat niet over een aards koningschap, dat snapten de apostelen later ook heel goed. Zij trokken erop uit en begonnen een ander soort koningschap te verkondigen over de hele toen bekende wereld. Dat ging over een koninkrijk waar alle mensen van goede wil aan mogen deel nemen . Een koninkrijk waarbij het niet gaat om een stuk land, maar om de vernieuwing van de hele aarde. Een koninkrijk van gerechtigheid en vrede.

 

Misschien hebben wij ook wel eens, net als de apostelen toen, de neiging om aan God te vragen om dat Koninkrijk van recht en vrede nu eens echt van de grond te laten komen. Ik moest denken aan een gedicht van Gerard Reve. Het gaat over een grafsteen die hij zag op het kerkhof van de St Vituskerk in Blauwhuis (Fr) Het is het graf van een jongen, doodgeschoten in 1945 toen hij vluchtte voor de Duitse politie die de boerderijen doorzocht op onderduikers. Gerrit Rijpma, 18 jaar geworden, broertje van Reves buurvrouw in Geonterp waar hij toen woonde.  Ik lees het even voor.

 

Afbeeldingsresultaat voor graf te blauwhuisGraf te Blauwhuis
voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

 

 

 

 

 

 

 

Ja, of dat nog wat wordt? De apostelen vroegen het in het jaar 30, Gerard Reve in 1967 en wij misschien ook van tijd tot tijd. Maar of dat nou echt wat wordt, dat Koninkrijk, dat is nou aan ons, beste mensen.

We moeten onze Koning niet zien als een tovenaar die met een knip van zijn vingers de vrede over de hele wereld kan vestigen. Maar hij is wel ons grote voorbeeld, ons richtsnoer, ons licht in de duisternis waarin we soms zitten. Hij zal ons zeker helpen als wij hem om hulp vragen.

Vannacht (of morgen) zullen we het weer horen:  Vrede op aarde voor de mensen van goede wil.

Ben jij van goede wil? Ben ik van goede wil?

 

Tot slot nog even over dat mooie huis, die tempel voor God, die is er uiteindelijk toch wel gekomen? Jazeker, zo’n 3000 jaar geleden. De beroemde en luisterrijke tempel van Salomo, Davids zoon.

(Later is hij ook weer verwoest en is er weer een nieuwe gebouwd).

Als de geschiedschrijvers gelijk hebben paste die tempel trouwens wel 3x in onze Vredeskerk.

 

Wij weten wel dat het niet gaat om een mooie tempel, een mooie kerk. Maar we mogen best blij zijn met ons huis hier, veel groter en mooier nog dan de tempel van Salomo.

Laten wij vooral blij zijn dat wij hier steeds bij elkaar mogen komen om God te eren met mensen van all over the world: van de Filippijnen, Egypte, India, Eritrea, Ghana, Nigeria, Indonesië, Irak, Armenië, Italië, Frankrijk  (en dan zijn er nog wat Hollandse kaaskoppen). Een prachtige verbeelding van waar het in Gods Koninkrijk wel en niet om gaat. De Koning die vannacht opnieuw geboren gaat worden gaat niet over landen, grenzen of talen, maar over barmhartigheid, gerechtigheid, liefde en vrede voor ALLE mensen van goede wil.    AMEN

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                            

 

op 17 december 2017, de derde zondag van de Advent, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (61, 1-2+10-11), uit het het Magnificat (luc 1, ged.), .de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica en het heilig evangelie van onze Heer jezus Christus volgens Johannes (1, 6-8+19-28).

 

Als bloedhonden, wérkelijk, zijn ze, die "priesters en levieten", "op hem", op Johannes, Jezus' voorloper, "afgestuurd". Hun vragen zíjn als béten van honden. Ze vuren die vragen op Johannes af als een geweersalvo. Als het herhaalde ratelen van een mitrailleur klinken die vragen: ch-ch-ch-ch... "Jij, wij ben je?" "Wie dan? Jij, ben je Elia?" "De profeet, ben jij dat?" "Wie ben je?" "Wat zeg je over jezelf?" Jij-jij-jij. Ta-ta-ta-ta...

 

Ze zetten hem, die priesters en levieten Johánnes, ze zetten hem het més op de keel. Zielenknijpers die als bloedhonden zijn. In hun benadering klinkt hevige verontrusting door. Je moet meteen denken aan wat we over een paar weken zullen horen in verband met het bezoek van de wijzen uit het oosten aan koning Herodes. We zullen dan horen, het zinnetje: "Toen koning Herodes hiervan hoorde" over de ster die de wijzen hebben gezien en die voor hen een teken was van de pasgeboren koning van de Joden; "toen koning Herodes hiervan hoorde, schrok hij, en heel Jeruzalem met hem." De bloedhonden worden wakker, zijn wakker geworden. Daar en dan in Jeruzalem. En zo ook hier, nu. Wat gebeurt daar allemaal aan die Jordaan? Ze onderwerpen Johannes aan een kruisverhoor, letterlijk: Je ziet Jezus' kruis al meteen opdoemen.

 

Hoe reageert Johannes? Ja, als een opgejaagd diertje natuurlijk, als een beestje in het nauw. Antwoorden die hij geeft zijn ontwijkend. Ze zijn cryptisch, raadselachtig. En hij zoekt zijn toevlucht bij, ja hij schúilt bij de grote profeet Jesaja als hij zegt: "Ik ben een stem die roept in de woestijn: 'Maak recht de weg van de Heer' " Johannes is de wegbereider, de sneeuwschuiver, voor Jezus die na hem komt, die reeds aanwezig is, maar die nog niet herkend wordt. Johannes verwijst. Hij wijst en leidt de aandacht van zichzelf áf - en hopelijk toch níet, nee vást niet, uit lafheid... Het gáát niet om mij. Mezelf hoor ik met enige regelmaat hetzelfde zeggen. En soms zeg ik er bij: vandaar die priesterkleren. Als ik daar sta, aan dat altaar of hier aan de ambo die ook de preekstoel is, als ik hier sta, dan gaat het niet om wie ík ben als privépersoon - een mens op wie natuurlijk vanalles is aan te merken. Maar daar gaat het dus níet om. Maar het gaat wél om wie ik, zéker als ik die priesterkleren aanheb; het gaat om wie ik dan representéér, om wie ik dan mag vertegenwoordigen. Tja...

 

Uit het boek van de profeet Jesaja hoorden wij ook in onze eerste lezing vandaag voorlezen. "De geest van de Heer God rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om aan de armen het blijde nieuws te brengen, om gebroken harten te verbinden, om de gevangenen vrijlating te melden, en de geketenden de terugkeer naar het licht, om het genadejaar van de Heer te melden, een dag van wraak voor onze God, om alle treurenden te troosten. Ik verheug mij uitbundig vanwege de Heer." Fiere, opgetogen woorden inderdaad, woorden waar je inderdaad blij van kunt en mag worden, woorden die licht kunnen werpen op elke aardse droevenis. En waaraan, aan wie of wat mag of kun je dan denken bij deze woorden?

 

Wie zíjn die armen aan wie u en ik dat "blijde nieuws" mogen brengen? Van wie mógen jij en ik de "gebroken harten" verbinden? Aan welke gevangenen mógen wij hun "vrijlating" melden? Aan wélke "geketenden" "de terugkeer naar het licht"? Aan wíe mogen we dat "genadejaar" gaan melden en "een dag van wraak voor onze God"? Wélke "treurenden" mogen wij troosten?

 

Já... wát kun je wat dat betreft doen? Waartoe ben je wat dat betreft in staat?

 

Ja...

 

Nou ja... als ik eerlijk ben, en dát is veelgeliefden altijd maar het beste, dus als ik eerlijk ben, dan moet ik zeggen en toegeven dat ik mij misschien vaak genoeg zélf maar een arm mens voel die best enig blij nieuws kan gebruiken, en dat ik mij soms zélf iemand voel die met een gebroken hart zit dat verbonden zou moeten worden, dat ik zélf mij iemand kan voelen die gevangen zit in zichzelf en in de omstandigheden van zijn eigen leven en die verlangt naar bevrijding, dat ik mijzélf iemand kan voelen die met kettingen op allerlei manieren vastgeketend en in het donker zit en die verlangt naar de terugkeer naar het licht, en dat ik zélf iemand ben die in 2018 best zo'n genadejaar zou willen meemaken én een dag waarop God wraak neemt en dat ook ík mijzelf treurig kan voelen en die behoefte kan hebben aan troost.

 

Ja, veelgeliefden, zo is dat... Je kunt als mens en zelfs als priester van de Roomse kerk soms de ervaring hebben dat je alle zeilen bij moet zetten om überhaupt zelf overeind en gaande te blijven en de moed er in te houden. En soms gaat het misschien ook gewoon even helemaal níet en dan kun je dat maar beter toegeven ook en de zeilen even strijken, want als je dat níet doet, dan draai je misschien nog door, krijg je een burn-out of wat dan ook en kom je helemáál in de lappenmand terecht en dan zijn we met z'n allen verder van huis dus dat voorkom je maar liever.

 

Wat heb je zélf nodig? En wát kun je daarbij en daarin en daarnaast eventueel ook nog voor anderen betekenen? Welk beroep wordt er wat dat betreft ook op je gedaan? Welk appèl, welke roeping erváár je wat dat betreft van andere mensen? Soms kun je dat beroep, dat appèl of die roeping heel duidelijk en sterk ervaren. Dan moet je echt uit de coulissen en in de benen komen. Maar het meeste gebeurt natuurlijk gewoon in het gewone, dagelijkse verkeer. We houden elkáár gaande, we beuren elkaar op en houden elkaar bij de les. En soms zijn er gewoon mooie momenten die werkelijk kunnen komen als geschenken uit de hemel.

 

De afgelopen twee woensdagen heb ik met de hulp die bij mij past Sylvia heel lekker gegeten in het buurthuis op de hoek van de Lutmastraat en de Tweede van der Helststraat. Moet u ook eens doen. Sluit prachtig aan op de middagmis hier in de kerk. Ik vind de sfeer daar in dat buurthuis eigenlijk geweldig, heel verwelkomend, positief, opgewekt, teder en ontroerend. Mensen zien elkaar daar staan. Ze proberen aardig voor elkaar te zijn en doen hun best voor elkaar. Een tien! Chapeau! De hoed af voor het buurthuis en voor de mensen die er als professionals en vrijwilligers werken.

 

De eerste keer woensdagmiddag dat ik kwam kreeg ik van een mevrouw die ik misschien wel eens had gezien en even gesproken, maar die ik zeker níet góed ken, van haar kreeg ik nota bene zómaar héél beslist een kerst- en nieuwjaarskaart in mijn handen gedrukt. Het was m'n allereerste dit jaar. Fijne feestdagen. Gré. Nou já... dacht ik. Hoe bestáát het... Ik heb er nog regelmatig aan moeten denken aan die kaart - en aan hoe die mij gegeven werd. Die gelooft er in dacht ik. Zo'n vrouw, deze Gre, die is gewoon een engel. De kleinste dingen die heel gewone mensen kunnen doen, dierbare gasten en parochianen, precies díe dingen kunnen soms het meest betekenisvol zijn. "Zijn keus viel op zijn eenvoudige dienstmaagd" zingt Maria in het Magnificat, de tekst die we als gebed samen hebben gebeden. "Wonderbaar is het wat Hij mij deed." Inderdaad. Wat je soms zomaar kan overkómen... het is niet gering al is 't misschien klein. In die kerstkaart van Gre zag ik eigenlijk iets groots.    

 

"Wees verheugd" schreef de apostel Paulus aan het begin van de passage uit zijn eerste Korinthenbrief die wij hoorden voorlezen. "Wees verheugd". Dat is een gebiedende wijs. Daar heb je het weer kun je dan denken. Verheugd zijn op commando, dat gaat natuurlijk niet. En toch... die woorden "Wees verheugd" ademen een heel andere sfeer dan het kruisverhoor waaraan de bloedhonden Johannes de Doper onderwerpen. "Wees verheugd" klinkt toch meer als een uitnodiging en als een verlokking. Paulus wil ons er graag toe verleiden, tot dat verheugd zijn. Want verheugd zijn, blij zijn, dat is goed voor je. En hij, Paulus, gunt ons dat. Dus hopelijk gaat het ons een beetje lukken nu Kerstmis in aantocht is. Johannes de Doper, maar ook u, jij en ik, wij zijn niet zélf het licht, maar we mogen van dat licht wél de liefst verheugde en enigzins blije getuigen zijn. Amen.

 

Verkondiging

 

 2e zondag van de Advent, 10 december 2017 in de kerk van OLV Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Marcus 1,1-8

                               Jesaja 40,1-11. Psalm 85. 2Petrus 3,8-14

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist SPE)


We leven in een tijd van realisme. Dagelijks worden we met onze neus op de feiten gedrukt: oorlog en vluchtelingen, honger, corruptie, onderdrukking, geweld tegen vrouwen “here too”, verwoesting van de natuur – het is elke dag hetzelfde liedje, lijkt het wel. We kunnen er ook niet omheen; we willen onze ogen niet sluiten voor de realiteit van het kwade.
                Of, is dit juist een tijd van de hoop? Paus Franciscus is al jaren een profeet van de hoop. Waar hij ook maar komt – van Myanmar tot de daklozen van Rome – hij spreekt van de hoop. Bij welke gelegenheid dan ook – van Wereld Autismedag tot de Wereld Jongeren-dagen – Paus Franciscus getuigt van de hoop. In interviews, toespraken en encyclieken heeft hij het over hoop. Juist in schijnbaar uitzichtloze situaties en te midden van onzekerheid, brengt de huidige paus de wereld een boodschap van hoop: wanhoop niet; wees moedig, sta op, laat een ander geluid horen, wees dienstbaar en barmhartig; je staat er niet alleen voor!
                Mij spreekt dit enorm aan; ik ben Passionist en lid van de Nederlands-Noordduitse provincie die genoemd is naar “Maria, Moeder van de heilige Hoop” [afkorting: SPE]. Die naam geeft aan dat wij, Passionisten, zelf mensen van hoop moeten zijn: hoop uitstralen, hoop tastbaar concreet maken in houding, woord en daad; hoop belichamen, een opdracht.
                Maar is dit zulke hoop wel realistisch? “‘Troost, troost Mijn Stad toch,’  zegt uw God, ‘spreek Jeruzalem moed in’” [Js 40,1]. Deze woorden klinken nogal cynisch na afgelopen week [waarin de Amerikaanse President Trump Jeruzalem officieel tot hoofdstad van Israël verklaarde]. Maar ook in de tijd van Jesaja klonken deze woorden vreemd. Want de Stad lag in puin [cf. Js 52,9] en de bevolking was gedeporteerd [cf. Js 35,10. Ps 126]. Toch is precies dat een kenmerk van hoop: hoop heeft betrekking op datgene waarnaar we verlangen maar wat we nog niet zien. Wanneer we het zien en concreet ervaren, is onze hoop vervuld [Rm 8,24]. M.a.w., hoop is in deze zin nooit realistisch.
                Wel kun je je afvragen waarop je hoop/onze hoop is gebaseerd. “Ik hoop dat het nog goed komt”: een gebroken relatie weer hersteld; een ziekte overwonnen; slagen voor een examen; vrede wereldwijd in plaats van geweld?
                In de lezingen van vandaag zien we dat de hoop die in ons hart gewekt wordt, gebaseerd is op Gods belofte: Hij zegt Zijn volk toe dat Hij komt met gerechtigheid en vrede. Een belofte. En om die belofte kracht bij te zetten, laat Hij die belofte verwoorden door een profeet, Jesaja in dit geval. Jesaja wordt zo als verkondiger zelf een teken van hoop: iemand die zich laat sturen, niet terugschrikt en mensen opzoekt om een ander geluid te laten horen. Een profeet wordt een teken van hoop, omdat door zijn/haar aanwezigheid al iets zichtbaar wordt van het goede waarnaar wij verlangen; de profeten en hun boodschap zijn een concreet begin van het goede dat aan het doorbreken is [cf. Js 43,19].
                Onze hoop wordt gevoed door tekens van Degene op wie wij vertrouwen. Zo zijn naast profeten de Eucharistie en ons samenkomen om Eucharistie te vieren tekens van hoop; het goede van God gebeurt hier – wij worden onderweg door Hem Zelf gevoed – èn het wijst vooruit naar de vervulling ervan. Waarachtige hoop hangt dus niet zomaar in de lucht: “We hopen er maar het beste van.” De hoop die ons doet leven, is gebaseerd op de belofte van Degene op wie wij vertrouwen. Ter vergelijking: als de president van Amerika of Rusland zegt “Het komt goed; het wordt vrede,” zal dit alleen hoop wekken bij de mensen die vertrouwen hebben in die president . Bij mensen die die president wantrouwen, komt de boodschap niet aan.
                Zo werkt dat ook bij de verkondiging van het Goede Nieuws van God: wij kunnen alleen onze hoop vestigen op een profeet (iemand die spreekt en handelt in Gods Naam), als wij geloof hebben, “al is het maar zo groot als een mosterdzaadje” [Mt 17,20]. Ter vergelijking: mensen die deskundig zijn, wekken vertrouwen, want zij weten tenminste waarover ze het hebben. Mensen die wijs zijn, nog meer, omdat zij weten hoe die kennis toe te passen. Mensen die goed zijn, achten we betrouwbaar, omdat ze oprecht zijn en het goede voor anderen bevorderen. Mensen die wijs en goed zijn èn machtig, kunnen rekenen op “het volste vertrouwen”, omdat zij ook echt in staat zijn om dat goede te bewerkstelligen. In die lijn komt de Eeuwige [2Pe 3,8], de Almachtige en Barmhartige, Goede, God, ons absolute vertrouwen toe. Hij is de basis van al onze hoop, zoals we die vaak bezingen.
                Als wij onze huidige tijd een tijd van hoop noemen, erkennen wij dat we de situatie niet zelf in de hand hebben. Hoop komt zonder controle en daarom met geduld. En dat maakt hoop ook lastig in deze super snelle tijd. Want tijd vertalen wij in geld en vrijheid en verantwoordelijkheid worden dikwijls verward met onafhankelijkheid.
                Hoop en geduld zijn niet passief, in tegendeel! Met hoop en geduld erkennen wij wèl dat het initiatief bij God ligt [1Joh 4,19]. Van Hem verwachten wij het goede: éérst luisteren wij [cf. Spr 18,13]. En zo kunnen wij ontdekken: dat ons spreken, àl ons denken en spreken in feite, een antwoord is aan Hem; dat ons liefhebben het doorgeven is van het goede dat wij eerder hebben ontvangen van Hem; dat alles wat wij doen en laten een meewerken is met Hem – “Maak Zijn paden recht [Js 40,3. Mk 1,3], maak je eigen paden recht [Ps 119,5. Ez 18,29].
                Profeten léven van de hoop. Jesaja en Johannes de Doper en de meeste andere profeten hebben tijdens hun aardse leven de vervulling van hun hoop niet gezien. In die zin helpen zij ons om in onze onvervulde tijd geduldig te léven, niet wanhopig te worden, maar juist vol verwachting de beloofde gerechtigheid en vrede tegemoet te gaan [2Pe 3,13] in onze houding, woorden en daden: antwoorden, meewerken, doorgeven – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. Amen.

 

Verkondiging

op 3 december 2017, 1e zondag van de Advent, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Jesaja 63,16b-17;19b;64,3b-8; 1 Kor 1,3-9; Marcus 13,33-37

 

Vandaag begint de Advent. We gaan op weg naar Kerstmis. Ook in de lezingen van vandaag worden we opgeroepen om waakzaam te zijn. Waakzaamheid is iets anders dan angst. Ik leerde al van mijn moeder dat angst een slechte raadgever is. Wees dus niet bang voor de slechte mensen om ons heen. Laat je niet door angst en wantrouwen regeren. Sluit je niet op in je huis, maar wees alert. Waakzaamheid zet ons aan tot handelen. We beschermen ons, onze familie en onze bezittingen. We schaffen toegangshekken aan, bewakingscamera’s en naderingslichten. We bergen onze sieraden en andere kostbaarheden op in een kluis. We barricaderen onze winkelstraten tegen mensen met slechte gedachten. We zijn waakzaam, maar niet bang. We moeten waakzaam zijn, want we kennen dag noch uur. Jezus komt voortdurend bij ons op bezoek in de gestalte van mensen die ons nodig hebben. Laat dat moment niet ongemerkt aan je voorbijgaan. De kunst is om Hem te herkennen: in de medemens die honger heeft, die geen kleding heeft, die geen werk heeft, die ziek is, die in de gevangenis zit of dakloos is, of in de radeloze vluchteling die zijn land moest verlaten en zich hier niet van harte welkom voelt.

 

In een nacht liet Christus mij weten dat hij morgen bij mij op bezoek zou komen. Ik ben meteen mijn huis gaan opruimen en heb de werkster gevraagd te komen stofzuigen. Toen dat allemaal klaar was, ging de bel. Daar stond een collectant aan de deur voor een van de vele goede doelen die ons land kent. Nog voordat hij zich uit kon spreken zei ik tegen hem, ik heb hier nu echt geen tijd voor. Kom een andere keer maar terug. Hierna ging opnieuw de bel. Een Syrische familie nodigde me uit om bij hen te komen eten. Helaas, zei ik, ik heb geen tijd vandaag. Ik krijg zelf bezoek en ik kan nu niet weg. Weer ging de bel. De 85 jarige overbuurvrouw stond op de stoep. Of ik even tijd had om naar haar laptop te kijken en om thee met haar te drinken. Ik zei dat ik nu echt geen tijd had voor haar, terwijl ik weet dat ze zonder laptop erg onthand is. Zo ging de dag voorbij. Mijn huis was schoon en opgeruimd, maar ik ging teleurgesteld naar bed. Die nacht liet Christus mij weten: Ik ben drie keer bij jou aan je deur geweest, maar je had telkens geen tijd. Je hebt de kans aan je voorbij laten gaan.

 

Advent is een vreugdevolle tijd, een tijd van blijde verwachting. We maken ons op voor het grootste feest dat ons ooit is overkomen, de komst van Jezus. Niet alleen als historisch feit. Nee. Het is een opdracht tot op de dag van vandaag. Laat Hem tot jezelf toe, laat Hem komen in je hart. Dat is de opdracht voor de komende vier adventsweken. Werkelijk Advent vieren vraagt veel meer van ons dan een extra deurtje opendoen van een Adventshuisje of een extra kaars branden van de Adventskrans. Je moet wel voor die opdracht open staan. Neem dus je maatregelen. Wees waakzaam en alert. Doe niet alleen een deurtje open van je Adventshuis, maar doe vooral de deur open van je hart. Maak schoon schip, los je schulden in, leg je vetes bij, houdt een familiediner als de verhoudingen verstoord zijn en, vooral, koester je geliefden. Vergeef ook je schuldenaren zoals ook zij aan ons onze schuld vergeven. Zo bidden we dagelijks.


 

Juist in deze Adventtijd moeten we Gods liefde omzetten in liefdevolle zorg en aandacht voor onze medemens, indachtig de woorden van de Heer: “Wat gij aan de minste der Mijnen hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan”. Als we waakzaam zijn, zullen we een ander mens zijn. God zal ons dan nooit slapend aantreffen. Zo wordt de Adventtijd echt een vreugdevolle tijd en zal over vier weken het kerstdiner ons beter smaken.

 

Vandaag wordt hier een kind gedoopt. Ook ouders met kinderen zijn voortdurend waakzaam en alert. Ze sluiten hun kinderen niet op in huis, maar willen hen wel de grootst mogelijke veiligheid bieden. We sturen ze pas de grote wereld in, nadat we ze zo goed mogelijk hebben voorbereid op het leven. Daarom moeten ze naar school en leren we ze van alles: zwemmen, fietsen, sociale vaardigheden, waakzaamheid en bidden. Uiteindelijk zullen ze op eigen benen moeten staan en moeten ze met voldoende bagage hun eigen weg gaan.

 

Aan het begin van hun leven laten we ze dopen. Zo vragen we God dat Hij waakzaam over hen wil zijn. Dat Hij hen wil leiden en behoeden, omdat door het doopsel de naam van het kind voorgoed geschreven staat in de palm van Zijn hand.

 

Amen

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                           

op 26 november 2017, hoogfeest van Christus Koning, in de kerk van Onze Lieve Vrouw koningin van de Vrede te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (34, 11-17), Psalm 23 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen te Korinthe (15, 20-28) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (25, 31-46).

Op zaterdagmiddag ga ik altijd graag even de stad in. Even de deur uit. Even buiten zijn, lopen, uitwaaien en als het kan ergens op een caféterras of desnoods binnen, de krant lezen of een boek. Zo ook gistermiddag. Op de hoek van de Leidsestraat en de Herengracht, waar vroeger de grote boekhandel Scheltema zat, daar gaat nu een kledingzaak komen zag ik. In de étalage hingen al allerlei modefoto’s. Door één foto werd ik speciaal getroffen, een foto van een zwarte jonge man, gemillimeterd haar, vanuit zijn ooghoeken, alsof hij zelf ook een voorbijganger is, kijkt hij de mensen die langs de étalage lopen aan met een wat stuurse blik. Hij draagt een wollen jas, gebroken wit, die hem goed staat, met daarboven een bijpassende geblokte sjaal. Hij loopt er lekker warm bij, die zwarte jongen. Goed zo, want het wordt kouder merken wij.

Ik werd, ik zei dat al, door deze foto speciaal getroffen. En hoe wonderlijk was en is dat eigenlijk. Want: het was druk in de stad. Daar liepen duizenden mensen van wie ik mij er nu geen énkele meer speciaal herinner. Maar die jongen op die foto wel. Waarom? Ik heb mij dat afgevraagd.

Je kunt denken, en zeggen: het is gewoon een foto van een jongen, een zwarte, goed geklede jongen in een étalage. Maar… dat is nu precies het punt denk ik: zo gewoon is dat niet. Als je foto’s van zwarte jongens ziet, dan is dat meestal niet in étalages. En dan staan ze er, in de krant, ergens in Afrika, op zee, of in Amerika, vaak niet alléén op, maar met een aantal of met velen tegelijk. En meestal zijn ze, op zulke foto’s, luchtig gekleed, op wárm weer, en vaak ook háveloos gekleed. Op foto’s in étalages staan meestal witte mensen. En dáárom viel deze ene foto mij speciaal op denk ik: omdat daarop een zwarte jonge man die geen gebrek lijdt, in beeld komt als individú. Niet als Zwarte Piet, maar zélf en: práchtig, als een kóning zou ik vandaag op dit hoogfeest van Chrístus Koning willen zeggen.

Misschien wel het allereerste beeld van een zwart mens dat ik persoonlijk in handen kreeg, letterlijk, als kleine jongen, dat wás het beeld van een koning: het beeld van de zwarte koning van de kerststal zoals die bij mijn ouders in Purmerend nog elk jaar uit de doos wordt gehaald: een zwarte koning, een witte koning en een koning die er qua kleur tussen in zit. En zó is het en zo hoort het: mensen, vrouwen en mannen, welke kleur ze ook hebben, hoe ze er ook uit zien, zijn per definitie koninklijk. Want God is Koning en Hij is onze Vader. En Christus is Koning, Hij is onze broeder. Kinderen van één Vader, koninklijke mensen zijn wij allemaal. En aan ons allen de uitnodiging om in ieder mens, zonder uitzondering, die koning, die koningin, te zien.

Vanzelfsprekend is dat niet. Allerlei mensen kunnen zich níet gezien, níet gewaardeerd en níet gerespecteerd voelen, of: te wéinig gerespecteerd, óndergewaardeerd, niet voor vol aangezien, of zelfs: úitgebuit, en mísbruikt. In de #metoo-perikelen van de laatste tijd en de Zwarte Piet-discussie die sinds een paar jaar jaarlijks opnieuw oplaait worden wij geconfronteerd met nood en klachten van vrouwen en van zwarte mensen. Zie en versta je die nood en die klachten en ben je bereid om er op jouw manier en binnen jouw mogelijkheden aan tegemoet te komen en er iets aan te doen, om te beginnen door hoe je bidt en in het leven staat? Of doe je het af als ‘allemaal onzin’ en gezeur? Wie die laatste mening is toegedaan vergist zich. Zwarte en witte mensen én vrouwen en mannen hebben een héél bepaalde geschiedenis met elkaar, een geschiedenis waarin de witte mensen en de mannen meestal de lakens hebben uitgedeeld en de vrouwen en de zwarte mensen veelal aan het kortste eind hebben getrokken, het nakijken hadden, het onderspit delfden en de pineut waren. Wie dat niet zíet, wie dat niet wíl zien en niet wil beseffen hoe deze geschiedenis van onrecht een rol speelt en dóórwerkt tot op de dag van vandaag, die is blind. En die ziet dus ook Jezus niet staan tussen de zwarte mensen en tussen de vrouwen die zich niet, of onvoldoende, gezien, gehoord, verstaan voelen. Zo iemand herként Jezus niet in die mensen. En als dat zo is, dan mis je als christen dus de boot.

“Het verdwaalde dier zal ik zoeken, het verlaten dier terughalen, het gewonde dier verbinden, het zieke dier sterken” – hoorden wij in onze eerste lezing vandaag op dit hoogfeest van Godswege uit de mond van de profeet Ezechiël. Gods aandacht en zorg gaan uit naar wie in nood zijn is de boodschap. Ik denk: zwarte mensen en vrouwen die zich juist in en vanwege hun vrouw- of hun zwartzijn in hun bestaan verwond voelen, die kunnen en mogen zich door en in deze woorden aangesproken, verbonden, getroost en bekrachtigd voelen. “De vette en sterke dieren zal ik verdelgen” zegt Ezechiël van Godswege. Ja, dat staat er echt. We kunnen de woorden verbinden, denk ik, met wat we hoorden in onze tweede lezing uit Paulus’ eerste Korinthenbrief. Aan het eind zal Christus het koningschap aan God de Vader overdragen staat daar. Christus zal dat doen “na alle heerschappij en macht en kracht te hebben onttroond” schrijft Paulus. We horen in die woorden wat Jezus’ moeder Maria zingt in haar beroemde lofzang, het Magnificat: “Machthebbers haalt hij omlaag van hun troon”.[12] Wie  mensen, zwarte mensen, vrouwen of wie dan ook tot losers, tot verliezers bestempelt en maakt, wie daartoe bijdraagt, die zal zélf verliezen is de boodschap: “Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven” was de laatste zin van onze evangelielezing.

 

“Eeuwige straf” wat is dat? Ik denk, dat begint met: een bord voor je kop hebben en Jezus, de Koning, niet zien, niet willen zien, in mensen die allemaal kleur, geslacht, gender hebben. Dat alles mag je zien. Het is belangrijk, want het tekent mensen, in hoe ze in het leven op weg zijn gezet en gaan speelt het onmiskenbaar een rol. Van de andere kant: je moet je op geslacht, gender, kleur ook niet blindstaren. Je moet er ook doorheen kunnen zien. En Jezus zien in ieder mens en het meest in mensen in nood. Met Hem, met Jezus begint het eeuwig leven. Hij, onze koning, is daartoe de deur. Amen. 

 

Verkondiging

 

op de 33e zondag door het jaar, 19 november 2017, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Mattheüs 25,14-30

                               Spreuken 31,10-13.19-20.30-31. Psalm 128. 1Tessalonicenzen 5,1-6

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Er zijn mensen die alles kunnen. Ze zijn intelligent, sportief, sociaal, goed met cijfers èn met talen, aan geld geen gebrek en ze hebben “the looks” er nog bij [cf. Spr 31,30]. Zij hebben geen vijf talenten; ze hebben er wel tien! En dan kijk je misschien naar jezelf en je denkt… ja, wat denk je dan? Juist voor de mensen die niet veel talenten hebben of zich niet bewust zijn van hun gaven, vertelt Jezus het evangelieverhaal dat we zojuist lazen.

                Mensen met minder mogelijkheden dan anderen zijn wij in feite allemaal; het is maar met wie je je vergelijkt. Verschil in aanleg, gaven en talenten kan iemand onzeker maken en zelfs een gevoel van minderwaardigheid geven. Maar dit verschil is geen reden om je klein te maken en angstig of passief te worden. Angst is sowieso geen goede raadgever, lazen we zojuist al [Mt 25,24-30]. Iedereen heeft minstens één talent gekregen en iedereen is geroepen om met het talent dat hij gekregen heeft, te doen wat hij kan, d.w.z. om ermee te doen waar-voor het bedoeld is. Het feit dat we een talent of talenten hebben gekregen, impliceert de roeping om daar ook iets mee te doen. Zo werken we mee aan de komst van het koninkrijk van God, waarvoor we dagelijks bidden in het Onze Vader [Uw Rijk kome: Mt 6,10 cf. Kol 4,11]).

                Een dienaar met vijf talenten die ze verbrast aan feesten of ze alleen maar gebruikt om er zelf beter van te worden [cf. Lk 16,19-31], beschouwt de gegeven talenten als zijn eigendom. Wij kunnen ons aan hen vergapen, maar vruchtbaar is hun leven niet [Joh 15,16, cf. de sterke vrouw in Spr 31,10vv]. Zulk geluk is niet duurzaam. Anderzijds, iemand met weinig talent die denkt “ik kan niks” of die niks durft, doet eveneens zichzelf tekort èn Degene Die talenten geeft. Voor beiden geldt: als je er niks mee doet, handel je als iemand die ondankbaar is.

                Wie gelooft, kan ontdekken dat wat hij heeft, gekregen is [cf. 1Kor 4,7]. Iedere dienaar heeft tenminste één talent gekregen. In de Bijbel is een talent (waar ons woord talent van afgeleid is,) het geld dat een gewone arbeider in 1.000 jaar verdient. Iedere dienaar, dus ieder van ons, ook degene die maar één talent heeft gekregen, is in feite rijkelijk bedeeld! Daarom al hoeft niemand zich minderwaardig te voelen [1Joh 3,1] of angstig. Want iemand met meer is daarmee nog geen betere mens en van iemand met één talent worden er geen vijf teruggevraagd [Mt 25,15b].

                Toen ik dit evangelie eens met studenten las, ontspon ons gesprek zich echter in een andere richting. We bleven haken bij de verdeling van de talenten: waarom krijgen niet alle dienaren evenveel? Is het niet onrechtvaardig om aan de één vijf en aan de ander minder dan de helft te geven en weer een ander bijna niks? Is dat geen totale willekeur – of, nog scherper gesteld: Is God zo niet totaal onrechtvaardig en willekeurig? [cf. Mt 20,1-15] Met die vraag staat niet alleen de poort op een kier naar wantrouwen of boosheid jegens God, maar ook naar jaloezie t.o.v. je medemens.

                Een interessant gesprek was dat. Zo is dit verhaal niet bedoeld. Die jaloersheid is echter op zich wel herkenbaar. Rijken en armen en wie daar tussenin is, steeds schaamtelozer overtreden we het 10e gebod: U zult uw zinnen niet zetten op iets wat uw naaste toebehoort [Ex 20,17. Dt 5,21]. En we doen dit voortdurend, soms zelfs ongemerkt. Want wie voelt hele-máál niets als familie, vriend, buur of een collega wèl die promotie krijgt, een mooiere, nieuwe auto heeft, een verre reis heeft gemaakt, in de loterij heeft gewonnen, lieve kinderen heeft die het op school beter doen dan die van jezelf [Ps 128,3b] enz.. In het groot zien we dat de ene stad een hoger gebouw wil dan het hoogste gebouw in de andere stad, dat het ene land zich machtiger en rijker voordoet dan zijn buurland. Heel kinderachtig eigenlijk.

                Bovendien, al deze gedachten over wat een ander wel heeft en kan en jij niet, leiden je alleen maar af van je eigen leven. Wie steeds maar met een scheef oog kijkt naar anderen, leeft voorbij aan zijn eigen roeping en levensgeluk.

                Maar in het gesprek met de genoemde studenten ging het dus niet alleen over onszelf, maar ook over hoe het dan zit met God. Zij begrepen heel goed hoe het werkt: de manier waarop wij denken over God heeft consequenties voor de keuzes die wij maken en voor de manier waarop wij met elkaar en heel de schepping omgaan. God is het laatste fundament van een christelijke ethiek. Als God nu willekeurig en onrechtvaardig zou zijn, waarom zou een mens dan niet lui [cf. Mt 25,26], egoïstisch en oneerlijk mogen zijn?

                Waarom krijgt de één veel talenten, een ander minder dan de helft en weer een ander nog net niet niks? Met die vraag proberen we in feite Gods gedachten te lezen. Vruchtbaar is deze benadering nooit; we raken verward in onze eigen gedachten [cf. Js 55,8-9]. Toch dwalen we niet rond in de duisternis [Paulus in de 2e lezing: 1Tes 5,4v]. Johannes spreekt over God als een helder licht [1Joh 1,5 cf. Joh 1,5]. Als wij naar dat licht toe kijken, dus tegen het licht in kijken, als wij tot de kern van dat licht willen doordringen, worden wij verblind – of we zien eerder al niks, omdat we reeds verblind zijn door onze boosheid op God [blind van woede, cf. Ap 12,17] of door onze jaloezie [cf. W 2,21. 2Kor 4,4]. Kijken we daarentegen mee met dat licht, kijken we in de richting waarheen het licht van God schijnt, dan zien we wat Hij verlicht; dan kunnen we gaan zien o.a. hoe Hij aanwezig is en wat Hij doet. Dan ontdekken we dat met veel talenten ook veel verantwoordelijkheid komt (voor de naaste en het algemene welzijn). Dan zien we dat, ook al heb je misschien minder dan een ander, je evengoed geliefd bent en veel voor iemand kunt betekenen, dat ook jij verantwoordelijkheid draagt om het talent dat je van Godswege krijgt, vruchtbaar te maken: sowieso voor je eigen leven en ook voor je naaste.

                In het licht van het evangelie worden wij in plaats van angstig of jaloers bewuste en dankbare mensen. Dankbaar omdat we ons realiseren dat wij geliefd zijn en zo van Godswege tenminste één talent gekregen hebben – genoeg voor 1.000 jaar! En wij realiseren ons dat wij zo zeer goed in staat worden gesteld om gelukkig te worden en gelukkig te maken. Tevens worden wij ons ervan bewust wat onze roeping, wat onze weg is en hoe wij onze levens-vervulling bereiken. Wat een ander gekregen heeft, hoef je daarvoor niet zelf te hebben.

                Onze dankbaarheid hiervoor uiten wij door hier Eucharistie [= dankzegging] te vieren. En daarmee ontvangen wij opnieuw iets van Gods wijsheid en kracht, om met vertrouwen en met inzet van onze talenten voort te gaan op de weg die Hij ons voorgaat en voor ons openlegt – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil [cf. Ps 128]. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                                                       

op 12 november 2017, de tweeëndertigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Wijsheid (6, 12-16), Psalm 63 (ged.), de teerste brief  van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica (4, 13-18) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs ((20, 1-13).

 

Gisteravond, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, gisteravond heb ik zoals dat heet best 'zwaar getafeld'. Mijn goede vriend Michiel Op de Coul en sinds kort zijn vrouw Esther Krikhaar, van wie ik een maand terug het huwelijk had mogen inzegenen, zij hadden mij uitgenodigd. Ik werd verwelkomd met een heerlijk bier van de abdij van Zundert en geitenkaas van Vlieland - de bestemming van de huwelijksreis. En de maaltijd bestond uit courgettesoep van Esther, een door Michiel uitstekend bereide onglant-biefstuk van de Franse slager Alain Bernard van de Albert Cuyp, met gebakken aardappeltjes en spercieboontjes. Het toetje, door Esther bereid, was een crême brulée, een fijne pudding met een saus van gecarameliseerde suiker. Zij schonken bij dit alles een heerlijke Franse wijn, dezelfde als die bij het bruiloftsmaal. We hebben na de maaltijd nog de beelden van de huwelijksviering in de Nicolaasbasiliek bekeken en nagenoten. Om kwart over twaalf was ik thuis en ben ik gaan slapen.

 

De wekker had ik gezet op vijf uur. Keurig ging die af. "Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!" Of, vertaald voor mij: Je bed uit! De preek moet geschreven! Feitelijk ben ik dan toch nog wat blijven liggen. Ik heb de wekker nog een paar keer laten snoozen oftewel op de sluimerfunctie gezet. En gesluimerd heb ik inderdaad: nog half slapend, maar toch ook al half wakker en peinzend over de vraag wat ik u hier vandaag moest zeggen. "Als ik in de nacht op mijn bed aan u denk, dan houd ik u stil in gedachte" klonk het in de drieënzestigste psalm die wij samen hebben gebeden. Dus zo was het een beetje voor mij vandaag in alle vroegte. Wat zeggen? Wat wil God dat ik vandaag tot u zeg? Altijd is dat voor een predikant de hamvraag, het unum necessarium, het enig noodzakelijke,[13] om mee bezig te zijn.

 

Om half zes stond ik dan toch naast m'n bed en zat ik ook al spoedig achter m'n tekstverwerker en maakte een begin met het schrijven van de tekst die ik nu aan het uitspreken ben. Waarom gáát het vandaag in onze bijbellezingen dierbare gasten en parochianen? Om ólie in het evangelie, om olíjfolie waarop in Jezus' dagen ook de lampen brandden. Want zonder brandstof dan wel een energiebron heb je aan een lamp uiteraard niets.

 

Dagelijks om zes uur en om half acht 's ochtend bidden wij hier in onze kerk de zogenaamde lezingendienst en het morgengebed, dat zijn respectievelijk het oude nachtofficie oftewel de metten en de laudes. En om half zes 's avonds bidden wij het avondgebed, de vespers. De grote lichtkronen in de kerk doen wij daarbij niet aan. Enerzijds doen we dat om energie te sparen, maar ook, moet ik zeggen, vanwege de ervaring van licht en duisternis die in de bijbel en de geschiedenis van ons geloof zo geweldig belangrijk is. Wat wij aldus bidden, op gezette tijden, wordt 'getijdengebed' genoemd. Een prachtige term die precies uitdrukt waar het om gaat. Want dat woord 'getijden' kennen wij van de zee. In een onverstoorbaar, eeuwig ritme wisselen in zee eb en vloed elkaar af. En zo is het ook met licht en duisternis. "Het was avond geweest en het was morgen geweest..."[14] In ons christelijk gebed is die eeuwige afwisseling van duisternis en licht vanouds geweldig belangrijk. "De innige barmhartigheid van onze God zal als een nieuwe dag voor ons opgaan, om licht te brengen in het duister en de schaduw van de dood" bidden wij dagelijks met de lofzang van Zacharias in het morgengebed. God is licht.[15] Jezus is licht, het licht der wereld.[16] Wij herkennen Hem als het dag wordt. En als het donker wordt, ontsteken wij kaarsen of lampen. Het avondgebed begint vanouds met een lucernarium, een lichtritueel: om te gedenken en te vieren dat Christus ons licht in de duisternis is. Ook als het donker wordt in je leven blijft Hij bij je - als een licht in je hart. In de nacht komt Hij. Denk maar aan Kerstmis. En denk maar aan het evangelie van deze zondag: "Middenin de nacht klonk er geroep: 'Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!' " Vanouds kent onze kerk nachtwaken. Denk maar aan de Paaswake. Wakker blijven om te bidden. Of in de nacht ópstaan om te bidden. De nachtelijke stilte is daarvoor heel geschikt. 

 

Wij doen bij ons getijdengebed hier in de kerk de grote lichten dus niet aan, maar slechts een kaars, of een paar kaarsen. Iedereen die aan het gebed wil deelnemen wordt verzocht om zelf van huis een lampje mee te nemen. Want je hebt licht nodig om de gebedsteksten te kunnen lezen en om ze méé uit te spreken of zingen. Je kunt een fietslampje gebruiken, of het lampje van de mobiele telefoon - waarop je trouwens ook een app kunt zetten met de gebedsteksten. Er zijn ook een paar bidders die zelfs een bril hebben met leeslichtjes er op gemonteerd. Nou ja, het maakt niet uit: als je maar een lampje bij je hebt dat wérkt. Daar moet je dus aan denken. Zo was het in de begintijd van het christendom. En zo is het in de Vredeskerk in Amsterdam anno 2017. Zorg ervoor dat je lichtje brandt. Keep your lights burning. Christus is weliswaar het licht en altijd aanwezig, ook in volstrekte duisternis als je geen hand voor ogen ziet. Maar jij moet met jouw licht Hem ook wíllen zien en zoeken en vinden. Jij moet ook alert willen zijn op Zijn aanwezigheid en komst. Jij moet in jou ook het verlangen voeden naar Hem. Heel simpel ervoor zorgen dat je lampje brandt helpt daarbij.

 

Het draait, in het evangelie, dus om olie. "Geef ons van jullie olie, want onze lampen gaan uit" zeggen de domme meisjes. "Nee, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons én voor jullie" antwoorden de verstandige, slimme, ja wijze meisjes. Egocentrische, egoïstische krengen zul je bedoelen! - Misschien dénkt u dat wel. En "het gaat in het christelijk geloof toch om breken en delen", om het loslaten van je ego en van zogenaamd 'je eigen bezit'? Zeker gaat het daarom veelgeliefden. Maar in en met die olie toch niet denk ik.

 

De bijbel, ook de evangeliën, die is, veelgeliefden, in geheimtaal geschreven. Je moet het vaak allemaal niet te letterlijk nemen. Het is symbolische taal. Het gaat in de bijbel vaak om iets anders dan waar het om líjkt te gaan. Het gaat in het evangelie natuurlijk helemaal niet over en om olie. Dat zou me wat moois zijn: Je lichtje brandt niet en Jezus wil je niet kennen, Hij wijst je af en je komt er bij Hem niet in - alleen maar omdat je lampje niet brandt.

 

Maar nee, veelgeliefden, zo is het niet. Het gaat niet om olie. Die olie - dat is maar een beeld. Een beeld waarvan? Een beeld van datgene wat niet overdraagbaar is van de ene mens aan de andere, tenzij in een langdurig proces van diepgaande persoonlijke interactie. De ene mens kan niet voor de andere een examen afleggen als proeve van kennis en kunde. Dat gaat niet. De ene mens kan niet voor de andere aan een sportwedstrijd meedoen, daarvoor trainen en daardoor groeien in kracht en macht. De ene mens kan niet voor de andere contact maken met andere mensen en daardoor groeien in verbondenheid, vriendschap en liefde. En ieder mens moet haar en zijn eigen dood sterven. We kunnen dat voor elkaar niet overnemen. En de ene mens kan niet in plaats van de andere tot God, tot Jezus, tot Maria, tot een heilige bidden en daardoor groeien in geloof, hoop, liefde en vrijgevigheid. Nee veelgeliefden, dat moet je allemaal zelf doen. En oefening, in dat alles en nog veel meer, baart kunst. En de aanhouder wint. Zo is dat. En natuurlijk... We kunnen elkaar in, bij en met dat alles natuurlijk wel inspiréren. Goede voorbeelden doen goed volgen. En wie goed doet, goed ontmoet. En zo kan een mens in een positieve spiraal komen, in een opwaartse beweging, hemelwaarts, "de Heer tegemoet" - om met de apostel Paulus in zijn eerste Tessalonicenzenbrief te spreken, onze tweede lezing vandaag.

 

Nee, veelgeliefden, het gaat niet om zomaar olie. Waar gaat het wel om? Reeds in de christelijke oudheid werd onze evangelietekst van vandaag in de kerk voorgelezen in combinatie met de tekst uit het boek Wijsheid die wij vandaag ook hoorden bij wijze van eerste lezing. "De wijsheid (...) wordt gemakkelijk ontdekt door wie haar liefhebben en gevonden door wie haar zoeken. Aan wie haar begeren laat zij zich gauw kennen. Wie vroeg voor haar opstaat (door bijvoorbeeld in de Vredeskerk de lezingendienst en/of het morgengebed te gaan bidden), (die) hoeft zich niet moe te maken, want hij vindt haar voor zijn deur. De gedachten op haar richten getuigt van een volmaakt inzicht en wie wakker blijft voor haar (door bijvoorbeeld een nachtwake te houden), (die) zal snel vrij van zorgen zijn. Want zij gaat zelf rond, op zoek naar mensen die haar waardig zijn, op de wegen vertoont zij zich innemend aan hen, en zij komt hun tegemoet bij iedere gedachte."

 

Et voilà veelgeliefden, daar hebben we het denk ik helemaal. De oplossing van het raadsel, van het mysterie van de olie in het evangelie werd ons in de eerste lezing bij voorbaat op een presenteerblaadje aangereikt. In en met die olie gaat het in wezen om wijsheid. En voor wijsheid geldt precies hetzelfde als voor de kwaliteit van de liefde zoals die in een mens aanwezig is. Wijsheid en liefde, die voor ons uiteraard ten nauwste met elkaar samenhangen, liefde en wijsheid zijn als fossiele delfstoffen, als olie aanwezig op de bodem van onze zielen, als bezinksel van hoe jij met God en de mensen en met wat het leven jou aanreikt bent omgegaan en omgaat. "Het geloof is de vaste grond voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien" stelt de Hebreeënbrief. En zo is het veelgeliefden. In het geloof gaat om onzichtbare maar heel reële,  belangrijke, ja essentiële dingen, om de dingen waarom het leven ten diepste en ook draait en gaat. Wie ben jij als mens? Hoe groot, hoe sterk is jouw liefde, jouw hoop, jouw geloof, jouw wijsheid? Je kunt het allemaal niet zien. Je kunt het niet vastpakken. Je kunt er geen prijskaartje aan hechten. Maar geloof, hoop, liefde en wijsheid zijn in een mensenleven van het hoogste belang, onbetaalbaar, het enig noodzakelijke, het unum necessarium.

 

Iemand berichtte mij afgelopen week dat hij een Porsche 911 Cabrio 3.4 Carrera ǀ ND heeft aangeschaft. Ik heb 't even opgezocht. Zo'n auto kost dus hondervijftigduizend euro. Tja... Ik wens de persoon in kwestie veel plezier en geluk met die auto. Maar hij moet wel weten: het is een auto en geen olie - niet in de evangelische zin althans. In het licht van het evangelie, van Gods wijsheid, is die auto zelfs helemaal niets wáárd en volstrekt betekenisloos. Gistermiddag heb ik zelf bij boekhandel van Rossum in de Beethovenstraat voor vierenveertig euro vijftig een tweetalige uitgave Italiaans-Nederlands van De goddelijke komedie van Dante gekocht, maar daarvoor geldt hetzelfde. Thuisgekomen realiseerde ik mij dat ik vantevoren niet goed genoeg over deze uitgave had nagedacht en dat het misschien tóch wel een impulsaankoop was geweest.

 

Eveneens gistermiddag verzorgde onze Parochiële Caritas Instelling, de PCI, een maaltijd voor dak-

en thuislozen. Ik ben bang dat ik op niet al te inspirerende wijze, met weinig olie, de mensen verwelkomd heb en heb voorgebeden. Ik heb daarbij de gouden kans voorbij laten gaan om gisteren op het feest van Sint-Martinus voor te lezen uit diens vita, de beschrijving van zijn leven: hoe de soldaat Martinus, die niet eens gedoopt was,[17] voor de poorten van Amiens een haveloze bedelaar zag, met zijn zwaard zijn mantel doormidden sneed en 's nachts in een visioen Christus zag - mét die halve mantel om.[18] Ik heb dat verhaal dus niet verteld. Ik raakte wel in gesprek met een frisse zestigjarige man. Hij was afgestudeerd bedrijfseconoom. Maar door een samenloop van omstandigheden was hij alles kwijtgeraakt, zijn familie, zijn huis zijn geliefde. Hij had nu nog een schuld van tienduizend euro, is afhankelijk van hulpverlening en zwerft over straat. Hij is alles kwijt. Maar hij is, zei hij, nu minder eenzaam dan toen hij nog huis en spullen had. Want nu komt hij buiten en maakt meer contact met mensen. Zijn noodlot heeft gemaakt dat hij zich op een nieuwe manier voor mensen en ook voor God geopend heeft. Wij moeten, dierbare gasten en parochianen, wij moeten ons niet vergissen. Een auto, een boek of welk materieel bezit ook, kán en zal ons niet gelukkig maken en redden. Dát kan in ons alleen Gods liefde en wijsheid. Mogen wij daar voor openstaan. Mogen wij er in en er door groeien. Amen.   

 

Verkondiging

                                                                                                                                                        

 

op 5 november 2017, de eenendertigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Maleachi (1,14-2,2+8-10), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonika (2,7-13) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (23,1-12).

 

Zit ik gistermiddag als enige op een caféterras aan de Koemarkt in Purmerend onder een luifel in de regen de krant te lezen, komt er opeens vanuit het café een uitgelaten, verkleed, carnavalesk gezelschap naar buiten. Een jongeman, verkleed als zwerver, neemt op de bank naast mij op het caféterras plaats. Een winkelwagentje met een daarin een deken en lege bierflesjes staat naast hem. Zichzelf begeleidend op een ukelele begint hij een levendig lied te zingen dat begint met de regels "God wordt niet meer aanbeden. Komt dit ooit nog goed? Het niveau gaat drastisch naar beneden. Gaat de haat de wereld overnemen? We zakken door de grond."[19] Ook "het klimaat", "de luchtkwaliteit", "de vleesindustrie", "fake news", "social media", "Trump" en  "een kernoorlog die ik niet wil beleven" passeren in het lied nog de revue. En steeds komt daarin terug, misschien wel twintig keer, het regeltje "Komt dit ooit nog goed?" En ook een paar keer: "Oh we worden uit elkaar gedreven." En het lied eindigt met: "Ik heb het gevoel dat niemand echt verantwoording neemt. En ik heb het gevoel dat jij heel langzaam van mij vervreemdt." Als de zwerver annex ukelelespeler en zanger is uitgezongen, wordt hij door het gezelschap, temidden waarvan uw nederige dienaar met zijn krant zéér verbaasd en verrast was terechtgekomen; hij wordt met een enthousiast applaus beloond. Het vrolijk gezelschap druipt af, letterlijk: onder parapluies de regen in. Enkele mensen, onder wie de zanger met de ukelele, blijven op het terras achter. Ik raak met hem aan de praat. Hij vertelt mij dat het om een theaterproject gaat dat zich op verschillende locaties in de Purmerendse binnenstad afspeelt. Achter het café, in een lekkende tent, wordt met speciale lichteffecten, damp en alleluiamuziek de terugkeer van Jézus geënsceneerd vertelt hij. "Jezus keert terug." Maar: "Jullie moeten het zélf doen." Zo is de boodschap. U begrijpt, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: Wat ik daar op dat caféterras in Purmerend mijn vaderstad, waar mijn ouders wonen en waar ik deels ben opgegroeid; wat ik daar zag, meemaakte en hoorde interesseerde mij hevig. En ik vond het ook een goede opmaat voor vandaag, deze zondag.

 

Wat mij in het lied dat de jonge ukelelespeler zong opviel was dat daarin als eerste probleem waar wij op aarde mee te maken hebben werd genoemd dat "God (...) niet meer aanbeden" wordt. Dit sluit aan bij wat wij vandaag hoorden in onze eerste lezing uit het boek van de profeet Maleachi. Daarin krijgen de priesters er van langs: "Wanneer u niet luistert en wanneer u zich niet om de glorie van mijn naam bekommert - zegt de Heer van de machten - dan laat ik de vloek over u komen, dan vervloek ik de zegen die aan u gegeven is; voorwaar, ik vervloek die, omdat u zich er toch niet om bekommert" - om die "glorie" van God dus.

 

Oef! Heftige taal mensen. En u snapt: zelf priester zijnde, zij het dan van wat wel 'het nieuwe verbond' wordt genoemd, zelf voelde en voel ik mij door deze woorden aangesproken. Want hoe zit dat dan met mij: Hoe bekommerd ben ík om de glorie van Gods naam? Wat houdt dat eigenlijk in: die glorie van Zijn naam? De profeet zegt: "Ik zal zorgen dat u bij het hele volk verguisd en versmaad wordt, omdat u mijn wegen niet hebt bewandeld en in uw lering de mensen naar de ogen hebt gezien. Hebben wij allen niet één vader? Heeft God ons niet geschapen? Waarom bedriegen wij elkaar dan en schenden wij daarmee het verbond van onze vaderen?" Als vraag aan ook mij persoonlijk vertaal ik dat aldus: Bewandel ik wel Gods weg? En hoe authentiek ís het allemaal wat ik hier in de kerk dag in dag uit, jaar in jaar uit verkondig? Praat ik u niet naar de mond? Vertel ik u wat u graag wílt horen? Oftewel: smeer ik u stroop om de mond? Mensen bedriegen elkaar en schenden daarmee het verbond stelt Maleachi. "We zakken door de grond. En ik heb het gevoel dat niemand hier ook maar iets om geeft. En ik heb het gevoel dat niemand hier in harmonie leeft" zong de ukelelespeler gisteren op het caféterras. Betreffen deze profetisch aanklachten, dierbare gasten en parochianen; betreffen die ook mij? En betreffen ze u? Dat is de vraag.

 

De apostel Paulus, in onze tweede lezing vandaag, uit zijn eerste brief aan de christenen van Tessalonika, Paulus begaf zich daarin op glad ijs. Want hij stelt zichzélf daarin ten voorbeeld aan de Tessalonicenzen. Hij geeft hoog op zelfs over zichzelf: dat hij zo hard gewerkt heeft om de mensen niet op kosten te jagen. En dat zij hem zo lief zijn. "Samen met God kunt u getuigen hoe vroom en rechtschapen en onberispelijk wij ons tegenover u, gelovigen, hebben gedragen." Geen Harvey Weinstein, Kevin Spacey of Dustin Hoffman dus, Paulus. Gelukkig maar. Paulus heeft integendeel, zoals hij zelf schrijft, "ieder van u (...) vermaand en aangemoedigd, zoals een vader zijn kinderen", ja hij heeft zelfs "bezworen", om "te leven zoals het past tegenover God, die u roept tot zijn koninkrijk en heerlijkheid." Keurig dus.

 

Spreekt het u aan?

 

Ja... Maar... Paulus begeeft zich met zij woorden zoals gezegd dus wél op glad ijs. Want "Wie zich verheft, zal vernederd worden" zegt Jezus vandaag in de evangelietekst, van Mattheüs, die wij hoorden. En Hij stelt het gedrag van "schriftgeleerden en farizeeën", de godsdienstige professionals van zijn dagen, aan de kaak "die de mensen zware en ondraaglijke lasten op de schouders leggen, maar (die) er zelf geen vinger naar uitsteken." Nou ja... zélf heb ik afgelopen week nog per e-mail als verwijt naar mijn hoofd geslingerd gekregen: "Iets meer begrip voor iedereen die zich hier dagelijks het vuur uit de sloffen loopt zou je niet misstaan." Jaja... De sterkste schouders zouden de zwaarste lasten moeten dragen in onze wereld en ook binnen onze Nederlandse samenleving vinden wij. Maar gebeurt dat ook? Hoe verdeelt Rutte III de lasten? Worden de mensen aan de onderkant een beetje ontzien? Wij vragen het ons af.

 

Paulus is zelf "een farizeeër, uit een geslacht van farizeeërs" horen wij hem uit zijn ogen mond zeggen in het boek van de Handelingen van de Apostelen (23, 6). Dus laat Paulus maar uitkijken. Eigenroem stinkt. En tendeert wat hij schrijft niet naar gesnoef? Jezus schetst een kritisch, ja een wrang, een cynisch beeld van hoe religieuze leiders zich manifesteren en presenteren - met hun brede gebedsriemen en grote kwasten. "Noem niemand van u op aarde vader." Wat zou paus Franciscus, die 'Heilige Vader' genoemd wordt, vandaag over deze evangelietekst zeggen? Ik vraag het mij af en zal het later vandaag ook nagaan.[20] Ja, veelgeliefden, hoe onze Roomse kerk in de loop van de geschiedenis heeft vormgekregen en nog altíjd vormkrijgt, die hele aankleding en titulatuur van de clerus, in het licht van het evangelie van vandaag is het allemaal zeer dubieus. Allerlei kritiek op de kerk zoals de Augustijner monnik Maarten Luther die afgelopen week vijfhonderd jaar geleden met en in zijn beroemde vijfennegentig stellingen op de deur van de slotkerk in Wittemberg spijkerde, wás dan ook zeer terecht en is het nog altijd.

 

Gisteren in die lekkende tent achter dat café aan de Koemarkt in Purmerend werd aan de mensen gemeld dat Jezus op aarde is teruggekeerd. Hoe bestaat het! Dat ik dit nog mee mag maken. Jezus is teruggekeerd maar Zijn boodschap is: Jullie moeten het zelf dóen - verantwoordelijkheid nemen voor deze wereld. Zo is het. Geven wij het dus niet op. Geef jezelf niet op. Geef de anderen niet op. Geef de wereld niet op. Geef de kerk niet op. Laten we aan onszelf, aan anderen, aan onze wereld en ook aan onze kerk blijven werken, schaven, schuren en polijsten. Amen.  

Verkondiging

 

                                                                                                                                                                                           

op 2 november 2017, Allerzielen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (25, 6-9), het boek der Openbaringen van de heilige apostel Johannes (21, 1-7) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jzus Christus volgens Johannes (11, 1-43).

Heb ik 't, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, heb ik 't wéér niet kunnen laten: om voor deze avond van Allerzielen die erg lange evangelietekst over 'de opwekking van Lazarus' te kiezen en voor te lezen. Maar... ik heb er geen spijt van. Want het is een mysterievolle, intrigerende tekst die is als een altijdstromende bron, onuitputtelijk. Altijd weer geeft zo'n tekst opnieuw te denken en kun je daarin nieuwe ontdekkingen doen.

Die twee zussen, Marta en Maria, M en M. Die kennen we ook uit het Lucas-evangelie. Daar horen we, in het tiende hoofdstuk,[21] hoe Jezus bij hen thuis wordt ontvangen. Marta heeft het druk met zorgen, met bedienen. Maria is aan Jezus' voeten gaan zitten en luistert naar zijn woorden. Dat zint Marta niet. Nota bene zegt ze tegen Jezus: "Zeg haar dat ze mij komt helpen". Waarop Jezus zegt: "Marta, Marta, je maakt je zorgen en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen."

Marta is natuurlijk een lieve schat en ongetwijfeld, dierbare parochianen en gasten, bedoelt zij het goed. Maar toch... het beeld dat je van haar krijgt in het Lucas-evangelie is wél enigzins problematisch en niet echt sympathiek. Een hittepetit. Zit een beetje te vitten op haar zus! Dát is het beeld van Marta dat we krijgen bij Lucas. Zoals Johannes haar tekent in onze Lazarus-tekst sluit daar eigenlijk bij aan. Het eerste wat we bij Johannes horen uit haar mond is... opnieuw een verwijt. En ditmaal is Jezus zelf de sigaar: "Heer, als u hier was geweest, zou mijn broer nooit gestorven zijn." Marta, dierbare gasten en parochianen, is er duidelijk góed in: in het anderen de maat nemen en bekritiseren. Zij is 'een kijfziek wijf' ben je bijna geneigd te denken.

Héél opvallend in de tekst was inderdaad dat Jezus, nadat Hij had gehoord dat Lazarus ziek was, bepaald géén háást had gemaakt om hem te gaan bezoeken. "Jezus hoorde (...) van zijn ziekte, toch bleef Hij nog twee dagen waar Hij was" werd ons heel uitdrukkelijk gemeld. En dát lijkt dan weer te corresponderen mét, te 'rijmen' óp de houding van Marta's zus Maria. Want toen Marta hoorde "dat Jezus op komst was, was (ze) Hem tegemoet gegaan." Maar "Maria was thuisgebleven" - werd expliciet vermeld. Het lijkt wel een politierapport... De positie en bewegingen van de handelende personen ten opzichte van elkaar worden nauwkeurig in beeld gebracht. Waaróm gebeurt dat? Wat is de betekenis daarvan? Wat voor zin heeft het?

'Wie geloven haasten zich niet' is een uitdrukking. En ik denk, dierbare gasten en parochianen: Jezus en Maria de zus van Marta in onze Lazarus-passage illustreren die uitdrukking geweldig. En ik denk, veelgeliefden, vaak is het wáár en kun je maar beter wat wachten voordat je tot handelen overgaat. Soms doe je méér en doe je béter... door níet te doen.

Eén van mijn lijfboeken naast de heilige schrift is de Tao te Ching, een Chinees geschrift uit de zesde eeuw voor Christus. Dat gáát precies over dat doen door niet te doen.

 

                                               Zonder de deur uit te gaan kent men de wereld.

                                               Zonder uit het raam te kijken ziet men

                                               de Hemelse Weg.

 

                                               Hoe verder je gaat,

                                               hoe minder je leert.

 

                                               Dus, de wijze zet geen stap

                                               en hij weet.

                                               Hij kijkt niet      

                                               en hij ziet.

                                               Hij doet niet

                                               en hij volbrengt.[22]

 

Jezus heeft is als die wijze. Als het onrustbarend bericht Hem bereikt blijft Hij rustig. Hij raakt niet in paniek. Hij neemt Zijn tijd. En Hij gáát... op Zijn tijd. En zo geeft Hij er blijk van dat Hij de situatie, die ziekte van Zijn vriend Lazarus, aankan en de baas is. Voor die ziekte is Hij niet bang.

Toen Maria hoorde dat Jezus er was, "ging ze op weg", zo staat er, "ze ging op weg, naar Hem toe. Jezus was namelijk nog niet in het dorp, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had." Kijk, daar heb je het weer! Geen haast. Maar dan... "De Joden (...) zagen haar het huis uit snéllen (...)". Nu opeens wel, dus. Door het contrast krijgt het verhaal opeens een geweldige dynamiek. "Toen Maria de plaats bereikt had waar Jezus zich bevond, wierp ze zich, zodra ze Hem zag, voor Hem neer (...)." Ja, dat weten we al uit Lucas: Maria zít graag aan de voeten van Jezus. En Maria zei: "Heer, als u hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn." Ze zegt precies hetzelfde als wat haar zus eerder zei! Precies hetzelfde! M en M. Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet. Maria is toch gezwicht blijkbaar voor haar zus. Ze is omgegaan. Nu klaagt Maria óók al, en alle Judeërs mét haar. Het is één klaagzang en treurboel. En "Jezus onstak in toorn en wond zich op" horen we dan. Ook al! Zelfs Hij! Het wordt een pandemonium! Iedereen maakt iedereen gek. Maar niet heus natuurlijk. Want Jezus weet wie Hij is en Hij weet wat Hij wil en Hij weet wat Hem te doen staat - ook al begint Hij te huilen. Nee, het gaat ook Hém níet in de koude kleren zitten. Hij is wel degelijk aangedaan. En het kost ook Hem heus moeite. Hij is een mens en geen machine, geen robot. "Neem die steen weg" beval Hij. Toe maar. Duidelijke taal. "Maar Heer, de stank, Hij ligt er al vier dagen!" sputtert Marta. "Heb ik je niet gezegd dat je de heerlijkheid van God zult zien als je maar gelooft?" Belangrijke woorden. Ook voor ons. "Als je maar gelooft". Kun jíj dat? Wíl jij dat? Op dit punt in het verhaal denk ik aan die andere Maria, aan 'de grote Maria', aan Jezus' moeder die, ook in het Johannes-evangelie, in Kana waar Jezus van water wijn zal maken, tegen de bedienden zegt: "Wat Hij u ook beveelt, doe het maar." Als je maar gelooft... En Jezus bidt: "Vader, ik dank U dat U mij aanhoord hebt." Ja, je moet zo bidden alsof je gebed al verhoord is... Jezus geeft ons er hier het voorbeeld van - voor ons om na te volgen.

En dan: "Lazarus, kom naar buiten!" "En de dode kwám naar buiten."

Wij zíjn hier op deze avond vanwege de doden, vanwege ónze lieve of minder lieve doden. Maar als wíj bidden zoals Jezus het deed, alsof dus ons gebed al verhoord ís, dan komen ónze doden toch níet naar buiten. Dat wil zeggen: je wéét niet wat er zodadelijk gebeuren zal als je hier naar voren komt en je spreekt de naam van jouw dode of dodén uit. "Lazarus kom naar buiten!" Die naam 'Lazarus' komt naar buiten uit Jézus' mond. En zodadelijk zullen uit onze monden onze namen naar buiten komen. En wat doet dat met en voor jou? En wat doet dat met en voor de dode of dodén? Je weet het pas als je het doet, als je het durft.

 

De Joods-Russische dichter Osip Mandelstam stierf in 1938 als slachtoffer van Stalin in een Siberisch strafkamp. Zijn vrouw Nadezjda kon alleen overleven "door zo stil als water te zijn en zo kort als gras." En zij schrijft aan het eind van haar memoires: "Vanaf de dag van je dood ben ik je spoor kwijt. Ik weet niet waar je bent. Of je me kunt horen. Of je weet hoeveel ik van je hou."[23]

Horen onze doden óns? Lazarus hoorde Jezus! " 'Maak hem los,' beval Jezus, 'en laat hem gaan.' " Dat ook onze doden, veelgeliefden, werkelijk los mogen komen en inderdaad mogen gaan. Hij, onze God, "verscheurt de bedekking die over alle volken ligt, de sluier die alle naties bedekt." Hij "vernietigt de dood en veegt de tranen van alle gezichten" - de woorden van de profeet Jesaja in onze eerste lezing op deze avond. "Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij." - de woorden uit de Openbaring van Johannes in onze tweede lezing op deze avond. Mogen wij in staat zijn, veelgeliefden, om onze doden en onszelf aan deze woorden toe te vertrouwen. Mogen wij ervaren dat die woorden wáár zijn, dat ze waar wórden. Amen.        

Verkondiging

 

 

op de 27e zondag door het jaar, 8 oktober 2017, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Mattheüs 21,33-43
                               Jesaja 5,1-7. Psalm 80. Filippenzen 4,6-9

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)


Beelden blijven beter hangen dan redeneringen. Beeld plus boodschap blijven je bij. De wijngaard was in Jezus’ tijd een herkenbaar beeld, omdat op goede, vruchtbare grond veelal druiven werden verbouwd om wijn van te maken.

                Om een stuk land tot wijngaard te maken, moest men wel een en ander doen: stenen en wilde planten verwijderen, de wijnstokken planten en regelmatig snoeien. Waar wij sloten graven en prikkeldraad zetten, bouwden zij muurtjes, hoog genoeg om het grazende vee en mensen met verkeerde bedoelingen buiten te houden. En omdat in die regio de regen niet zo frequent en overvloedig valt als hier, was en is de irrigatie een grote zorg; zonder water geen oogst en uiteindelijk betekent het de dood van de wijnstokken.

                Daarom leent het beeld van de wijngaard zich zo goed voor het Beloofde Land: door God bereid voor Zijn volk. Het is een rode draad door heel het Oude Testament: de Eeuwige bevrijdt Zijn volk van de slavernij van Egypte – altijd maar werken. Hij laat het wonen in vrede en om die vrede te bewaren en door te geven, geeft Hij instructies (de Geboden) en talenten en inspiratie. Het gegeven land is vruchtbaar. Dus, alle mogelijkheden, alle “succes-factoren” zijn er. Desalniettemin gaan mensen steeds weer heilloze wegen en gaat het mis. Vooral de leiders van het volk krijgen er van langs [cf. Mt 21,23], omdat zij geleerd zijn maar niet wijs, en machtig maar onrechtvaardig. Zij hebben van Godswege het vertrouwen gekregen en hebben voor heel het volk een voorbeeldfunctie, maar maken dit niet altijd waar.

                In het verlengde hiervan kunnen wij Gods wijngaard zien als beeld van de geloofs-gemeenschap: Christus als hoeksteen, als grondlegger van de Kerk [Mt 23,42]; met Hemelvaart vertrok Hij “naar den vreemde” en liet Hij haar over aan wijnbouwers. De bisschoppen en priesters zijn dan de wijnboeren met een grote verantwoordelijkheid, maar in feite zijn wij in deze beeldspraak àllen wijnbouwers. Welke vruchten hebben wij als Kerk door ons doen en laten samen voortgebracht? De laatste jaren hebben vooral de zure druiven de aandacht gekregen. Na een periode van ontkerkelijking werd de Kerk de risee van de maatschappij: “Waarom hebt Gij zijn omheining verwoest, zodat wie langskomt kan plukken? De wilde zwijnen woelen hem om, het vee van het veld graast hem af” [Ps 80,13v. Js 5,6v]. Het gebed in Psalm 80 om bescherming van de wijngaard is oprecht. Toch maken zowel de profeet Jesaja als Jezus ons ervan bewust dat de hulp van boven dóór mensen komt, door de wijnbouwers, door ons. Want wij worden door de Heer geroepen, begiftigd en geïnspireerd, om mee te werken in Zijn wijngaard en zoete druiven te oogsten [cf. Mt 20,1].

                De beeldspraak van de Schrift hoeft niet beperkt te worden tot de Kerk. De Heer heeft immers heel de aarde geschapen [Ps 124,8] als een tuin [Gn 2,8], als een wijngaard [Js 24,13. Ap 14,14-19]: vruchtbare grond, geschikt gemaakt om te bewonen [Js 45,18] en om er de vruchten van te eten [Ps 67,7]. De Schepper laat de aarde met al wat erop is over aan de zorg van mensen. Echter, de mens gaat er vervolgens mee om alsof het zijn eigendom is. Wij planten onze vlaggen: “Dit land is van mij, van òns!” [cf. Mt 21,38] In gelovig perspectief is echter niets op aarde van ons, maar alles van Degene Die wij “God” noemen [Ps 24,1v]. “God” is in deze zienswijze geen concurrent van de mens of een schuldeiser, maar de Garantie dat wij nooit bang hoeven te zijn [Ps 46]. Daarom is Hij zeer welkom in ons leven [Ps 24,5-10 vs. Mt 21,38v].

                De wereld als de wijngaard van God: het is een nòg krachtiger beeld dan de seculiere ekologische bewegingen en mensenrechtorganisaties gebruiken; want wij, gelovigen, zorgen voor mensen van nu en beheren de aarde voor het nageslacht uit dankbaarheid, omdat wij ons realiseren dat àl het goede ons door Hem gegéven is! [cf. 1Kor 4,7. Fil 4,6] De heilige Franciscus van Assisi die wij deze week (4 oktober) vierden, lééfde vanuit die dankbaarheid. En in onze tijd bevordert zijn naamgenoot, onze huidige paus, Franciscus, in zijn schrijven (o.a. Laudato Sí) en in alles wat hij doet een levenshouding die zoete vruchten voortbrengt.

                De wereld, de Kerk, onze eigen familie, ons eigen leven, lichaam en ziel [bijv. Hl 1,6. 8,12] als een door God gereedgemaakte wijngaard... In het verhaal stuurt de Heer dienaren en Zijn Zoon om de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen. M.a.w., de profeten en Christus komen niet zozeer iets brengen, ons vertellen wat wij moeten doen; veeleer zendt de Eeuwige zulke mensen op onze levensweg om het goede, het levengevende in ons naar boven te halen. Het doel is dat wij dáádwerkelijk vruchtbaar zijn in waarachtigheid en goedheid voor elkaar en voor alles wat ons is toevertrouwd [Fil 4,8]. Gezanten van Godswege kun je herkennen in de grote voorbeeldfiguren van deze tijd, maar eveneens in vriend èn vreemdeling die ons wakker schudden en confronteren, onze vruchtbare grond omwoelen en ons bijsnoeien, zodat het beste in ons naar boven komt: geen wilde, maar zoete druiven.

                Het smeekgebed van Psalm 80 heeft betrekking op de wijngaard van Gods volk en daarmee ook op heel de mensheid en ieder van ons; wij genieten als mens de bijzondere liefde van de Schepper. In Zijn ogen zijn wij deel van het probleem, maar bovenal heeft Hij ons gekozen als een essentieel deel van de oplossing. Want zonder wijnbouwers zal Zijn wijngaard compleet verwilderen. Kortom, wie Psalm 80 bidt, beseft niet alleen de realiteit van de krisis van “Stad en wereld”, maar vooral ook de gegeven mogelijkheden om als Gods wijngaard goede vruchten voort te brengen.

                Zoals Hij met regen vruchtbare grond drenkt en ranken zoete druiven laat voort-brengen, zo voedt Hij ons in de Eucharistie. De eucharistische wijn is zoet, opdat wij ook próéven hoe goed de Heer is [Ps 34,9]. In de ervaring hier van verbondenheid met Hem en met elkaar kunnen wij nog bewuster van binnenuit groeien in de vrede die ons leven vervult [Fil 4,9]. Dus: niet altijd maar werken, als slaven in Egypte, maar de wijngaard, de erfenis van het Rijk Gods dankbaar ontvàngen en het beste dat eruit voortkomt teruggeven en delen, omwille van het geluk dat blijft, nu en hierna. Amen.

                                                                                                                                                                                                                          

Verkondiging

 

op 24 september 2017, de vijfentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (55, 6-9), Psalm xx, uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Filippenzen (1, 20-27) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (20, 1-16).

 

'Verkeersregelaars' worden ze genoemd. Dat stáát ook, helm op het hoofd, met grote zwarte letters op de fluoriscerende felgele of -oranje hesjes die ze dragen. Je vindt ze bij wegopbrekingen of -afsluitingen, als er wat aan de hand is in de stad. Hun taak is: het in goede, veilige banen leiden van het verkeer, van de wilde, ontembare Amsterdamse fietsers met name. Geen gemakkelijke taak. En ik denk ook vaak een ondankbare taak. Want fietsers luisteren vaak niet. En ze zijn misschien ook niet altijd even vriendelijk tegen de verkeersregelaars. En toch: die staan daar maar, soms vele uren achtereen. Het kan gebeuren dat je op een dag 's morgens én 's middags op een bepaald punt passeert en dan constateer je: Hé, hij staat daar nóg, met helm en hesje, die grote, oudere man met baard of die jonge vrouw of man, kaaskop dan wel met wortels elders in de wereld.

 

Het is vast geen dikbetaalde baan. En vast werk is het ook niet. Nee, ongetwijfeld is het werk op uurloonbasis. Steeds meer mensen in Nederland wérken op basis van flexwerkcontracten. En dat is voor de werknemer een wánkele basis. Als men je nodig heeft, dan kun je werken. Heeft men je niet nodig, dan zit je zonder. Geen stabiele basis dus om je bestaan op te bouwen, niet voor alleenstaanden en niet voor mensen met kinderen. Gelukkig hebben wij in Nederland nog altijd (hoelang nog? vraag je je wel eens af) een 'sociaal vangnet', de bijstand, maar kom daar maar eens van rond. Ongetwijfeld valt dat níet mee.

 

Tja, dierbare gasten en parochianen, in dat aardse bestaan van ons heb je heren (en dames) én je hebt knechten, ondergeschikten, mensen die lákens uitdelen én mensen die afhankelijk zijn, mensen bij wie het geld met scheepsladingen tegelijk binnenstroomt én mensen die een heel karig bestaan leiden. In het evangelie van deze zondag vraagt Jezus onze aandacht voor die laatsten, voor de flexwerkers, bijvoorbeeld de verkeersregelaars, mensen die er op kruispunten, temidden van het drukke verkeer, letterlijk en figuurlijk gekleurd op staan. "Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?" vraagt de landeigenaar in het evangelie aan de werkers van het elfde uur?" "Omdat niemand ons gehuurd heeft", zo luidt het antwoord. Bedenk eens, veelgeliefden, welke beleving van onzekerheid, leegte, zorgen en treurnis er in en achter die woorden kan zitten en kan schuilgaan: "Niemand heeft ons gehuurd." - Je moet het maar zijn.

 

Eén denarie krijgen ze, állemaal: de werkers van het eerste uur precies evenveel als die van het laatste uur. Eén denarie, hoeveel is dat? Destijds het dagloon van een goedbetaalde arbeider. Die moest daar tien tot twaalf uur voor werken. Het was wat een mens nodig had voor een menswaardig bestaan, om zichzelf, wederhelft en kinderen eventueel, goed in leven te kunnen houden. Die landeigenaar, beeld van de bestierder van het "koninkrijk der hemelen" waarover Jezus spreekt, zíet dat dus en is zich daarvan bewúst: wát mensen nodig hebben om te leven. En dát is voor deze, die landeigenaar, dus de nórm: wat mensen gewoon nódig hebben. En dus niet: of wat de één krijgt voor zijn of haar werk, voor de gemaakte uren, wel precies in verhouding staat tot wat de ander krijgt. Altijd vergelíjken mensen hun eigen positie met die van anderen. En vaak hebben zij, hebben wij, daarbij de neiging om méér naar mensen te kijken die méér hebben en krijgen dan wijzelf, dán naar mensen die minder hebben en krijgen dan wij én om ons dan, zoals dat heet, 'tekort gedaan' te voelen, minder bedeeld, met alle jaloezie, naijver, kinnesinne, zurigheid, onaardigheid van dien. Geen royale sfeer. Geen sfeer waarin mensen elkaar wat gunnen. Maar zó, veelgeliefden, zo is níet de sfeer van dat koninkrijk waar Jezus het altijd maar over heeft. In dat koninkrijk, dat hier en nu bij ons in de kerk al begint, opnieuw begint en gestalte zou moeten krijgen, de sfeer van dat koninkrijk is wél royaal. 'Royaal' dat betekent: 'koninklijk'. Als mensen die willen horen bij dat koninkrijk van Jezus, mensen die daar deel van willen uitmaken, als zodanig zouden wij royale mensen moeten zijn, mensen die elkaar wat gunnen, mensen die elkaar vanalles gunnen, mensen die elkaar véél gunnen, mensen die blij zijn als het een ander góed gaat en die daar gráág aan meewerken, mensen die niet gefixeerd zijn op de vraag "Waar heb ík recht op?" maar wier bekommernis is: "Wat hebben ménsen nodig?"

 

Een vrouw die ik ken bezoekt elke week haar bejaarde ouders. "Dat hebben ze gewoon nodig" hoorde ik haar laatst zeggen. En dat raakte mij. Want zij, die vrouw, zíet dat dus. Zij voelt dat dus áán: wat haar ouders nodig hebben. Ze ziet het, ze voelt het aan en ze voelt zich geroepen en is ook bij machte, in de omstandigheden, om er gehóór aan te geven, om er op in te gaan, op wat haar ouders "gewoon nodig" hebben. Ze doet het. Ze bezóekt haar ouders wekelijks. Niet omdat het moet, niet omdat het verplicht zou zijn, maar omdat haar gevóel het zegt. Prachtig is dat veelgeliefden. Zó, dáármee begint dat koninkrijk. Wie zo ziet, voelt en doet geeft gestalte aan Jezus zelf. Hopelijk is die vrouw over wie ik spreek daarbij ook in staat om de vraag of haar broers en zussen, want die heeft ze, hopelijk is ze in staat om de vraag of die anderen wel evenveel doen voor hun ouders als zij, hopelijk kan zij die vraag helemaal loslaten. Want die anderen zijn niet zij. Hun levensomstandigheden zijn anders. Zij hebben hun eigen roeping, mogelijkheden én beperkingen. De verhouding die zij hebben met hun óuders is weer een andere. Zij hebben hun eigen aanvoelen. Zij doen het op hun manier. Hopelijk worden zij geïnspireerd door het voorbeeld van hun zorgzame zus. Ja, eigenlijk denk ik wel dat het zo werkt. Woorden wekken, voorbeelden trekken. Mensen die elkaar inspireren, daardoor groeit Gods, Jezus' koninkrijk.

 

Gisteren was het burendag. In het hele land hebben mensen in dat verband initiatieven genomen. U ook? Of hebt u zichzelf laten betrekken bij een initiatief van anderen? Hebt u meegedaan? Doe je mee of blijf je aan de kant staan? Altijd weer is dat de vraag. Wil je betrokken zijn bij en op je buren? Of wil je dat niet? Sta je open voor contact? Of sluit je jezelf af en op?

 

Oók gisteren hadden zestig asielzoekerscentra in Nederland open dag. Zevenentwintigduizend mensen zijn daar in het hele land op afgekomen. Een ontroerend gegeven vind ik dat: dat er zoveel mensen zijn die de moeite nemen om er gewoon zelf eens naar toe te gaan, te kijken, kennis te maken. Het NOS-journaal gaf beelden vanuit Utrecht-Overvecht, een wijk waar in het verleden sprake is geweest van grimmig, hard verzet tegen de komst van een AZC. Nu is er een project van jongeren, studenten, die met vluchtelingen samenwonen in één complex. Van verzet of overlast is geen sprake werd ons gemeld. En verzaligd zagen we Gerard Bakker, de directeur van de COA, de Centrale Opvang Asielzoekers, vertellen over dit soort nieuwe initiatieven in het kader waarvan Hollanders en vluchtelingen echt met elkaar leren omgaan. Zó, veelgeliefden, begint een nieuwe, een andere wereld, Jezus' koninkrijk.

 

In de krant van gisteren stond een interview met radiomaker Frits Spits. Hij is de zoon van een moeder wier ouders in Auschwitz vermoord werden. Verschrikkelijk heeft ze die ouders gemist. "Iedere avond kuste ze voor het slapengaan hun foto." En toch, zegt Spits, hebben zijn ouders "op de puinhopen van de oorlog weer een bestaan opgebouwd, kijkend naar de toekomst, niet naar het verleden. Er was geen sprake", zegt hij, "van omzien in wrok, integendeel mijn vader geloofde heilig in een nieuwe wereld. Ik ben eerlijk gezegd heel blij dat hij niet weet dat Engeland binnenkort uit de EU stapt. Dat had hij zo verschrikkelijk gevonden. Hij is in de oorlog in Engeland opgevangen. Alles wat Brits was, vond hij nadien geweldig. Hij reed in Engelse auto's, rookte Engelse sigaretten. Dat nu datzelfde Engeland uit de EU stapt, had hij niet kunnen verkroppen. Hij zou verbijsterd naar het populisme van vandaag hebben gekeken. 'Weten ze dan niet wat er gebeurd is? Zien ze de gevaren dan niet?' Datgene waar mijn vader voor stond, zit ook in mij. Migranten zijn geen nummers maar mensen. Mijn eigen ouders zijn gevlucht en opgevangen. Daardoor besta ik."[24] Tot zover Frits Spits. En hij staat met zijn visie, dezelfde als die van zijn vader, denk ik "niet ver van het koninkrijk van God".[25]

 

In dat koninkrijk, veelgeliefden, zijn mensen geen nummers. Daar is voor ieder ruimte. Daar gunnen mensen elkaar alles. In dat koninkrijk dragen mensen geen fluoriscerende hesjes, maar staan ze in het Licht. Mogen wij allen tot dat koninkrijk behoren. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                                           

 

op 10 september 2017, de drieëntwintigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (33, 7-9), Psalm 95 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (13, 8-10) en uit het heilige evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (18, 15-20).

 

                                                                              Een mens te zijn op aarde,

                                                                              is eens voorgoed geboren zijn,

                                                                              is levenslang geboortepijn.

                                                                              Een mens te zijn op aarde

                                                                              is leven van de wind.

 

                                                                              De bomen hebben wortels,

                                                                              de bomen mogen stevig staan,

                                                                              maar mensen moeten verder gaan.

                                                                              De bomen hebben wortels,

                                                                              maar mensen gaan voorbij.

 

                                                                              De vossen hebben holen,

                                                                              de mensen weten heg nog steg,

                                                                              zijn altijd naar hun huis op weg.

                                                                              De vossen hebben holen,

                                                                              maar wie is ónze weg?

 

                                                                              De mensen hebben zorgen.

                                                                              Het brood is duur, het lichaam zwaar.

                                                                              En wij verslijten aan elkaar.

                                                                              Wie kent de dag van morgen?

                                                                              De dood komt lang verwacht.

 

De tekst van een lied van Huub Oosterhuis. Uit 1965. Het lied van de mens op aarde. Zo heet het.

 

                                                                              Levenslang geboortepijn.

                                                                              Mensen moeten verder.

                                                                              Mensen gaan voorbij.

                                                                              Mensen zijn altijd naar hun huis op weg.

                                                                              En: Wij verslíjten aan elkaar.

 

Ik denk, dierbare gasten en parochianen: Het is goed, kernachtig, treffend en mooi gezegd. Het zijn allemaal wáre woorden. Zo ís ons leven op aarde. En zó is ook ons leven samen, als christelijke geloofsgemeenschap. Voor mij als parochiepastor sluit de tekst sterk aan, zowel bij de bijbelpassages die wij op deze zondag hoorden als bij allerlei ervaringen die ik in kerkelijk verband in de loop der jaren heb gehad. Allerlei herinneringen roept deze liedtekst bij mij op. Namen en gezichten van allerlei heel concrete mensen duiken in mijn geheugen op. Ik zie ze voor mij die mensen.

 

Levenslang geboortepijn. Ja, leven kan pijn doen. Het is de pijn van het groeien, de pijn van het ouder worden. Het is pijn van het lichaam en pijn van het hart. En die laatste pijn is per saldo altijd de grootste - de pijn die we elkáár bezorgen. Het is de pijn van de frictie en van het conflict. De een bezeert zich aan de ander. Mensen doen andere mensen dingen aan. We lijden vanwege elkaar. We dóen elkaar pijn. Wij verslíjten aan elkaar. Ja, ... dat kun je wel zéggen... 

 

Mensen moeten verder. Ja, "we doen altijd maar voort" zoals de Vlamingen zeggen. Al te lang stilstaan bij ellende, onenigheid, pijn kan niet. Je moet verder. Wíj moeten verder. En dat kunnen we doen soms, dat verder gaan, alsof er niets gebeurd is. Opgeruimd staat netjes. Zand erover. En Hupsakee. Klaar is Kees. Daar gaan we weer.

 

Tja...

 

Mensen gaan voorbij. Zo is dat. De bomen hebben wortels, de bomen mogen stevig staan, maar mensen moeten verder gaan. De bomen hebben wortels, maar mensen gaan voorbij. Wij bewegen ons door de buurt, door de stad en over het aardoppervlak. Wij nemen de benenwagen. En soms nemen we de benen, dan hollen we hard weg. Mensen gaan voorbij. We verliezen mensen aan de dood. Mensen sterven. Het wordt herfst, het weemoedige jaargetijde. De blaadjes vallen van de bomen. En zo gaat het ook met de mensen en met je huisdieren, met je dierbaren. Je verliest ze. Ze gaan dood. Zodadelijk is het weer 2 november, Allerzielen. Ja mensen gaan voorbij. Je verliest ze aan de dood of soms ook aan het leven. Mensen nemen afscheid van elkaar. Ze verdwijnen uit het zicht. Opeens zijn ze vertrokken. Je ziet ze niet meer. Er is iets gebeurd. Het voelt niet meer goed. Iemand, mensen voelen zich niet meer thuis bij je, bij ons. En ze zoeken hun heil elders. Ze zijn er nog wel, nog ergens. Maar ze leven op afstand, ver weg of dichterbij, soms zelfs héél dichtbij. Maar het contact is verbroken. Soms zien mensen elkaar nog wel, van een afstandje. Maar als ze elkaar passeren, dan doen ze of ze elkaar niet zien. Gesproken wordt er niet meer met elkaar. Hoogstens wordt er nog een praatje gemaakt.

 

Ja, mensen gaan voorbij en moeten verder. Máár: Mensen zijn óók altijd naar hun huis op weg. Je wilt thuis zijn, geborgen, veilig. Maar wáár ben je thuis? Bij wie ben je thuis? Mensen kunnen echt 'hun huis kwijt zijn' zoals dat heet. Want ze zijn verhuisd. Of er is iemand vertrokken. En daardoor is je huis je huis niet meer. Het voelt leeg. De ziel is er uit.

 

Uiteindelijk, dierbare gasten en parochianen, hebben wij op aarde geen vaste woon- of verblijfplaats. "Óns vaderland is in de hemel" schrijft de apostel Paulus in zijn brief aan de Filippenzen.[26] Van dát vaderland is elk kerkgebouw dus ook het onze een beeld. En kun jíj dat zo zien? Van dat vaderland is elke kerkgemeenschap dus ook de onze een vooruitgeschoven post. En kun jíj dat zo ervaren? Onder ons, met elkaar, zou dat vaderland (Jezus spreekt altijd over 'koninkrijk'); onder ons zou het al een beetje zichtbaar, merkbaar, voelbaar moeten worden. Maar... is dat ook zo, voor ons? Tijdens de viering van de heilige eucharistie, zeker op zondag, wél denk ik. Maar vaak genoeg of misschien wel veel te vaak kunnen we daarbuiten in allerlei toestandjes met elkaar verzeild raken die bepaald níet ideaal en paradijselijk zijn. "De liefde tussen de broeders en zusters is vaak ver te zoeken" schreef onze bisschop Jozef Punt in zijn beleidsnota Nieuwe tijden, nieuwe wegen.[27] En hoe wáár is dat.

 

Tja.

 

Waar gehakt wordt vallen spaanders. En wij verslijten aan elkaar.

 

Hoe moeten wij, veelgeliefden, met dat soort omstandigheden omgaan?

 

Ik denk dat het in de bijbellezingen van deze zondag dáár over gaat.

 

Wij moeten niet schromen om elkaar aan te spreken op elkaars gedrag als wij denken dat daar iets aan schort of mee mis is. Dat lijkt mij van zowel de eerste lezing uit het boek van de profeet Ezechiël als van de evangelietekst van Mattheüs de duidelijke boodschap. "Mensenkind, ik heb u als wachter over het volk aangesteld." "Alles wat u van Mij te weten komt moet u hun (...) meedelen". Zo hoorden wij Ezechiël spreken. En ik denk, veelgeliefden, in die woorden mogen wij allemaal een roeping ervaren: Wachter zijn van Godswege, door Hem, door Zijn Geest, die van Jezus geïnformeerd, van binnen zelf gevormd. En op basis daarvan waakzaam zijn, op de eerste plaats jezelf en op de tweede plaats ook ándere mensen bewaken, de wacht bij hen houden. Weet u nog, de herders in de kerstnacht die waakten bij hun kudde?[28] Zó toezien op mensen, of het wel goed met hen gaat, zorgzaam zijn. Het is góed om zo te zijn en goed om te doen denk ik, of nee, dat weet ik wel zeker. En als je jezelf zorgen maakt om iemand, dan is het een goede zaak om hem of haar onder vier ogen op een goede manier daarover te benaderen en aan te spreken in de hoop dat je in een vertrouwelijke, welwillende en prettige sfeer erover met elkaar kunt spreken. Van iemand die zich geroepen voelt om zich op dit vlak te begeven, en dat is soms glad ijs, dat vlak, vraagt dat veel aandacht, liefde, inzet, durf en tact. Dit, veelgeliefden, is stap één en wel: de belangrijkste dunkt mij. Helaas echter wordt deze stap maar al te vaak overgeslagen. Want, ik zeg het als deze evangelietekst op het menu staat altijd weer, maar dat is nodig: Als er met iemand iets loos is, dan zie je maar al te vaak dat er met jan-en-alleman over gesproken wordt, behálve met degene om wie het gaat. En daardoor kom je gemakkelijk in de sfeer van roddel en achterklap terecht. En dat zij verre van ons veelgeliefden. Jezus geeft dat heel duidelijk aan zo dunkt mij: "Als je broeder (of: je zuster) je iets misdaan heeft, (dan) moet je hem (of: haar) dat onder vier ogen zeggen." Hopelijk helpt zo'n gesprek, lost het iets op. Als het goed is, als je goed met elkaar bent en goed met elkaar spreekt, dan wél natuurlijk. En dan is iedereen blij en opgelucht. En dan groei je met elkaar in verbondenheid, betrokkenheid en liefde. "Laat uw enige schuld de onderlinge liefde blijven" schreef Paulus in de passage uit zijn brief aan de Romeinen die wij in onze tweede lezing vandaag hoorden.

 

Maar wat nu te doen als het niet lúkt, wat als je níet tot elkaar komt? Wat als de boosdoener, in jouw ogen, naar jouw hopelijk door God, door Jezus' Geest goed gevormde inzicht; wat te doen als hij of zij niet luisteren wil? Het woord 'boosdoener' kwam in onze eerste lezing, van Ezechiël, maar liefst vijfmaal voor. Dus dat was wel heel erg veel 'boosdoener'. "Weest niet halsstarrig" hebben wij met elkaar gebeden in het refrein van de vijfennegentigste psalm. En het is waar: mensen, wij, kúnnen halsstarrig zijn, een stijve nek hebben. En inderdaad kan onze impressie en visie zijn: dat het met zo iemand, met wie jij tevergeefs hebt geprobeerd in gesprek en verder te komen, dat het met zo iemand érg verkeerd en mis gaat en dat jij je daarover érg veel zorgen blijft maken. Wat dán te doen? Ja, zo maakt Jezus duidelijk, dán kun je die zorgen natuurlijk met een of twee mensen delen en kun je het samen met hen misschien nóg eens proberen bij de veronderstelde boosdoener. Wie weet kom je er dan samen wél uit. Ik weet veelgeliefden: Het klinkt misschien allemaal heel moeizaam. En het kóst veel moeite, inspanning en tijd. Ik kan erover meepraten. Maar dit is wel: zorgvuldig met mensen om gaan.

 

Dit was dus stap twee.

 

Maar dan is ook nog een derde stap mogelijk: Als ook zo'n gesprek met z'n drieën of z'n vieren niet helpt, dan kun je, ten einde raad eventueel, de zaak, de problematiek waarom het gaat; je kunt die dan altijd nog publiekelijk aan de orde stellen, bijvoorbeeld op zondag in het kader van de verkondiging, de preek. Soms is dat goed, belangrijk en zinvol om te doen. Ik herinner in dit verband nog maar weer eens aan de uiterst pijnlijke en problematische materie van seksueel misbruik in kerkelijk verband. Afgelopen week was daarover bij Canvas op t.v. weer een uitvoerige reportage waar ik toevallig inviel.[29] Een paar jaar terug hebben de media er geregeld bol van gestaan. En ik heb steeds gesteld: in zulke omstandigheden is het niet reëel en geen goede zaak als je daar op zondag in de kerk niets over hoort, hoe moeilijk dat ook is: als dat onderwerp ook in de kerk zélf ter sprake wordt gebracht. Liever zouden we er misschien met een grote boog omheen lopen en onze oren ervoor sluiten. Maar als we dat doen, veelgeliefden, dan wordt de zaak waar het om gaat óók weer gemakkelijk onder het tapijt geveegd en in doofpotten gestopt en blijft onze kerk op zo'n punt maar voortdoen zoals ze al veel te lang heeft gedaan en dat kan echt niet meer. Want mensen worden het slachtoffer van die manier van doen. Dat was precíes de strekking van die Canvas-reportage.

 

Gistermiddag hebben wij met z'n drie op de kop van de Albert Cuyp in het kader van het initiatief 'Kerkproeverij' (Back to the Church) van de Raad van Kerken kaarsen aangereikt aan de bezoekers van de markt. Soms namen mensen die kaarsen aan, vriendelijk of minder vriendelijk. Velen keurden ons ook geen blik waardig of reageerden bars of bits. En even was daar ook een heel emotionele ontmoeting met een mevrouw met veel pijn, precies op dat punt van misbruik. Zo is dat veelgeliefden. Dit issue blíjft voor mensen gewoon een belangrijke rol spelen in relatie tot ons geloof en onze kerk. Dus niets onder het tapijt. Voor de draad ermee. Het is van groot belang dat het misbruik-issue en seksualiteit en relatievorming überhaupt op onze kerkelijke agenda blijven staan. "Zeg het (...) tegen de gemeente", tegen de verzamelde geloofsgemeenschap, zegt Jezus.

 

"Als hij zelfs naar de gemeente niet luistert, beschouw hem dan als een heiden en een tollenaar." Ja, veelgeliefden, er zijn van die situaties, als we werkelijk alles hebben geprobeerd en uit de kast gehaald om met mensen in contact te raken en te blijven en hen de hand te reiken, dat 't tóch kan gebeuren en vóórkomen dat je moet zeggen: Mij is het niet gelukt. Mij is het niet gegeven. Wat móet je dan nog? Wat kún je dan nog? Mensen gaan soms huns weegs. Het kan gebeuren dat ze zich met hard feelings, met frustraties los maken van onze gemeenschap. Dat is altijd spijtig. Dat is altijd tragisch. "Beschouw hem dan als een heiden of een tollenaar" horen we Jezus zeggen. Dat klinkt niet zo sympathiek. Dat klinkt hard ook. En wij herinneren ons juist bij deze woorden ook, hoe Jezus door Jericho trekt en daar, verschanst in een boom, de tollenaar Zacheüs ontwaart en hem róept: "Zacheüs, kom vlug naar beneden. Want vandaag moet ik gast zijn in jouw huis."[30] En dát zijn woorden die verwarmen. Ik denk: bij Jezus is een nieuw begin altijd mogelijk. Zeg bij Hem nooit nooit. Dus zo zou het ook bij ons moeten zijn, bij en in de gemeenschap die rond de voor ons gestorven en verrezen Heer voortdurend bijeenkomt. "Wat jullie op aarde binden, zal ook in de hemel gebonden zijn. En wat jullie op aarde ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn." Híj, veelgeliefden, heeft 'het', zijn hele nalatenschap, óns toevertrouwd, elk van ons afzonderlijk en ons als gemeenschap. Open jij en open ik en openen wij samen de hemel voor mensen? Of sluiten wij mensen ervoor af en er van buiten? Ik hoop het eerste veelgeliefden. Want wie mensen afhoudt van de hemel komt er zelf ook niet in.[31]

 

"Ik verzeker jullie, als er twee van jullie eensgezind iets vragen hier op aarde, om het even wat, dan zúllen ze het krijgen van mijn vader in de hemel." Ik denk veelgeliefden: wérkelijke eensgezindheid op aarde tussen mensen, mensen die zich bij elkaar volkómen veilig, geborgen en thuis voelen, dat ís al de hemel - of minstens een voorproefje ervan. En dáárbij vallen alle noden en vragen die mensen kunnen hebben in het niet en misschien wel helemaal weg. "Want waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik", de gekruisigde, de verrezen Heer, "daar ben ik in hun midden." Wát wil je dan nog meer? Door Hem en met Hem en in Hem wordt elk verslijten aan elkaar en worden alle wonden geheeld. Mogen wij het ervaren. Amen.     

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                            

op 20 augustus 2017, de twintigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

(Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (56, 1+6-7), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (11, 13-15+29-32) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (15, 21-28).

 

Een aantal weken geleden, dierbare gasten en parochianen, meldden zich bij mij mensen afkomstig uit Armenië, een gezin: vader, moeder en twee kinderen, twee meisjes: één van zeven, die me onweerstaanbaar aan Anne Frank doet denken, en één van twee jaar oud. Om hun moverende redenen, na daar uiteraard het nodige, nee: veel te veel, te hebben meegemaakt, hebben deze mensen het land van hun oorsprong, Armenië dus, achter zich gelaten en zijn zij hier bij ons terecht gekomen: als vluchtelingen. Als zodanig hebben zij om asiel gevraagd. Vier jaar geleden is dat nu. Hun procedure loopt nog. In Nederland hebben zij op verschillende plekken gewoond. Sinds een jaar wonen zij in een pand dat eigendom is van een protestantse kerk. Maar dat moeten zij nu verlaten. Dus... waar moeten zij naar toe? In dat verband hebben zij allerlei kerken en ambtsdragers, directe collega's van mij ook, benaderd met de vraag: Kunt u ons helpen? Aan één kamer hebben wij al genoeg.

 

Tja, veelgeliefden, wat moet je met zo'n vraag... Zelf ben ik, in de pastorie, natuurlijk ruim behuisd. Maar voortdurend heb ik ook allerlei gasten. En om nu een heel gezin onderdak te verschaffen? Zou dat voor u iets zijn? Voor hoe lang zou het zijn? En wat doen de mensen in kwestie, mochten zij als vluchtelingen in Nederland uiteindelijk niet erkend worden? Wat dan? 

 

En: Armenië is toch een 'christelijk land'? Ja... maar... in dezelfde zin als ook Rusland het is, waarvan het, ten tijde van de Sovjet-Unie, lange tijd deel heeft uitgemaakt en dat er naar men zegt nog altíjd veel in de melk te brokken heeft, ofwel waarvan het praktisch een vazalstaat zou zijn. Net als in Rusland kun je ook in Armenië maar beter geen politieke oppositie voeren, in de handen van de politie en de geheime dienst en níet in de gevangenis terecht komen. Want het respect voor de menselijke waardigheid is bij die genoemde overheidsdiensten in Armenië niet zo sterk ontwikkeld naar ik heb begrepen. 

 

Hoe om te gaan met de hulpvraag van deze christelijk-godsdienstig zeer bevlogen en geëngageerde, oecumenisch ingestelde rooms-katholieke mensen die nota bene in Rusland ook als missionarissen werkzaam zijn geweest en die nu heel expliciet een beroep doen op ons als hun geloofsgenoten?

 

In het evangelie van deze zondag doet een níet-Israëlitische vrouw een beroep op Jezus. Zij roept Zijn hulp in, letterlijk, voor haar dochter die 'bezeten' is. Wát is er met die dochter aan de hand? Ik denk: Zij kampt met een mentaal probleem. Er is iets mis met haar geest. Zij kan zichzelf niet zijn. En dat op zó'n manier dat zij, die dochter, daar erg onder lijdt, en haar moeder mét haar. Hoe gaat Jezus en hoe gaan zijn leerlingen met deze hulpvraag om? Hoe reageren zij er op?

 

Nou, niet al te aardig eigenlijk, niet zo leuk.

 

"Hij gaf haar niet eens antwoord" staat er. Oftewel: Hij, Jezus, negeert haar in eerste instantie. En Zijn leerlingen oefenen druk op Jezus uit om de vrouw weg te sturen. Ze zijn duidelijk geïrriteerd door haar geroep. Ik moet zeggen, dierbare parochianen en gasten: deze reactie herken ik ook in verband met het door ons te geven antwoord op de hulpvraag van het Armeense gezin. Ik heb die hulpvraag voorgelegd aan het parochiebestuur, aan het bestuur van de PCI, de Parochiële Caritas Instelling, en aan enkele individuele, ter zake kundige parochianen. En 'irritatie' door het stellen van de vraag alleen al is in reactie daarop als element duidelijk herkenbaar.

 

Jezus zegt vervolgens: "Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël."

 

Voor wie is Jezus er? Voor zijn vólksgenoten, voor de jóden, lijkt zijn antwoord te zijn. En dan met name: voor diegenen onder hen 'waar iets mee is', waar iets mee aan de hand is: degenen binnen dat volk die hun draai niet kunnen vinden in het leven en in de godsdienst, in hun relatie, hun omgang met God en met mensen, voor hen die ongelukkig, onvrij, gehandicapt, ziek zijn - naar het lichaam, naar de geest. Want vaak, veelgeliefden, gaat dat samen en ís er een relatie tussen ziekte van het lichaam en van de geest. Afgelopen week nog zei een vriend, een arts, mij dat: dat het er soms bijna op lijkt alsof mensen onbewust in hun leven een vorm van ziekte als het ware 'kiezen', een vorm van ziekte die hen verlost van een probleem op een ander vlak, van bijvoorbeeld een problematische of zelfs onleefbare relatie met zichzelf, met een partner, met familie of op het werk, of met dat werk als zodanig. En die ziekte is als oplossing dan natuurlijk een schijnoplossing, maar in zekere zin wérkt het toch ook. Veel mensen leven in ziekmakende omstandigheden of ook in omstandigheden waarin ziekte in zekere zin een uitkomst is. Misschien is zoiets ook het geval in verband met die zogenaamde 'bezetenheid' van die dochter. Wat is de aard van die bezetenheid? Waar komt die vandaan? Nihil sine ratione. Niets is zonder reden. Op welk ónderliggend probleem zou die bezetenheid een antwoord kunnen zijn? Misschien dat er iets speelt in de relatie van moeder en dochter? Misschien is die moeder een alleenstaande ouder en zó betrokken op die dochter, wellicht haar enig kind, dat dat kind geen kant op kan en létterlijk bezet wordt door haar moeder, zodanig dat zij, die dochter, bezeten is en wordt - vanwege haar moeder? Het zou zomaar kunnen. Allerlei mensen hebben daar in hun leven last van: van een problematische verhouding met hun ouders.

 

Voor wie is Jezus er? Voor wie wil Hij er zijn? En voor wie willen wij er zijn? jij, u, ik? Voor wie willen wij er zijn als Nederland? Voor wie willen wij er zijn als kerk, als parochie? Alleen voor 'onze eigen mensen'? Of ook voor mensen van buiten, voor 'vreemdelingen'? Waar ligt onze grens? Waar trekken wij die? Willen wij überhaupt een grens trekken? Want mensen, mensen in nood, zijn toch ménsen?

 

In onze eerste lezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja, klonk het: "De vreemdelingen die zich bij de Heer hebben aangesloten (...): hen allen laat ik naar mijn heilige berg komen, en ik schenk hun vreugde in mijn huis van gebed." Ja, dat laatste, vreugde, dat is altijd wat je hoopt dat mensen, wie zij ook zijn, erváren, óók als ze hier bij ons komen, in óns huis van gebed. Maar... maar is dat huis wel van ons? Is deze kerk wel ons eigendom? Uiteindelijk niet denk ik. Uiteindelijk zijn we hier allemáál gasten: mensen met hun grote of minder grote tekortkomingen en mensen die allemáál afhankelijk van Gods genade. In onze tweede lezing, uit Paulus' Romeinenbrief, daarin hoorden we: "Allen heeft God in hun ongehoorzaamheid opgesloten, om allen in te sluiten in zijn ontferming." Zo is het dus.

 

Hij, de God van Israël, wil er ook voor de vreemdelingen zijn, dus óók denk ik voor zo'n Armeens gezin dat bij ons verzeild is geraakt en dat een beroep op ons doet - als je hen in die zin wel 'vreemdelingen' mag noemen, want zij zijn toch geloofsgenoten?

 

Jezus, nochtans, doet er in het evangelie ten aanzien van de Kananese vrouw nog een schepje bovenop: "Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven." Hoe gróf, hoe tegen de borst stuitend, hoe kwétsend, hoe belédigend zou iemand zulke woorden kunnen opvatten - om dan als een geslagen hond eventueel af te druipen... Maar zo niet die Kananese vrouw die haar mannetje of liever gezegd: die haar gendertje staat. Zij laat zich niet uit het veld slaan. En ze laat zich níet afschepen, zelfs door Jezus niet: "(...) Wat de hondjes eten, (dat) zijn (toch) de kruimels die van de tafel van hun baas vallen". Tegen zovéél adremheid, gevatheid en charme, tegen zóveel incasseringsvermogen, innerlijke kracht en vasthoudendheid, tegen zoveel nederigheid en geloof, in nota bene 'een vreemdeling', in iemand die niet van het houtje is... dáár kan zélfs Jezus niet tegen op. Intuïtief heeft die Kananese vrouw aangevoeld dat zij bij Jezus geheel aan het juiste adres was. Zijn weerstand, die van Jezus, ten opzichte van de Kananese vrouw is voor haar een test geweest. En die weerstand heeft haar gesterkt. En dan gaat Jezus om. God gaat om. En als zelfs Jezus en God kunnen omgaan, dierbare gasten en parochianen, waarom zouden Hollandse christenen en een parochie, waarom zouden de Nederlandse en de Armeense overheid, waarom zouden dan ook de onmensen in deze wereld, de hufters, de bruten, de klootzakken, de wreedaards van de KGB en dergelijke instellingen, mensen die natuurlijk ook zichzelf niet gemaakt hebben maar die zo gemáákt, mísmaakt, zíjn: waarom zouden dan ook zij niet kunnen omgaan? Moge dat Armeense ouderpaar de kwaliteiten in zich hebben van die Kananese vrouw, van die moeder. Ik wens het ons állen toe. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                                           

 

op 14 augustus 2014, vigilieviering van de Tenhemelopneming van Maria (titelfeest), in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het eerste boek der Kronieken (15, 3-4+15-16 en 16, 1-2), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (15, 54-57) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 27-28).

 

Je moet er, dierbare gasten en parochianen, je moet er toch niet aan denken: dat het écht mis gaat tussen die twee: tussen Kim Jong-un en Donald Trump en daarmee tussen de Verenigde Staten en Noord-Korea. Beide mannen lijken mij uit hetzelfde hout gesneden. Beiden vinden zichzelf geweldig. Uit beider monden klinken krachtpatserige woorden. Beiden doen het voorkomen niet te zullen schuwen om het andere land te bombarderen op een manier die nog niet eerder vertoond is, met kernwapens ook. Want die zijn er toch niet om niet gebruikt te worden, zeggen ze. En je ziet ze er allebei voor aan. Beiden lijken maf genoeg om inderdaad de daad bij het woord te voegen en de ander aan te vallen. Je moet er, veelgeliefden, niet aan denken wat er dan zou kunnen gebeuren.

 

Nee, maar ja: op hoe dat werkt in je geest heb je natuurlijk nooit helemaal greep. Ik betrapte mij er pas op dat zich aan mijn geestesoog in half slapende, half wakende toestand beelden voordeden zoals we die kennen uit het Midden-Oosten maar ook van allerlei aanslagen in ons eigen Europa, beelden nu getransponeerd naar ons eigen Amsterdam. De Chinezen waren hier. Want dat had natuurlijk niet kunnen uitblijven: het conflict tussen de VS en Noord-Korea was losgebarsten, geëscaleerd, ook de Chinezen waren erin betrokken geworden, van het één kwam het ander, Chinezen bezaten toch al van alles en nog wat in Europa en nu waren we bezet door China. Lijken bij ons in de straten en ook hier: dictatuur. Van dat heerlijke, vrije, onbezorgde Amsterdam was niets meer over.

 

Natuurlijk, dierbare gasten en parochianen, bent u vanavond niet naar de kerk gekomen om uzelf door mij de stuipen op het lijf te laten jagen. En dat is natuurlijk ook helemaal niet míjn bedoeling. Maar goed, ik realiseerde mij: ook in mij is een soort oerangst aanwezig. En die wordt door wat er in de wereld aan de hand is wel wakkergemaakt. En ik sluit toch niet uit dat deze of gene onder u daar ook in meer of mindere mate mee te maken kan hebben: Wat kan ons nog boven het hoofd hangen? Zo niet op het wereldpolitieke toneel, dan toch op het toneel van het eigen leven: Hoe moet dat als ik oud word? Waar moet ik dan heen? Wie heb ik dan nog? Wie is er dan nog op mij betrokken? Hoe zal 't financieel gaan? En wat als ik echt hulpbehoeftig word? De zorg is nu al een probleem. Dus hoe zal het tegen die tijd wel niet zijn? Allemaal zorgen veelgeliefden. Allemaal vertwijfelde vragen.

 

Wat heeft 't allemaal met de Tenhemelopneming van Maria te maken?

 

Een oude dame vertelde mij laatst dat ze in gesprek was geweest met een niet-godsdienstige vriendin. En in dat gesprek had die vriendin een beetje jaloerzig bijna opgemerkt: "Jij hebt nog wat." En met dat "wat" bedoelde zij het geloof van die oude dame. En zo is dat veelgeliefden: dat geloof van ons, dat is inderdaad een grote schat en mogelijk inderdaad iets om jaloers op te zijn.

 

In de eerste lezing die wij hoorden, uit het eerste boek van de Kronieken hoorden wij over "de ark van God" die met "feestelijke muziek" en "zangers" de stad werd binnengebracht en in de tent werd gebracht "die David voor haar had opgeslagen". Het lijkt op wat wij zodadelijk zullen doen aan het einde van deze vigilieviering: Wij zullen zingend over straat gaan, helaas zonder feestelijke muziek, behalve dan van onze kerkklokken bij terugkeer in de kerk waar wij ons vaandel met daarop de Tenhemelopneming afgebeeld zullen binnenbrengen, terugbrengen. Vanaf de oudste tijden van de kerk hebben de gelovigen Maria in verband gebracht met die "ark van het verbond" waarover we hoorden. Die ark bevatte ooit de stenen platen waarop de wet van God, zoals Mozes die ontvangen had op de berg Sinaï, was ingebeiteld. De grootste schat van Israël was dat: de van God ontvangen leefregels. Voor ons is die hele wet, het hele Woord van God geïncorporeerd in Jezus, Maria's Zoon. Hij is onze rijkdom, onze schat. En Maria is als het ware het doosje waar Hij heeft ingezeten en waar Hij uit tevoorschijn gekomen is. Dus haar zijn we dankbaar en met haar zijn we blij. Zo moeder zo zoon. Zo zoon zo moeder. Als twee druppels water. Ja, met haar en met Hem, hebben wij inderdaad nog wat. Heel wat. Het redt ons. Hij redt ons.

 

"Gelukkig de schoot die u heeft gedragen, en de borsten waaraan u hebt gezogen" riep een anonieme vrouw uit de menigte Jezus toe in de evangelietekst die wij hoorden, van Lucas. Horen we in die woorden ook enige jaloezie doorklinken? Het zou zomaar kunnen. De moeder van Dafne Schippers zijn, of van Tom Dumoulin, of van Jezus... zou dat niet fantastisch zijn? benijdenswaardig? De moeder van zo'n kind, van zo'n dochter, van zo'n zoon... Opvallend is: Jezus zelf gaat in die gedachte wél, maar tegelijkertijd nadrukkelijk ook níet mee. Hoe gaat Hij in op de woorden van de anonieme vrouw? Hij zegt "Inderdaad, gelukkig zij die het woord van God horen en het bewaren." Blijkbaar hoort Zijn moeder ook bij die mensen. Zo is het. Als kort na Jezus' geboorte de herders op bezoek komen en verhalen wat ze allemaal van de engelen over Jezus hebben gehoord, dan horen we daar vervolgens over Maria: "Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na"[32]. Ja, Maria had nog wat. Zij had nog de schat van die woorden. Die bewaarde zij in haar. En niemand en niets die haar die kon afnemen, ook Jezus' gruwelijke kruisdood niet en niet zijn vijanden en moordenaars. "Inderdaad, gelukkig zij die het woord van God horen en het bewaren." Maria hóórde dat woord en had het. Maar Jezus spreekt in meervoud. Want zij is niet de enige. Ook wij kunnen, met Maria, dat woord van God, Jezus zelf, horen en in ons hart bewaren. En geen Trump en geen Kim Jung-un die het ons afneemt. En veelgeliefden, mochten wij ooit zelf direct of indirect met de gevolgen worden geconfronteerd van wandaden die zulke mafkezen begaan en ontketenen, als er ooit kwade dagen komen, dan kan dat Woord van God, dan kan Jezus, die wij in ons hart bewaren ons geluk zijn. Wie Hij werkelijk is en voor je kan betekenen, dat kun je juist ervaren denk ik als je in zwaar weer terecht komt - denk maar aan de evangelietekst van afgelopen zondag, van gisteren: over de storm op het meer en Petrus die over het water naar Jezus toekomt maar bang wordt en wegzakt maar dan roept hij Jezus en die steekt Zijn reddende hand naar hem uit.[33]

 

Jonge mensen die ik ken zijn recentelijk geconfronteerd geworden met ernstige gezondheidsklachten van één van beiden. De ander schreef mij: "Inmiddels zijn al ruim vier maanden gevuld met onderzoeken, opnames en inmiddels een chemotherapie. Er is tot nu toe één ziekte bij hem ontdekt maar ze zijn nog vol in onderzoek omdat nog niet al het kwaad is gediagnosticeerd. Inmiddels is duidelijk dat we in een rijtje met mogelijkheden zitten waar je eigenlijk het liefst ver vandaan wilt blijven. Onze grenzen worden de afgelopen periode constant opgeschoven en ons geduld wordt flink op de proef gesteld. (Maar) wij halen veel troost uit het samen en afzonderlijk van elkaar bidden."

 

Indrukwekkend dat laatste zinnetje. Zij hebben nog wat.

 

Wij vieren de Tenhemelopneming van Maria. Wat het betekent werd ook geduid in onze tweede lezing, uit Paulus' eerste Korinthenbrief, over "dit vergankelijke" dat "met onvergankelijkheid" en "dit sterfelijke" dat "onsterfelijkheid is bekleed". "De dood is verslonden, de overwinning is behaald!" jubelt Paulus. "God zij dank: Hij geeft ons de overwinning door Jezus Christus." Nare ziekte, Kim Jung-un, Trump... kunnen ons niets maken. Met Jezus, Maria's Zoon, hebben we al gewonnen. In dat geloof en in die zekerheid mogen we leven. Doe het maar. En maak je geen zorgen. Wees niet bang. Amen.

 

Verkondiging

 

op 6 augustus 2017, feest van de Gedaanteverandering des Heren, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Daniël (7, 9-14), uit de tweede brief van de heilige apostel Petrus (1, 16-19) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (17, 1-9).

 

Er uit. Dat is wat veel mensen willen, juist in deze tijd van het jaar. Ja, bijna iedereen wil dat. Rijk en arm willen dat, mensen die geen cent te makken hebben én mensen die beschikken over aanzienlijke vermogens of die zelfs bulken van het geld. Iedereen wil weg, iedereen wil er uit. Waar uit? Uit de eigen dagelijkse, bekende omstandigheden die soms ook om wat voor reden voor mensen soms beklemmend en deprimerend kunnen zijn, waarin ze zich gevangen, vast, klem kunnen voelen zitten. Dus dáárom: er uit. Lucht, ruimte, vrijheid, zon, zee, natuur, bergen en bossen ervaren. Loskomen.

 

In onze evangelietekst vandaag op dit feest van de Gedaanteverandering (Transfiguratie) des Heren spelen op de achtergrond omstandigheden van grote bedreiging en bedreigdheid ook een grote rol. Want, zo staat er, "terwijl ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: 'Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.' " Hij leeft dus reeds, Jezus, met de dood voor ogen. Hij weet dat zeker: Ik ga er áán. In zekere zin geldt dat natuurlijk voor ons allemaal. Vroeg of laat moet elk van ons op de een of andere manier dit aardse bestaan verlaten. Maar voor de meeste mensen geldt: je weet niet wanneer en hoe dat zal zijn. En daarom en daarmee kun je de dood ook op een afstand houden en kan die ver weg lijken. Sommige mensen leven alsof ze hier op aarde het eeuwige leven hebben. Voor anderen, voor mensen met een bedreigende ziekte onder de leden en zeker voor terminaal zieken ligt het anders. Zij wéten dat het er aan komt. Magere Hein staat klaar. En dat kan heel griezelig voelen, beklemmend. Mijn lieve vader en moeder, respektievelijk 89 en 78 jaar oud, hebben bij leven hun graf al gekocht, in Midden-Beemster. Er liggen daar op het kerkhof een paar bekenden, een oude buurvrouw en haar dochter op wie ze erg gesteld waren. Ze gaan er, voor of na het boodschappendoen, af en toe even langs: op dat kerkhof waar ze zelf dus vermoedelijk ook terecht zullen komen. Mijn moeder vertrouwde me laatst toe dat ze er toch ook "níet aan moet denken". Tja...

 

Er uit. Waar uit? Uit de sleur. Of ook: uit het leven zelf. Er zijn mensen voor wie hun leven zó ondraaglijk is geworden dat ze er liever helemaal mee op willen houden, dat ze 'er uit willen stappen' zoals dat heet. "Zwart was het hart" dichtte Herman Gorter nadat de zangeres Anna Witsen zichzelf had verdronken.[34]

 

Maar... Oef! Dat wordt nu toch wel érg zwart en somber op deze dag die toch bij uitstek een dag van licht moet zijn en mét het hoogfeest van Maria's Tenhemelopneming, 15 augustus, toch de apotheose, hoogtepunt van de zomer zou moeten zijn... Zo is het veelgeliefden. En toch... is het goed denk ik dat het ter sprake komt, want de levens- en zielsomstandigheden van mensen zijn lang niet altijd zo zonnig als het weer. En juist als iedereen, de hele stad, onder de zomerzon uitbundig feest lijkt te vieren kunnen mensen eenzaamheid en ellende extra scherp en schrijnend ervaren. Vandaar.

 

Er uit. Wij willen er uit. En Jezus in het evangelie van deze dag gaat er ook even uit, samen met drie van zijn leerlingen: met Petrus, Jakobus en Johannes. Ze zijn dus met z'n viertjes. Hij nam hen "met zich mee een hoge berg op, waar Hij met hen alleen was." Eindelijk... Rust. Stilte. Wat een verademing. Ópademen. Op adem komen. Über den Wolken muß die Freiheit wohl grenzenlos sein. Alle Ängste, alle Sorgen, sagt man, blieben darunter verborgen und dann würde, was hier groß und wichtig erscheint, plötzlich nichtig und klein. Reinhard Mey. 'Boven de wolken moet de vrijheid wel grenzenloos zijn. Alle angsten, alle zorgen, zeggen ze, blijven er onder en dan is, wat híer groot en belangrijk lijkt, opeens klein en betekenisloos.'

 

Ach ja... Of nee... Zeker! Wat wij op deze zondag, mét de ooggetuigen van Jezus' glorie boven op die berg, méémaken veelgeliefden, dat is echt wat je noemt een 'perspectiefverandering'. We zien een heel andere kant van Jezus' en van ons eigen leven. Want... dat leven mag dan wel 'ten dode' zijn. Hij en wij mogen dan wel ten dode zijn opgeschreven. Maar... in Hem en ook in onszelf, daar zit iets in... een kern, een wezen, een hart, zó mooi, zo prachtig, zo stralend, zo subliem... dat het niet te filmen is. Petrus wíl dat wel: het filmen, het vastleggen... maar het gaat hier om iets dat elk begrip, elk grijpen en vastpakken en vastleggen te boven gaat. Jezus gaat uit z'n dak. Het benauwde, ja claustrofobische perspectief van onze aardse werkelijkheid spát werkelijk uit elkaar. Het is de hemel zelf die zich doet gelden, die zichtbaar en hoorbaar wordt in en voor Jezus en Zijn leerlingen. "Opeens verschenen hun Mozes en Elia, in gesprek met Hem". Eerst waren ze met z'n vieren, nu zijn ze met z'n zessen. Mozes, de onverschrokken bevrijder uit de Egyptische slavernij en Elia, de al even onverschrokken bevrijder van afgoden die mensen innerlijk onvrij maken, zij beiden gaan vertrouwelijk met Jezus om. Ze smoezen met elkaar. Ze kennen elkaar. Ze verstaan elkaar. Er zijn grote afstanden in de tijd die tussen hen in liggen. Mozes heeft leefde waarschijnlijk tussen de vijftiende en de dertiende eeuw voor Christus, Elia in de negende eeuw voor Christus. Vele eeuwen scheidden met andere woorden hun leeftijden van elkaar. En toch, veelgeliefden: er loopt een rode draad doorheen, door die levens van Mozes en Elia en Jezus; er is een rode draad die hen met elkaar verbindt. Jezus is al net zo onverschrokken als Mozes en Elia. Voor ons is Hij de bevrijder van Godswege in optima forma. In vertrouwen op God die Hij Zijn Vader noemt, gaat Jezus heel beslist en heel ontspannen denk ik ook Zijn eigen weg, Zijn goddelijke eigen gang. En op die weg laat Hij zich door niets en niemand intimideren. Al wordt hij ook gekruisigd - Hij laat zich niet kisten. En Hij laat zich niet in de luren, niet in de luiers leggen. Hém bedrieg je niet.   

 

Niets en niemand, dierbare gasten en parochianen, kan ons van Mozes, van Elia, van Jezus, van die onverschrokken bevrijders scheiden. De rode draad wordt doorgetrokken, tot op vandaag. Ook wij kunnen over de afstand van vele eeuwen met hen, met Hem in gesprek blijven. Afgelopen week ontving ik een bericht waarin iemand mij schreef over pater Jan van Kilsdonk, mijn grote leermeester. Ik citeer: "In 1973 liep ik over de donkere en verregende Prinsengracht. Voor mij strompelde Jan, nog niet geopereerd aan diens ogen en we namen elkaar bij de arm en kwekten er op los, zo vertrouwd." Hij was, pater Jan van Kilsdonk, "een gouden priester, die wij in ons hart meedragen en die nog immer te raadplegen is. Hij bracht in ons de allerbeste kwaliteiten tot leven." Einde citaat.

 

Mensen die je met je meedraagt, die nog altijd te raadplegen zijn en die de allerbeste kwaliteiten in je tot leven kunnen brengen. Zo is het voor mijn correspondent en mij inderdaad in verband met De Pater. En zo is het voor allen in verband met Jezus. Jezus is voor ons het Woord van God zelf. Petrus in zijn tweede brief noemt Hem vandaag: "de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte, tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart." Moge het zo zijn veelgeliefden. Mogen wij met Jezus er uit gaan, uit de duisternis. Moge Hij onze lamp zijn, de morgenster in ons hart. Moge Zijn dag, die is als een stralende zomerdag, moge die dag voor ons aanbreken. Moge vandaag voor ons die dag zijn. Amen.

 

Verkondiging

 

23 juli AD2017

 

Lezingen:  Wijsheid 12: 13-19,  Ps. 86,  Rom. 8: 26-27, Mt. 13: 24-43

 

Geen vriendelijke uitspraken, deze keer door Gods Zoon, want er valt uit af te leiden dat sommigen van ons, dierbare zusters en broeders, zullen belanden in een vuuroven waar het tandengeknars oorverdovend zal zijn, althans volgens Matteus. Zou onze Heer Jezus Christus tevoren zwaar getafeld hebben ? Want zo kennen wij Hem niet.

 

Veel bevindelijke reformatorische christenen en evangelicalen  -  o ja, zij geloven in een straffende God, die elke zondaar in de vlammen roostert die zich niet bekent tot het enige ware geloof. Terzijde rijst de vraag: welk geloof is het ware geloof ?  Of zijn er soms meer ware geloven ?  Maar laten wij daar niet te lang bij stil staan.

 

De eerste lezing van vanochtend is ook niet mals maar toch iets vriendelijker dan de tekst volgens  Matteus en geeft ook beter aan wat van ons verwacht wordt: tot inkeer komen.  Al rijst dan wel de vraag: wat houdt dat in  -  tot inkeer komen ?  Intussen schrijft de auteur van dat boek Wijsheid in vers 16 ook dat God iedereen spaart. Iedereen !

 

De psalm van deze zondag biedt eveneens aanknopingspunten. De schrijver van die psalm, volgens de overlevering de mythische koning David, wist zelf ook wel dat hij geen lieverdje was, maar hij vraagt zijn God om hem de Weg te wijzen. En hij zegt toe die Weg te bewandelen. Het lukte David nochtans niet erg: zo zeer schoot hij te kort dat God hem zelfs verbood een tempel in Jeruzalem te bouwen. David had te veel bloed aan zijn handen. Daarom bidt hij zijn Heer om bijstand. Het is een intrigerende psalm. De moeite waard om straks thuis nog eens na te lezen. Eén om te bidden.

 

Bidden  -  dat is wat de heilige apostel Paulus met klem adviseert in zijn brief aan de parochie van Rome. Paulus is wat optimistischer over het effect daarvan dan de psalmist, maar hij is dan ook een bekeerling: die zijn vaak wat fanatieker in de naleving van godsdienstige adviezen. En wat lezen wij nog meer in het boek Wijsheid ?  “Uw heerschappij over iedereen maakt dat U iedereen spaart.’’  Hoe zit het dan met die straffende God uit de evangelietekst van vanochtend ?  Wij katholieken weten immers dat ook zondaars kinderen van God zijn en dat Jezus gekomen is om juist hun de Weg, de Waarheid en het Leven kenbaar te maken*. De Weg waar de psalmist het over had.

 

Als ik moeite heb met een bijbeltekst  -  dan ga ik vaak te rade bij een publicatie van onze mede- christen ds. Nico ter Linden, vele jaren voorganger in de Westerkerk; in dit geval deel 2 van zijn prachtige reeks boeken ‘’Het verhaal gaat …’’.   Volgens Ter Linden verwachtten de volgelingen van Jezus het einde der tijden op korte termijn, weshalve Matteus, aldus Ter Linden, ‘’naar beproefd recept … zijn pen weer in het vuur van de hel verhit’’.  Zulks om met dat dreigement nog zo veel mogelijk zielen te redden voordat het einde der tijden er eindelijk is. Anders gezegd: de evangelist overdrijft een beetje om de twijfelaars een zetje te geven, maar dat gejammer en dat tandengeknars mogen wij met een korrel zout nemen.

 

Net als die gelijkenis van het mosterdzaadje. Van geloofsgenoten kreeg ik ooit een zakje mosterdzaad cadeau en ik heb die zaadjes terstond geplant, en met veel kunstmest en liefde opgekweekt. Er kwam een forse plant uit maar allerminst de boom waarvan het evangelie rept. En dat is niet erg. Niet elk zaadje hoeft zich te ontwikkelen tot een boom. Er is niets tegen klein. Integendeel, leert Jezus ons **.  En veel bijbelteksten zijn om over na te denken, niet om letterlijk te nemen.

 

De bijbel mag dan Gods Woord bevatten  -  dat Woord is wel door mensen opgeschreven en daarna eeuwen lang overgeschreven aangezien gedrukte documenten nog niet bestonden. En wat er wel was  -  dat ging vaak verloren. Zo werd de grootste collectie oud- christelijke geschriften vernietigd toen de bibliotheek van Alexandrië in het jaar 642 door de moslims in opdracht van kalief Omar in brand werd gestoken. Ook toen al. Het waren immers geen islamitische geschriften. Dus maar in de hens.

 

**

 

Na aldus geprobeerd te hebben u gerust te stellen, stel ik toch de vraag: aan welke mensen denken Jezus en Zijn chroniqueur Matteus, als er gerept wordt van ongelukkigen die jammerend, dan wel tandenknarsend in de veronderstelde vuuroven van Gods toorn belanden ?  Ook wanneer die vuuroven misschien niet bestaat. Ik denk dat het antwoord besloten ligt in Gn. 3: 5, wanneer de slang de leugen in de wereld brengt: de leugen dat de mens gelijk wordt aan God door zich te vergrijpen aan de verboden vrucht.

 

Sindsdien waart de leugen rond onder de mensen. De leugen bijvoorbeeld dat carrière maken of veel verdienen een mooi levensdoel zou zijn. Of de leugen van het voltooide leven, anders dan na een natuurlijke aardse dood. Of de leugen van excessief consumeren van bijvoorbeeld drank en voedsel of ander overbodig genot wat wij gezelligheid noemen. Of de leugen dat er een crisis zou zijn geweest die bezuinigen op zorg, onderwijs en wat niet al meer nog steeds noodzakelijk maakt terwijl winsten en bonussen bij grote ondernemingen blijven toenemen.

 

De leugen dat wij deel uit zouden maken van een participatiesamenleving waar iedereen voor elkaar opkomt.  Hetgeen steeds minder het geval is. De leugen van een oversekst medialandschap dat intimiteit suggereert terwijl het alleen maar tot nog grotere eenzaamheid leidt. Of de leugen dat de waarde van het leven afhangt van jeugdigheid, gezondheid en onafhankelijkheid. Heeft de evangelist het oog op de mensen die zulke leugens ventileren ?  Of op degenen die in die leugens geloven ?   Of op beiden ?  Misschien zijn wij zelf zulke mensen.  Mensen die er steeds weer in trappen.

 

Hoe vaak schieten wij niet te kort om alleen in de Waarheid te geloven en in niets anders; falen wij om er ook naar te leven, te handelen. Zelf ontdek ik tot mijn schande regelmatig hoe zeer ik  - al doemdenkend -  faal om te vertrouwen op Gods voorzienigheid. Of, zoals mijn ongelovige maar o zo dierbare vrienden het noemen:  op de goede afloop. Waarna het Woord van Christus bijna elke keer weer Waarheid blijkt te zijn; anders gezegd: veelal komt alles goed.

 

De leugen dat God ons in de steek laat, de leugen dat Hij niet bestaat, de leugen dat Hij zou straffen om welke idiote reden ook, en al die andere varianten van diezelfde leugen  -  die is ijzersterk. Maar het is niettemin een leugen. Bidden wij dat inkeer ons inspireert en kracht geeft op de Weg naar de Waarheid van Jezus Christus, naar het ware, naar het evangelische leven, zoals God ons bedoeld heeft.  Amen.

 

*Joh.14: 6

 

** Bijvoorbeeld  Mt. 19:14, Mc.10:14, Lc.18: 17

 

Leo Jacobs ofs, Monviel, juli AD 2017.

 

 

Verkondiging

 

 

op 9 juli 2017, de veertiende zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Zacharias (9, 9-10), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Romeinen (8, 9-13) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (11, 25-30).

 

Het blijft, dierbare gasten en parochianen, het bliijft een leuk, non-conformistisch gebaar en gezicht: nadat paus Franciscus op één of ander vliegveld in de wereld is geland en in een auto stapt om als eerste de president of koning van dat land te gaan begroeten, dan is die auto geen grote, zwaar gepantserde slee, geen Mercedes, Rolls Royce of Chevrolet, máár bij voorkeur een zo simpel mogelijke auto, bijvoorbeeld een Fiat of een Japanner. Zo wil en doet deze paus dat, aldus verwijzend naar en aansluiting zoekend bij het beeld, de profielschets van de Messias zoals de profeet Zacharias het in onze eerste lezing vandaag schetst en schildert. Die "is nederig. Hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin." Niet op een trots paard, het oorlogsdier, niet op een strijdros, maar op een ezeltje rijdt de messias als hij komt. Zo dééd Jezus het op Palmzondag. En we kennen allemaal de reputatie die de ezel heeft. En diezelfde reputatie heeft de ezel niet alleen bij ons, maar ook in China - zoals blijkt uit het volgende verhaal:

 

De grote Chinese wijsgeer Lao Tse (...) reisde op een ezeltje. Er kwam een boodschapper van de keizer naar hem toe. Hij zei tegen hem: "De keizer heeft veel over u gehoord en zou graag zien dat u lid van zijn hofhouding werd. Er is behoefte aan wijze mannen."

 

Lao Tse was erg hoffelijk tegen de boodschapper maar zei: "Nee, dat zal niet gaan. Ik ben zeer vereerd. Breng mijn dank over aan de keizer, maar het is niet mogelijk."

 

Toen de boodschapper weg was, waste Lao Tse zijn oren en ook die van de ezel.

 

Een man die langs de kant van de weg stond toe te kijken vroeg: "Wat doet u daar, heer."

 

Hij zei: "Ik was mijn oren want zelfs een bóódschap uit de wereld van de politiek is niet pluis."

 

De man vroeg: "Maar waarom wast u ook de oren van de ezel?"

 

Hij zei: "Ezels zijn heel politiek. Hij lóópt al anders! Zodra hij de hofboodschapper zag en hoorde, kreeg hij iets heel egoïstisch. Ezels hebben politieke aspiraties. Ík versta de hoftaal niet zo goed, maar híj wel, omdat dáár net zúlke ezels zitten. De táál is dezelfde."

 

De man moest lachen.

 

En het verhaal gaat dat ook de keizer erom moest lachen toen het hem ter ore kwam.[35]

 

Lao Tse reed op een ezel. De verwachte en gekomen messias reed op een ezel. Paus Franciscus rijdt in een Fiat of een Japanner. Geen kapsones. Geen pretenties. 'Ik ben ook maar een mens' wil hij daarmee duidelijk zeggen, de paus. Een mens, net als jij: kwetsbaar, feilbaar, zondig, sterfelijk. Toen de paus bijvoorbeeld bij Erdogan in zijn enorme, nieuw gebouwde paleis kwam voorrijden maakte hij dat op die manier al meteen duidelijk. 

 

Je zou het 'nederig' kunnen noemen. Zacharias gebruikt het woord: "Hij is nederig, hij rijdt op een ezel." Ík huiver altijd voor dat woord 'nederig' en zal het niet snel in de mond nemen. Want 'nederig' is een heel breekbaar woord. Je maakt het zó kapot. Want gebruik ervan, het claimen ervan, kan zó pretentieus zijn: Kijk onze paus eens nederig zijn! Er is zoveel symboolpolitiek in deze wereld. Er wordt zoveel geposeerd. En toch denk ik dat iedereen, de meeste mensen wel aanvoelen: bij paus Franciscus is het echt en bij hem is het menens. Ook al leeft hij in Rome zelf temidden van grote grandeur en is er ook in het Vaticaan een paleis, deze paus is wérkelijk eenvoudig. Hij verbeeldt zich niets. Hij ziet de gewone mensen werkelijk staan. Hij leeft gericht op hen. En hij strijdt voor ze. Hij komt voor ze op: voor kwestbare mensen en voor onze kwetsbare aarde. "Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen." Zo hoorden we Jezus in het evangelie vandaag vurig, extatisch bidden. Hij gaat uit z'n dak. Hij wordt aangegrepen door een geweldige dankbaarheid, Jezus. Zélf hoort Hij bij die eenvoudige, die gewone mensen die 'het' snappen: waar het om gaat in het leven, wát het geheim van het leven is en het hart van ons bestaan, wát werkelijk van waarde is.

 

En wat is dan dat 'het', wat is dan dat 'dit' waarover Jezus spreekt, ja jubelt: "Ik dank U Vader (...) omdat U 'dit' verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en 'het' onthuld hebt aan eenvoudigen?

 

Ach ja mensen, ik denk: het gaat om 'een weten'. En het is allemaal heel paradoxaal.

Wie van zichzelf denkt dat hij nederig is houdt op het te zijn. En als je denkt dat je het weet, dan kom je al snel in de gevarenzone, dan val je gemakkelijk door de mand en kun je er al gauw blijk van geven dat je helemaal níets weet, dat je 'het' kwijt bent, dat je helemaal de weg kwijt bent, dat je een rund bent en een ezel - net als de hofdignitarissen, de paladijnen van de keizer. Dat die keizer zélf moest lachen om wat hij hoorde dat Lao Tse had gezegd

in verband met dat wassen van zijn eigen oren en die van zijn ezel, dat die keizer daarom moest lachen, dat pleit voor hem. Want runderen en ezels hebben geen humor. Die kúnnen niet lachen om zichzelf. Ik ben bang dat Trump er niet toe in staat is. Wíjze mensen vínden zichzelf niet zo belangrijk. Die némen zichzelf niet zo serieus. Die lachen om zichzelf.

 

Afgelopen week ontving ik van iemand een prachtige brief: "God is in geboorte en dood, in de branding, in de zware onweersbui en het gezang van de vogels, in de daarna ingetreden stilte. (...) Als ik naar de kerk ga, heb ik eerst veel weerstand overwonnen, maar eenmaal binnen, heb (...) ik het goed. (...) Buiten de kerk volhard ik in wat we meekregen en bevecht ik mijn zondige gedachten. Zo simpel is mijn geloof dus" - zo staat in die brief. En dan wordt mijn grote leermeester pater Van Kilsdonk geciteerd, woorden die ik zó niet van hem kende maar als afkomstig van hem wél helemaal kan plaatsen. "God moet je doen; de rest is flauwekul" zou hij, pater Van Kilsdonk, hebben gezegd. En ja, dat snap ik. En het is ook helemaal waar denk ik: Over God moet je niet theoretiseren, niet o.h.-en. Maar wéés zo goed als God voor mensen, voor anderen en ook voor jezelf. Wees barmhartig. Zet je in. Doe iets. Sta op. Geef God gezicht. Láát God spreken in jouw eigen bestaan, in en door wie jijzelf bent. Maak Hem waar. Laat jouw bestaan bewijzen dat Gód bestaat. Je zult dat nooit van jezelf zeggen, dat jij dat doet. Want dan houdt het op zo te zijn. Maar intussen kan het onuitgesproken wél mooi zo wezen.   

 

"God moet je doen, de rest is flauwekul." Maar intussen vieren wij wel de liturgie en sta ik hier alweer enige tijd te praten. En zodadelijk krijgt u met en in de voorbeden zelf de gelegenheid om wat als gebed leeft in uw hart, om dát uit te spreken naar het voorbeeld van Jezus zelf, want wat wij vandaag in het evangelie van Hem hoorden was werkelijk een cri de coeur, een hartekreet: "Dank U, Vader...".

 

Is, veelgeliefden, is dat heilig spel van de liturgie, is al dat bidden en zingen en preken van ons in de kerk, is dat allemaal "flauwekul"? Ik denk: dat hóeft het niet zijn. Als wij het eerlijk doen, als wat wij hier samen doen de oprechte uitdrukking is van wat er leeft in ons hart en als wij er ín kunnen komen, al is het maar een beetje, -want het is een groeiproces, het gaat om 'groeien in geloof'-, als wij hier, in Christus' Geest, werkelijk beleven en uitdrukking geven aan wat onuitsprekelijk is, dan hóeft wat wij hier doen echt geen flauwekul te zijn, maar dan kan het ook wérkelijk iets zijn. Dan gebeurt er ook echt iets. Dan dóen we toch ook híer God op een wijze die vergelijkbaar is met het doen van God door het wassen van de billen van mensen die het zelf niet meer kunnen. Het één, het wassen van die billen, heeft met het andere, het vieren van de liturgie, dan ook alles te maken. Wie zich bij God, bij Jezus, werkelijk geborgen voelt en thuis voelt en door Hem wordt bezield, die voelt zich ook hier thuis, die zal met liefde die billen wassen en die heeft van de zonde in de wereld en onder de mensen, ook in haar en zijn eigen bestaan, die heeft daarvan geen last meer. "Wij zijn, broeders en zusters, niet langer verplicht om een zondig leven te leiden" schrijft de apostel Paulus in de passage uit de brief aan de Romeinen die wij hoorden voorlezen. Wie leeft met God, met Jezus, met beider Geest, die wordt steeds vrijer en zorgenlozer. Als je God doet, dan wordt zonde en het gepráát daarover flauwekul: een restprobleem dat in wezen overwonnen is. Moge het zo zijn. Amen. 

 

Verkondiging

op 2 juli 2017, de dertiende zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het tweede boek der Koningen (4, 8-16), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (6, 3-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (10, 37-42).

 

Dat was me wat moois, dierbare gasten en parochianen, - gisteren in Straatsburg, in Ludwigshafen en in Speyer: de uitvaart van Helmut Kohl. Zestien jaar lang was hij de reusachtige bondskanselier van Duitsland dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in twee delen uiteengevallen was. Na de val, in 1989, van de Berlijnse muur had hij de intuïtie en de bezieling én de daadkracht en het vermogen om Duitsland weer te verenigen. Maar hij deed dat, Kohl, in het kader van Europa, van de Europese Unie. Want getekend als zijn jeugd en daarmee zijn leven en dat van zijn hele generatie was door de Tweede Wereldoorlog werd hij sterk gedreven door de zorg: dát nooit meer. Nooit meer oorlog en nooit meer fascisme. En daarom moet Duitsland, waar het eerder wel heeft kunnen gebeuren, dat in de nazitijd zo'n groot onheil over de joden, over zichzelf, over Europa en ja de hele wereld heeft gebracht, daarom moet Duitsland, óók om het voor de toekomst tegen zichzelf in bescherming te nemen, daarom moet Duitsland goed ingebed wórden en blijven in Europa: opdat in Europa de vrede bewaard, gegarandéérd wórdt en blijft. Voor de landen die deel uitmaken van de Europese Unie is dat tot op heden gelukt, nu al eenenzestig jaar lang. En Kohl heeft daaraan, met de euro en alles, een belangrijke bijdrage geleverd. En daarom werd hij gisteren gevierd als 'de grote Europeaan'. Wij zien hem nóg staan, in Verdun in 1984, hand in hand met de Franse president Mitterand.

 

De kist met zijn enorme lichaam werd gisteren de vergaderzaal van Europees parlement in Straatsburg binnengedragen. Daar werd hij temidden van Europese en andere regeringsleiders en oudgedienden herdacht. Toen ging het per helikopter naar Ludwigshaven, de Heimat van Kohl. En vervolgens per schip over de Rijn naar de bijna duizend jaar oude Romaanse Dom van Speyer waar de requiem-mis werd gevierd.

 

Kohl de grote man van de Europese eenheid. Maar in schril contrast daarmee staat wat wij weten over zijn privé-leven, over ziekte en dood van zijn eerste vrouw Hannelore, die leed aan 'lichtallergie' -hoe duidelijk wil je het hebben- en de slechte verhouding met zijn beide zoons Peter en Walter. Hoe wrang was het om te zien hoe de deur van Kohls woning afgelopen week voor Walter en twee van diens kinderen, kleinkinderen van Helmut, gesloten bleef.

 

Kohls tweede vrouw Maike liet ze niet binnen. "Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard", zo hoorden wij Jezus vandaag in het Mattheüs-evangelie zeggen. De vrome katholiek Kohl, die in de Dom van Speyer regelmatig ter kerke ging, hééft, dierbare gasten en parochianen, hij heeft die woorden duidelijk gelééfd zou je kunnen zeggen. Maar... of dat op zo'n manier nou de bedóeling is? - wél naar de kerk, maar de eigen kinderen en kleinkinderen niet welkom? Dat zal toch wel niet? Dat kunnen wij ons toch níet goed voorstellen...

 

Hoe zit het? Manifesteert Jezus zich in de geciteerde woorden niet als een enge sekteleider die een wig drijft in families, die familieleden tegen elkaar opzet en uitspeelt? Maar dáár wil je toch niets mee te maken hebben? Nee! Alsjeblieft niet...

 

Waar gaat het dan om? Ach ja, veelgeliefden, het is misschien wel heel simpel. Je hebt, ieder mens heeft, in en voor haar en zijn leven een hart, een centrum, bezieling, heilig vuur nodig. En als het zo is, en ik houd daar persoonlijk graag aan vast; als het zo is dat Jezus van Nazareth, de Christus, de Gezalfde Gods, als in Hém de liefde van God werkelijk mens geworden is, vlees en bloed, dan mag je Hem, Jezus, dus met een gerust hart in het hart van ook jouw eigen bestaan plaatsen. Met Hem, met Jezus, ten diepste verbonden, leef je dan je leven. Vanuit Hem. Naar alles en iedereen, óók naar je familie kijkend en alles levend, óók in familieverband, in Zijn licht, door Hem verlicht. Zolang dat maar je oprechte verlangen is, zit je goed. En ik denk: met goede familie- en vriendschapsverhoudingen kan een leven met en vanuit Jezus zeer wél samengaan.         

 

Kijk maar naar de eerste lezing vandaag. Daarin kwamen we de profeet Elisa tegen die een graag geziene gast is van "een welgestelde vrouw" in Sunem. "Laten we op ons huis een kleine kamer voor hem metselen en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten" zegt ze zelfs tegen haar man. Hartelijke en zorgzame gastvrijheid die een zegen is voor de gast, maar ook voor de gastvróuw in dit geval. Want zij en haar man zijn kinderloos. En hoe komt dat? Wij weten tegenwoordig: daarbij kunnen allerlei fysieke factoren een rol spelen, precies zoveel bij de vrouw als bij de man, waardoor een vrouw niet zwanger wordt. Maar ongetwijfeld, dierbare gasten en parochianen, ongetwijfeld kúnnen allerlei blokkades die mensen in hun leven ervaren ook van mentale aard zijn en zelfs een geloofsdimensie hebben in de zin van: te maken hebben met een vorm van geloofstekort oftewel een zekere vertwijfeling. Zou iets dergelijks misschien een rol kunnen hebben gespeeld in verband met die zogenaamde lichtallergie van Hannelore Kohl? Het is maar een vraag. Niet kunnen en durven geloven in jezelf, in je eigen geluk, niet kunnen en durven geloven in een ander, niet kunnen en durven geloven in God: het komt allemaal voor en het kan ook allemaal met elkaar te maken hebben en fysieke uitwerkingen hebben zelfs die je een mens niet toewenst. Helmut Kohl, de grote man, heeft blijkbaar niet, of onvoldoende, of niet méér kunnen geloven in zijn beide eigen zoons. Misschien is hij in hun jeugd te geobsedeerd geweest door zijn eigen ideeën omtrent hun toekomst en hoe het allemaal moest en goed was en heeft hij ze te weinig eigen ruimte gegund voor hun eigen ideeën en dromen. Hij was natuurlijk een echt Duits heerschap, een boom van een vent in en onder wiens schaduw anderen en om te beginnen die zoons wellicht minder gemakkelijk hebben kunnen gedijen. Dat komt vaker voor bij zogenaamde grote mannen. Misschien is Helmut simpelweg te weinig betrokken geweest of niet op de goede manier en heeft hij dat niet kunnen inzien en is hij in zijn visie op zijn zoons en in de omgang met hen verhard geraakt. Het zou zomaar kunnen. We kunnen het nalezen als we willen, want beide zoons hebben erover geschreven. Sowieso was die Kohl best een nukkige ouwe brombeer geworden en had hij in zijn leven veel last van conflictueuze verhoudingen met mensen die door hem geheel konden worden afgeschreven en met wie hij brak. Ook Angela Merkel, das Mädchen, heeft 't bij hem maar nauwelijks of eigenlijk niet gered. Tja... Waarin een groot man klein kan zijn, erg klein.

 

"Wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mij niet waard. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden". Dat zegt Jezus. En Hij werd op jonge leeftijd zelf gekruisigd. En wat betekent dat? En wat wil Jezus ons met Zijn woorden zeggen?

 

Ik denk: dat we, geworteld in God, in Jezus zelf, ons in ons aardse bestaan, in onze familiale en andere betrekkingen en in ons werk niet te zeer moeten ingraven, dat we er ons niet in moeten vastbijten, maar, vertrouwend op God, in Jezus zelf, steeds moeten durven loslaten en sowieso ons leven in en met een zekere losheid en lichtheid moeten durven leven, wat er ook gebeurt.

 

Onze tweede lezing vandaag was een passage uit Paulus' brief aan de Romeinen. Hij schrijft: "Door de dood die Hij (Jezus) is gestorven, (daardoor) heeft Hij afgerekend met de zonde, eens en voorgoed, het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus." Wat betekent dat? Wat moeten we ermee?

 

Ik denk: mensen kunnen zéér geobsedeerd zijn door wat zogenaamd 'zonde' is of zou zijn in hun eigen leven en, vaak nog meer, in de levens van andere mensen. Maar misschien moeten we wel zeggen, in het licht van Paulus' woorden: Hou daar in Godsnaam mee op! Laat dat soort gedachten, zulke obsessies vaak, laat die maar helemaal los. Wees op God gericht, zoek in en bij Hem, bij Jezus, je bezieling. Probeer van Hem uit in eer en geweten zo goed mogelijk met jezelf en met anderen en met de wereld om te gaan en laat elke gedachte aan die zogenaamde zonde, aan wat in jouw leven of in dat van anderen zonde zou zíjn, laat dat soort gedachten maar helemaal los, zo goed mogelijk, zo goed of zo kwaad als het gaat. Want anders, veelgeliefden, heb je geen leven. Dan kom je aan leven, wérkelijk leven helemaal niet toe. Want dan word je misschien alleen maar verteerd door wroeging, spijt en boosheid en wie heeft dáár wat aan? Dat zou helemáál zonde zijn!

 

Laten we nog eenmaal terugkomen op Helmut Kohl , want misschien is dit wel dé grote les van diens leven voor elk van ons. Was er in zijn leven sprake van zonde? Ongetwijfeld. Kijk maar alleen al naar zijn bedorven familie- en vele vriendschapsverhoudingen. Tja. Maar, "u moet (...) uzelf beschouwen als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus" schrijft Paulus. Misschien heeft Helmut Kohl dát wel gekund. Want ondanks al die ellende in de privé-sfeer is hij wél naar de kerk blijven gaan, hééft Hij vastgehouden, heeft Hij zích vastgehouden aan het geloof in God, ís hij in God blijven geloven en daarmee ook in zichzelf: dát God hem ondanks alles zou vasthouden en thuis zou brengen. "Hij kwam in de Dom als bidder" zei aartsbisschop Wiesemann van Speyer gisteravond in zijn preek. Met Helmut en diens vrouw had hij kort voor Kerstmis nog samen een kaars aangestoken bei der Mutter Gottes, bij Maria. Ze hadden samen een Onze Vader en een Wees gegroet gebeden. "Ik denk", zei de aartsbisschop: "hij wist (...) welke de rafelranden van zijn leven waren, dat hij veel bereikt had, maar dat hij in veel ook te kort was geschoten. Er zijn dingen tussen hemel en aarde, die alleen God kan oplossen, vérlossen kan." En dát, veelgeliefden, geldt voor ons allemaal - in meer of mindere mate. Laten wij aan die oplossende, die vérlossende God, die van Jezus, ons dus helemaal toevertrouwen. Amen. 

 

Verkondiging

 

 

op 25 juni 2017, de twaalfde zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jeremia (20, 10-13), Psalm xx, de brief van de heilige apostel Paulus aan de Romeinen (5, 12-15) en uit het heilig evangelie van onze heere Jezus Christus volgens Mattheüs (10, 26-33).

 

Nou, dierbare gasten en parochianen: Mooie vrienden!

- die van de profeet Jeremia in onze eerste lezing vandaag:

"Al mijn vrienden willen niets liever dan mijn ondergang" zo staat er.

 

Weet u nog: "Een keer trek je de conclusie/Vriendschap is een illusie/Een pakketje schroot, met een dun laagje chroom." - Het Goede Doel, Henk Westbroek, 1983. Daar lijkt het op!  

"Ze zeggen", die zogenaamde vrienden van Jeremia: "Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken." Oef! Hoe vals.

 

Maar... waarom heeft Jeremia het blijkbaar verkorven? Waarom hebben zijn 'vrienden' zo de pik op hem?

 

Ze hebben hem een bijnaam gegeven. Ze noemen hem Onzetting-overal. Die bijnaam heeft Jeremia te danken aan zijn profetieën, aan wat hij van Godswege, in de Naam van God aankondigt en zegt. Daar wordt een mens blijkbaar niet vrolijk van. Het gaat om dingen die veel mensen, de meesten, misschien wel iedereen, niet wil horen. Jeremia legt de vinger op zere plekken. Hij klaagt aan wat er mis is binnen de samenleving en onder de mensen: Men is God, Zijn Woord, vergeten. Men trekt er zich niets van aan en gaat z'n eigen gang. En van die eigen gáng word je niet vrolijk: mensen beliegen en bedriegen elkaar. Men zoekt z'n heil, z'n zekerheid in geld en bezit dat ieder voor zich en z'n erfgenamen bij elkaar schraapt en oppot en de grotere en hogere belangen en de armen: die zijn het kind van de rekening en daarmee is het gedaan. 'Ieder voor zich en God voor ons allen', zo luidt het gezegde. En hoe cynisch is dat gezegde ten aanzien van God. Want als het ieder voor zich is en God voor ons allen, dan wordt, dan is 'God' een wassen neus, een inhoudsloos begrip, niet meer dan een mascotte en een masker voor ons eigenbelang. Op zo'n manier maak je God leeg en tandenloos en dat is een belediging voor en aanfluiting ván God.

 

En... zo is God niet. Niet de God van Jeremia in elk geval. Want die staat wel degelijk ergens voor: namelijk precies voor grotere en hogere belangen dan het eigen voordeel en de eigen portemonee van mensen. God staat voor recht, voor het recht van de armen op de eerste plaats, voor eerlijkheid, voor waarheid, voor betrokkenheid, voor warme medemenselijkheid. God stáát voor wat mensen verbindt en niet voor wat hen scheidt. En precies dát, dierbare gasten en parochianen, precies dát kan merkwaardig genoeg een ónwelkome boodschap zijn. Want liever zetten mensen zich vaak tegen elkaar áf en leven zij gescheiden van elkaar, dan dat zij zich met elkaar verzoenen en met elkaar delen. Als dat zo doorgaat, waarschuwt Jeremia, dan gaat het mis, dan gaan we als volk, als gemeenschap, als natie, ten onder. En als gevolg van die boodschap dreigt Jeremia zélf ten onder te gaan. Hij maakt met die boodschap geen vrienden en men wil hem de mond snoeren. Jeremia is typisch wat we een tegenwoordig 'een klokkenluider' noemen: Hij 'trekt aan de bel' en vraagt aandacht voor misstanden, voor wat niet deugt. En daarmee zijn allerlei mensen dan niet blij: dat die misstanden aan het licht komen. Liever 'hangt men de vuile was niet buiten' en laat men wat gewoon niet deugt en niet klopt en allerlei verziekte verhoudingen voortbestaan.

 

Ad Smit, die twintig jaar lang de hoogste politiebaas was in Amsterdam-Oost, liet dure etentjes en kaartjes voor voetbalwedstrijden voor hem en zijn vriendjes uit het politiebudget betalen zo wordt vermoed. Er is een onderzoek naar hem en naar allerlei andere leidinggevenden bij de politie gestart. Maar... waar zijn we mee bezig als het met nota bene de politie, de ordehandhavers, al zo gesteld is? Als het met het groene hout zo gesteld is, "wat moet er dan gebeuren met het dorre?"[36] - met de zogenaamde 'criminelen'? Wie het weet mag het zeggen. Het is toch... om je de haren voor uit het hoofd te rukken? - óók omdat ik dit allemaal zeg en naar voren breng in het bewustzijn dat ik als Roomse priester zélf deel uit maak van een organisatie die zeker niet per se beter is en beter functioneert dán de politieorganisatie. Ook binnen de kerk worden zaken toegedekt en kunnen manieren van doen laakbaar zijn.

 

"Niets is verhuld dat niet onthuld zal worden, en niets is verborgen dat niet bekend zal worden" zegt Jezus in het evangelie van deze zondag tegen Zijn apostelen. "Wat ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht. Wat jullie in het oor gefluisterd krijgen, verkondig dat vanaf de daken." Jezus staat duidelijk aan de kant van de klokkenluiders, niet aan die van de toedekkers. Jezus was zelf een klokkenluider, net als Jeremia. Het heeft hen allebei, zowel Jezus als Jeremia, de kop gekost, dat klokkenluider-zijn. Ja, het is een linke, een gevaarlijke hobby, dat klokkenluiden. Het kan ten koste gaan van je eigen positie, baan en inkomen. "Maar ja", zei onlangs één zo'n klokkenluider in een interview: "Wat is belangrijker: inkomen of oprechtheid?" En zijn eigen antwoord op die vraag luidt: "Onder de brug terecht komen is beter dan huichelen."[37] Toe maar!

 

Toevallig ken ik die klokkenluider in kwestie. En in een persoonlijk bericht aan mij lichtte hij zijn visie als volgt toe: "Ja", schrijft hij, "dat zinnetje over die brug is heftig en radicaal. Maar het Evangelie is heftig en radicaal. Inderdaad, als je tegen het systeem ingaat, dan loop je het gevaar om onder een brug terecht te komen. Maar als je er toe in staat bent, dan zul je zeker niet onder die brug blijven. Dat is mijn geloof. Het maken van

grote keuzes en belangrijke beslissingen, dat vinden we eng omdat we bang zijn dat we alles kwijt raken. Maar alleen als je de kracht hebt om het te proberen en om die belangrijke beslissing te nemen, dan zul je terwijl je met de gevolgen wordt geconfronteerd, toch zelf niet verloren gaan. Jouw angst om onder die brug terecht te komen, blokkeert het maken van goede keuzes en is de beste bescherming voor het hypocriete systeem. En ik weet waarover ik het heb als ik deze woorden schrijf", aldus mijn correspondent de klokkenluider, "want ik weet hoe moeilijk het leven als freelancer en werkzoekende is en hoe het is om de halve wereld tegen je te hebben." Einde citaat.

 

'Van je vrienden moet je het hebben' - niet dus als puntje bij paaltje komt. Reken er maar niet op, dan kan het altijd meevallen. 'In nood leer je je vrienden kennen'. Als je in moeilijkheden komt, dán ga je ervaren wie wérkelijk je vrienden zijn. Allerlei zogenaamde vrienden, would-be vrienden, vallen dan af. Want:

 

                               Een vriend is niet, die u aan 't hart wil sluiten

                               in uw geluksuur en zich niet genoeg doen kan,

                               maar die den balling bij zich binnen roept en dan

                                                               de deur toeslaat tegen de wolven buiten.

 

                                                               Leopold![38]

               

Zo'n vriend die jou als balling binnen roept en die jou beschermt tegen de wolven, onze God is zo'n vriend en je vindt Hem in Jezus. In Hem zien we die God vóór ons.

 

Zijn 'vrienden' willen de ondergang van Jeremia. Maar hij zegt: "De Heer is bij mij als een machtig strijder". En Jezus zegt: "Word niet bang voor de mensen. (...) Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden. Wees eerder bang voor hem die en ziel en lichaam kan ombrengen. (...) Alle haren op je hoofd zijn geteld. (...) Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen, zal ook ik partij kiezen voor hem bij mijn Vader in de hemel."

 

Veelgeliefden, wat is dat: partij kiezen voor Jezus bij de mensen? Ik denk: het gaat om trouw aan wat jijzelf als diepste en hoogste waarheid en waarde in en van jouw leven begrijpt en opvat. Als je daarvoor staat en daarvoor opkomt, dan kun je veel weerstand en tegenstand over je afroepen en dat is natuurlijk lastig of zelfs

gevaarlijk - als de wolven buiten zich beginnen te roeren. Maar als je het nochtans doet, dan ben je niet alleen trouw aan jezelf maar ook aan Jezus, die hetzelfde heeft gedaan als jij dan, en daarmee ben je trouw aan God in jou. Die God, veelgeliefden, zal met jou zijn en met jou blijven, wat er ook gebeurt. Hij is en blijft dan voor jou werkelijk een vriend. Moge het voor ons allen zo zijn. Mogen wij het ervaren. Amen.

 

Verkondiging

 

op 18 juni 2017, hoogfeest van het Lichaam en Bloed des Heren (Sacramentsdag), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering van de parochie van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

Gelezen: uit het boek Deuteronomium (8, 2-3+14b-16a), Psalm 147, uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe 10, 16-17 en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (6, 51-58).

 

Billy Elliot is een beroemde film.[39] Hij was gisteravond nog op de tv. De film speelt in Engeland. Daar waren vroeger veel kolenmijnen. Kolen dat is: steen die je kunt verbranden.

Je kunt kolen in de kachel doen, in een kolenkachel, en zo kun je het huis verwarmen.

 

President Trump, Donald, wil in Amerika de kolenmijnen openhouden, maar in Engeland wilde de regering ze dertig jaar terug al sluiten. Want olie en gas waren goedkoper dan steenkool. Natuurlijk waren de mijnwerkers daar niet blij mee. Want dan hadden zij geen werk meer. Daarom gingen ze staken. En ze gingen vechten. Met de politie.

 

Billy, de hoofdpersoon van de film, is elf. Hij woont met zijn vader, zijn broer en zijn oma.

Zijn vader en zijn broer zijn mijnwerkers. Zijn moeder is dood. Soms gaat Billy naar haar graf.

En voordat ze dood ging heeft ze ook een brief geschreven voor Billy - voor als hij achttien was. Maar Billy heeft de brief al eerder geopend. Er staat in: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn." Op een keer pakte Billy een fles melk uit de koelkast. En toen zag hij haar opeens, zijn moeder. Daar stond ze: aan de andere kant van de keuken. "Niet uit de fles drinken" zei ze. Billy pakt een glas. Hij schenkt de melk in en zet de fles op de koelkast. "Terug in de koelkast" zegt zijn moeder. En dan is ze weer verdwenen.

 

Billy zit op boksen. De bokshandschoenen zijn nog van zijn opa geweest zegt zijn vader.

Maar Billy vindt boksen maar zozo. Het is eigenlijk niet zijn ding. In de boksschool wordt ook balletles gegeven. Dat trekt hem meer. Hij gaat meedoen met ballet. Hij vertelt het niet aan zijn vader. Want die vindt het vast niet goed dat Billy niet meer bokst maar ballet. Die vindt het vast een meisjesding en een homoding. Ja, dat voelt Billy wel aan (zijn theewater). Hij is ook de énige jongen die op ballet zit. Maar hij vindt het leuk. Het krijgt hem helemaal te pakken. En zo makkelijk is het trouwens niet. Het is zwaar. Je moet er ontzettend hard voor trainen. Het gaat steeds mis. En dan zegt de balletjuf steeds: Do it again - Ópnieuw. En alleen op die manier leer je het en leer je dingen: door ze steeds opnieuw te doen.

 

Billy heeft talent. Dat ziet de balletjuf al gauw. Ze wil dat hij auditie gaat doen voor de Royal Ballet School, de Koninklijke Ballet Academie. Maar dat kost geld. En waar moet dat vandaan komen? Als Billy's vader ontdekt dat hij op ballet zit, dan is hij lááiend, wóedend. Maar de balletjuf brengt hem op andere gedachten. En weet je wat hij dan doet? Er zijn nog een paar gouden sieraden van zijn vrouw, van de moeder van Billy: een ketting, een armband, oorbellen. Die gaat hij verkopen of liever gezegd: 'belenen'. Dat betekent: dan kun je die dingen later terugkopen. (Wij hebben hier in Amsterdam ook. de Stadsbank van Lening. Die is al heel oud. Uit 1614. Het gebouw staat aan de Oudezijds Voorburgwal. De beroemdste dichter uit de hele Nederlandse geschiedenis, Joost van den Vondel, van het Vondelpark, die heeft er tien jaar gewerkt.) Het lukt! Billy Elliot wordt aangenomen op de balletacademie. De mijnwerkers gaan weer aan het werk diep onder de grond. En Billy springt omhoog.

Hij komt in een andere wereld terecht en krijgt en heel ander leven. Tot zover die film.

 

En wat heeft die film met de Eerste Heilige Communie te maken? Nou ja... De opa van Billy is dood. Maar zijn bokshandschoenen zijn er nog. De moeder van Billy is dood. Maar haar gouden sieraden zijn er nog. En door die sieraden kan zij nog iets heel belangrijks voor Billy doen. Dat had haar man, de vader van Billy, goed begrepen. Die sieraden waren er nog. En er was ook nog die brief. Wóórden: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn."

 

Wij weten: In de kerk gaat het om God. En het gaat over Jezus, de Zoon van God. Jezus is dood. Maar zijn woorden zijn er nog. Die woorden van Jezus noemen wij: Het Evangelie. De Blijde Boodschap. Het Goede, het Verheugende Nieuws. En wat is dan dat goede nieuws, die blijde boodschap? Wat houdt die boodschap in? Nou ja... Ik denk: het is eigenlijk dezelfde boodschap als in die brief van Billy's moeder aan hem: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn." Daar komt het eigenlijk op neer. Dat zegt Jezus ook tegen elk van ons en vandaag heel in het bijzonder tegen jullie: onze eerste communicantjes.

 

Jezus heeft gezegd, ik heb het net voorgelezen: "Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. (...) Mijn dood brengt redding." Ja, lieve kleine en grote mensen, zo is het: Door het brood en de wijn houden we contact met Jezus, met God. Jezus is gestorven en toch leeft Hij. Hij leeft vóór ons. Hij leeft voor óns. Hij leeft ín ons. Hij leeft dóór ons.

 

Bokshandschoenen en gouden sieraden raak je kwijt, gaan kapot of moet je verkopen.

Maar brood en wijn, Jézus' afscheidsgeschenk, is stééds nieuw en vers. "Dit is mijn Lichaam." "Dit is mijn bloed." In de kerk klinken die woorden iedere dag. En zo laat Jezus ons weten: "Ik hou van je." En: "Ik ben altijd bij je." Je moet die woorden goed in je oren knopen.

Het is goed om ze steeds opnieuw te horen. Dus daarom is het ook goed om vaak naar de kerk te gaan, zeker op zondag. Do it again, ópnieuw! zei de balletjuf tegen Billy en tegen al haar balletleerlingen. Ik zeg het vandaag ook tegen jullie: Do it again, ópnieuw! Ballet moet je oefenen. Boksen moet je oefenen. En Jezus moet je ook oefenen. Want 'oefening baart kunst' zeggen we: Wat je steeds opnieuw oefent, daar word je goed in.

 

In de kerk krijgen we het Lichaam van Christus - en Zijn Bloed. En daardoor wórden wij zelf Jezus' Lichaam. We krijgen Jezus. En we worden samen Jezus. Dat is de bedoeling. Samen laten we Hem zien, hopelijk. Als het goed is, als we het góed doen, als we Jezus' woorden góed horen en Zijn Lichaaam en Bloed góed ontvangen, dán laat Jezus écht Zichzelf zien, in jullie en in mij. Jaja... Dat is niet niks. Oefenen dus. Do it again. Opnieuw!

 

Achter in ons misboekje staan foto's van onze communicantjes en wat ze er zelf over denken en hebben gezegd.

 

Eén kind (Christie) zei: "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik (...) in Jezus en God vertrouw." Zo is dat.

 

Een ander kind (Thomas): "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik God wil laten weten dat ik in Hem geloof." Dat is ook een héle mooie.

 

En weer een ander kind (ook Thomas): "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat God mij dan nog beter kan beschermen."

 

Ja! Zo is dat!

 

"Vergeet de Heer jullie God niet! Want Hij (...) heeft jullie geleid door die grote, verschrikkelijke woestijn, vol slangen en schorpioenen." Dat hebben we horen voorlezen in onze eerste lezing vandaag, uit het bijbelboek Deuteronomium. En het is wáár lieve kleine en grote mensen: Soms kan je eigen leven een woestijn zijn: kaal, leeg, dor, eenzaam. En je leven kan vol

slangen en schorpioenen zitten. Dat zijn de mensen. Ze kunnen aardig en lief zijn. Maar helaas ook héél vals en gemeen, zelfs in de kerk! En zelfs kinderen kunnen het zijn. We kunnen er over meepraten. We hebben dus bescherming nodig! En God wíl je beschermen door het ware hemelse brood, door het Lichaam van Jezus, door de communie. Dus ik hoop niet dat dit vandaag voor jullie de eerste en ook de laatste communie is. Maar dat er voor jullie ook een tweede communie komt. En een derde. En een tiende. En een honderste. En misschien wel een duizendste. Denk aan de woorden van Billy's moeder. Denk aan Jezus' woorden. En denk aan de woorden van Billy's balletjuf: Do it again. Doe 't opnieuw! Óefen Jezus. Kom terug!

 

Valentina zei: "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik van God wil leren en om arme kinderen te helpen.

 

En Jan: "(...) Omdat ik naar Jezus wil gaan en ik wil dat Jezus in mijn hart komt."

 

Ja! 

 

Amen

 

Verkondiging

  

 

11 juni   (Ton van Hal)

 

Beste medeparochianen

Als u op dit Hoogfeest van de Drievuldigheid naar de kerk bent gekomen om eens een goed doorwrochte theologische verhandeling te horen over dit geloofspunt, de drie-eenheid,  dan moet ik u helaas teleurstellen. Ik kreeg gisteravond pas de vraag of ik wilde preken; er was een misverstand. Mijn naam is ook niet Wilmer, zoals op het boekje staat, maar eenvoudigweg Ton.

 

U moet het vandaag doen met een paar losse gedachten die ik op u zal loslaten en (zoals gewoonlijk) : u hoeft het er gelukkig weer niet mee eens te zijn.

Laten we de drie lezingen nog even bekijken. Waarom zijn juist deze lezingen gekozen op deze dag? Zit er een bepaalde lijn in ?

 

Eerst de lezing uit Exodus.  De Israëlieten trekken tientallen jaren door de woestijn op weg naar het beloofde land Kanaän. Mozes, hun leider, heeft van Jahweh de Tien Geboden ontvangen, gegrift op grote stenen tabletten. Wie herinnert zich niet (als je tenminste mijn leeftijd hebt of nog ouder bent) hoe Charlton Heston  in de film de Tien Geboden uit1956 van de berg Sinai afdaalde , die stenen tafelen hoog boven zich verheffend. Maar hij zag hoe de mensen inmiddels van al hun gouden sieraden een kalf hadden gemaakt dat ze aan het vereren waren met zang en dans. Ik zie nog hoe Moses in de film die enorme stenen aan gruzelementen gooide. De mensen hadden zich uit ongeduld en ongeloof een nieuwe God gemaakt van goud.  Je kunt je wel eens afvragen of er eigenlijk veel veranderd is in de eeuwen.

Maar in het stukje dat we vandaag hoorden  zien we Moses opnieuw de berg op gaan  met nieuwe stenen tafelen en weer ontmoet hij God die opnieuw een verbond aanbiedt met de mensen. 

 

Even naar de brief van Paulus aan de Korintiërs.  Jammer dat de lezing begint bij vers 11 want in het vers daaraan vooraf staat het volgende:  Daarom schrijf ik uit de verte (zegt Paulus) om bij mijn komst niet streng te moeten optreden, want ik wil komen om op te bouwen, niet om af te breken. En dan komen de vriendelijke aansporingen en de hartelijke afscheidsgroet.

 

Johannes 3, 16-18. Ik herinner me dat je dat vroeger vaak zag staan op een spandoek in de stadions van voetbal WK’s, Olympische Spelen, Touretappes enzovoort, een man met een spandoek, heel strategisch opgesteld bij de finish, achter het doel, bij de meet, zodat hij altijd wel prominent in beeld kwam: Joh. 3. 16-18. Wat daar staat, we hebben het net gehoord. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat hij zijn enig geboren zoon gegeven heeft opdat eenieder die in hem gelooft  niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.”

 

Beste mensen, wat heeft dit alles met Drievuldigheid te maken?

Wat ik kan bedenken is dit: De God van het Oude Testament , van Moses,  wil een verbond met ons mensen sluiten. Steeds opnieuw, ook als wij het weer eens verknald hebben. Dat is God de Vader. Over God de Zoon spreekt Jezus met Nikodemus. God heeft zijn zoon naar ons gezonden: het is Jezus zelf in wie wij God kunnen herkennen. God zelf kunnen wij niet zien (ook Moses kon hem niet echt zien). En Paulus, net zoals al die andere mannen van God uit het begin, in hem is God ook komen wonen: hij is vervuld van Heilige Geest.

Van God zelf via zijn Zoon Jezus tot een gewone mens als Paulus, als u en ik. God wil bij ons, wil in ons wonen. Is Hij (of Zij als je wil) welkom bij jou ?  Is dat niet eng? Word je dan een soort halve heilige? Persoonlijk geloof ik dat dat wel mee kan vallen. Want wat is die God, wat doet die God dan in jou?

 

Ik hoor in de lezingen van vandaag  van een God die het keer op keer opnieuw met ons wil proberen. Ik hoor van een Man van God die ons wil opbouwen, niet afbreken. Ik hoor van een God  die ons zelfs eeuwig leven in het vooruitzicht stelt.  Zo’n gast is toch zeker altijd welkom?

Kortom: we kunnen gerust spreken van een blijde boodschap op een mooie dag.

 

Amen

 

Verkondiging

 

5 juni 2017 2e pinksterdag 

Een vlam die niet verbrandt maar inspireert. 

Ik denk hierbij direct aan Frans Horsthuis.

Frans schreef een boek “De Koninklijke Weg”.

Ik ben gegrepen door wat hij schreef over zijn ervaringen met Jezus die tot hem spreekt. Hoe Frans zijn hele leven in handen van Jezus heeft gelegd.

Zijn contact met Jezus werd heel persoonlijk.

Ik kan bijna niet geloven dat je zo direct met Jezus zou kunnen praten.

Aanvankelijk wantrouwde Frans die stem.

Hij vroeg In belangrijke beslissingen om een teken en dat kreeg hij ondubbelzinnig.

Eens werd hij gevraagd voor een hele grote groep (OF een groep van 120)  studenten een retraite van enkele dagen te leiden. Daar zag Frans tegenop.

Hij vroeg aan Jezus: geef me er tenminste een voor wie ik iets mag betekenen.

Prompt antwoordde Jezus hem : het gaat me in deze retraite in het bijzonder om een jongeman met een lichtblauw overhemd aan. Hem moet je vragen over zijn persoonlijke relatie met mij.

Op de vierde en laatste dag van die retraite loopt Frans de trap op. Een student komt net naar  beneden en vraagt hem : zou ik een gesprek met u kunnen hebben over mijn beleving van het geloof.

Deze jongeman droeg een lichtblauw overhemd.

Net zoals de apostelen aangeraakt werden door de Heilige Geest en de wereld ingingen om het geloof te verkondigen. Zo werd Frans er ook op uit gestuurd.

Jezus droeg hem op naar Oost Europa te gaan om daar gelovigen in kleine groepen te gaan inspireren.

Hier zie ik een duidelijke verbinding met Pinksteren. 

Zoals de apostelen werden aangeraakt en geïnspireerd door de Heilige Geest om het geloof te gaan verkondigen. Zo zouden ook wij ons geloof vurig met anderen kunnen delen.

Dat kan ieder van ons op zijn eigen manier invullen.

Na lezing van zijn boek was ik zo onder de indruk dat ik probeerde Frans Horsthuis op internet te vinden. Hij moest als hij nog leefde over de 90 zijn. Ik vond een oud email adres,  mailde hem en kreeg direct een bericht terug.

Toen wilde ik hem ook spreken. Hij bleek een levendige man aan wie je de 90 plus niet af zag. Heel gewoon vertelde hij hoe hij met Jezus sprak en antwoorden kreeg.

Ik vertelde hem dat ik nooit gedurfd had zo direct met Jezus te spreken. Met Maria was dat anders voor mij. Frans noemde dat een misverstand dat hij vaker hoorde.

Waar het om gaat, dat is je persoonlijke verhouding tot Jezus. 

Op het eind van ons gesprek stelde hij voor samen te bidden. Daarbij zei hij, terwijl hij deed alsof hij een gordijn voor zijn ogen wegtrok, als wij de sluier voor onze ogen wegtrekken zien we dat Hij bij ons is.

Hier en nu is die kracht aanwezig voor ieder van ons als je hem wilt voelen.

Het is een onvoorwaardelijke overgave en vertrouwen en ook spannend om met Jezus zo in contact proberen te komen.

Die inspiratie geeft de heilige geest ons vandaag. Dat wens ik ons allen toe.

Het is heerlijk om zo te mogen geloven. 

Amen 

Verkondiging

 

 

op 28 mei 2017, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (1, 12-14), de eerste brief van Petrus (4, 13-16) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (17, 1-11).

 

Overwinteren.

 

Het is misschien vreemd, dierbare gasten en parochianen, om op deze zevende zondag van Pasen terwijl wij, eind mei, een heuse hittegolf beleven, deze verkondiging met dát woord, overwinteren, te beginnen, maar toch... Ik zal u vertellen hoe ik op het woord kom en waarom het voor mij goed samenvat waar wij op deze zondag in dit tijdsgewricht mee te maken hebben.

 

Afgelopen woensdag werd vanuit onze Bavo-kathedraal in Haarlem Frans Geels uitgevaren,

priester van ons bisdom, 67 jaar oud. De viering werd geleid, coram episcopo, 'voor het aangezicht van de bisschop', door mijn dierbare vriend en ambtsbroeder pastor Nico van der Peet, wonend en werkend in Amsterdam-Noord. In zijn preek herinnerde Nico aan de preek bij zijn eigen eerste mis, in 1990, in dezelfde kathedraal gehouden. Het was de nu gestorven Frans die destijds gesproken had. Hij had het gehad, ik citeer, "over de religieuze winter waarin wij leven" en dat wij "in deze tijd geroepen waren (om) de religieuze winter te doorstaan". Frans Geels had met die woorden gedoeld op het voor geloven en kerk-zijn 'moeilijke klimaat' van die dagen, anno 1990. Wij zijn nu zevenentwintig jaar verder maar liefst. Maar is die "religieuze winter" nu voorbij? Hoe is uw aanvoelen wat dit betreft? Ik persoonlijk waag het te betwijfelen. Erg lenteachtig laat staan zomers is het klimaat voor en binnen onze Roomse kerk in Nederland en binnen het Bisdom Haarlem-Amsterdan in mijn perceptie inmiddels nog niet geworden. Of vergis ik mij?

 

Ja natuurlijk, we hebben inmiddels paus Franciscus. Een betere paus is moeilijk voorstelbaar. Laten wij hopen en bidden dat hij nog lang leeft en gezond blijft. Paus Franciscus is zonder meer een zomerse figuur. Hij doet de harten smelten, mondiaal - al zal ook hij afgelopen week aan Trump wel een harde dobber gehad hebben. Maar... wat doet de paus vóór en met ons als Roomse kerk in Nederland? Is er ook bij ons sprake van een pausfranciscuseffect? Hoe zit het wat dit betreft met de bisschoppen, kardinaal Eijk voorop? Hoe zit het met de priesters? Wat betekent de paus voor u, de kerkgaande gelovigen? Wat betekent hij voor de niet-kerkgaande gelovigen? Wat betekent hij voor de ongelovigen en voor de andersgelovigen in Nederland?

 

Of zijn dit soort vragen niet goed veelgeliefden? Het gaat toch niet om de paus! kunt u tegenwerpen. Het gaat toch om Jezus? Zeker. Natuurlijk. Maar zoals Jezus in het evangelie van deze dag zelf zegt: "Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter." Alles wat Hij heeft en is, Jezus, dat heeft Hij aan óns gegeven. Dus nu is het aan óns om Hem te laten zien en om te doen wat Híj deed. De paus doet het voorbeeldig. Beter is voor een paus bijna niet mogelijk lijkt mij. Maar ja... dat is paus. Hoe zit het met ons?

Hoe doen wij het: u, ik, de priesters, de Nederlandse bisschoppen?

 

Frans Geels had, zevenentwintig jaar terug, in zijn preek bij de eerste mis van Nico van der Peet ook "de jonge Samuël" ter sprake gebracht, "die", ik citeer, "in de vroege ochtend een stem hoorde en tegen de mode van de tijd in, dienstbaar was aan de tempel, de aanwezigheid van God verwachtte en bewaakte, de tempellamp brandend hield, in een tijd waarin de tempel van Silo amper open te houden was, de lamp ternauwernood brandde en zelfs de zonen van de priester Eli het wel geloofden of beter: niet meer geloofden." Einde citaat. De woorden houden ons een spiegel voor en stellen indringende vragen aan ons, aan u, aan mij:

 

Hoe zit het met die stem van God in jou? Hoor je iets, of nauwelijks iets, of helemaal niets?  

 

Ben jij dienstbaar aan de tempel?

 

Verwacht jij God?

 

Bewaak jij Zijn aanwezigheid?

 

Houd jij de tempellamp brandend?

 

Geloof jij?

 

Of geloof jij het wel?

 

Of geloof ook jij eigenlijk niet meer?

 

De afgelopen week heb ik gelezen een boek getiteld Brief aan de paus. De schrijver ervan is Mark Vangheluwe, de neef van Roger Vangheluwe die gedurende bijna vijfentwintig jaar de geziene en gevierde bisschop was van Brugge, de schone stad in West-Vlaanderen. Maar hij heeft, deze oom-bisschop Roger, vanaf nota bene zijn vijfde tot in zijn achttiende levensjaar zijn neef Mark seksueel misbruikt. Dertien jaar lang heeft hij hem voortdurend verkracht. Mark is erdoor voor het leven getekend. Schaamteloos heeft oom-bisschop over zijn leven beschikt, hem geëxploiteerd en gechanteerd. Dat geloven in God, laat staan geloven in de kerk, tegen de achtergrond van zulke ervaringen niet zo gemakkelijk is, dat kan een kind bedenken.

 

Een paar citaten uit zijn boek:

 

"Ik kreeg Je maar niet aan de lijn. Nooit heb ik iets van je gehoord, geen teken van leven kreeg ik en geen enkele blijk van medeleven ontving ik. Niets. Alles bleef stil."[40]

 

"In ieder geval, en dat ben ik ondertussen redelijk zeker, ik heb geen vertrouwen meer in wat Zijn Zoon, Jezus Christus, ons hier heeft nagelaten. In de voortvloeisels van Zijn doen en laten kan ik niet meer geloven. Ze hebben er een zooitje van gemaakt. Niet te schatten. Pausen en bisschoppen, priesters en diakens, broeders en zusters, paters en nonnen, kerken, kathedralen, abdijen, basilieken en doe maar voort... met die hele handel heb ik het gehad. Ik heb genoeg gevoeld, gezien en gehoord. Ze kunnen me allemaal gestolen worden. Kotsmisselijk wordt een mens van een dergelijke onorthodoxe bende."[41]

 

Ik kan mij die weerzin in de situatie van deze Mark Vangheluwe goed voorstellen veelgeliefden. Ik denk: vele mensen kunnen het. De weerzin van vele van onze land- en tijdgenoten is als de zijne. En is misschien ook de onze. En is in elk geval de mijne. Ik moet u bekennen, dierbare gasten en parochianen, dat wat ikzelf het afgelopen half jaar heb moeten meemaken in mijn persoonlijke omstandigheden in kerkelijk verband; ik moet u zeggen dat het mij meer dan eens het sentiment en de gedachte heeft ingegeven: Zak toch in de stront met die hele kerk van je.

 

Maar ja... ik ben priester van de Roomse kerk. Ik heb mij er aan gecommiteerd, aan 'de zaak van Jezus' en in dat verband ook aan het gebed. U kunt zich misschien echter voorstellen, dierbare parochianen en gasten, dat de lust om te bidden en de animo om voor het gebed in de kerk om zes uur (de lezingendienst) en om half acht (het morgengebed) uit je nest te komen in zulke omstandigheden soms niet groot kan zijn en dat je de ervaring kunt hebben dat het werkelijk uit je tenen moet komen.

 

Ja.

 

Maar in onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen lezen wij en daaruit hoorden wij: "Zij bleven allen trouw en eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers."

 

Zij, trouw en eensgezind in gebed. En dat na alles wat zij meegemaakt hadden: de gruwelijke dood van Jezus in wie God zelf werd vermoord zoals Hij geschonden werd en wordt in elk mensenkind dat werd en wordt misbruikt.

 

Trouw en eensgezind in gebed. In het gebed kom je jezelf tegen. In het gebed kom je anderen tegen, mede-gelovigen. Of je komt ze daarin natuurlijk niet tegen. In het gebed kom je God tegen. En daarom kan bidden zo moeilijk zijn. Bidden kan een probleem zijn. Voor veel mensen is het dat. Ze hebben de moed er niet voor. Het is bij ze in de benen gezakt. Ze kunnen zich er niet toe zetten. Ze weten niet hoe het moet. Of: hoe het kan.

 

Bidden, veelgeliefden, kan een probleem zijn. Maar ik denk: het kan ook een oplossing zijn, of minstens: een deel van de oplossing, het begin daarvan misschien. Als je bidt, als je met de hulp van Gods genade en wellicht ook de hulp en de aanmoediging van de je mede-gelovigen over de hobbel om te bidden heenkomt, steeds weer heenkomt eventueel, dan kun je daarin ook ervaren: Hij heeft geduld met mij. En steeds wacht Hij op mij. Hij draagt mij. En ook mijn mede-gelovigen dragen mij en wachten op mij en hebben geduld met mij.  

 

Mark Vangheluwe vertelt in zijn boek dat hij vaak 's nachts wandelt, met de hond. In het Vlaamde land, komt hij dan ook de nodige kapellen tegen. Hij schrijft: "Er moeten toch nog gelovigen zijn die hier langskomen. Je zou denken dat ze niet meer van deze tijd zijn, dat niemand er nog komt en iedereen in de streek ongelovig is, in sommige gevallen is dat ook zo, maar toch brandt er haast altijd een pas aangestoken kaars en staan er verse bloemen, zijn het Mariabeeld en de gekruisigde Christus afgestoft. Het is net of ze zichzelf proper houden en geen onderhoud nodig hebben."

 

Ooit, ergens in zijn jeugd, stond hij in de kerk en, ik citeer opnieuw: "Het grote kruis vooraan, boven het tabernakel, met een houten Christus erop gespijkerd die me aankeek, de kop iets scheefgezakt en met een blik van: 'Jongen, wat maken ze je eigenlijk wijs, trek het je niet aan, het leven is een klucht, een verhaal dat je zelf moet schrijven, het gaat er niet om hoe lang het is, maar hoe goed het is, profiteer ervan', dat stelde me enigzins gerust" -  aldus Mark.[42]

 

Hij hééft overwinterd. Hij is door de hel gegaan en in een uiterst langdurig en pijnlijk proces heeft hij met en in zijn boek de werkelijkheid en de waarheid zoals hij die heeft ervaren volledig uit kunnen drukken. "Soms moet men alles omver durven stampen om te zien wat recht blijft staan, om dan terug op te bouwen wat op te bouwen valt."[43] Bewonderenswaardig.

 

Dat elk van ons er toe in staat mag zijn, dierbare gasten en parochianen: tot overwinteren of tot overzomeren desnoods. Dat ook elk van ons in staat mag zijn om de eigen werkelijkheid en waarheid, om die te leven en uit te drukken. Jezus zegt: "Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat U Mij te doen hebt gegeven." Wij weten wat het heeft ingehouden, waartoe het geleid heeft, wat het voor Jezus heeft betekend en wat het Hem heeft  gekost. Moge Hij ons moed geven voor de weg die elk van ons te gaan heeft.  Amen.

 

Verkondiging

op 14 mei 2017, 5e zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand 6, 1-7; 1 Petrus, 2,4-9; Joh. 14, 1-12

 

Ooit woonde ik een aantal jaren in Utrecht. In Oudwijk staat een prachtige kerk. Gebouwd in de twintiger jaren en eind jaren negentig omgebouwd tot appartementen. Ging als huis van God niet eens een mensenleven mee. In de hal is een gedenksteen aangebracht met de tekst: “In het huis van mijn vader zijn vele woningen”. Deze tekst is ontleend aan het evangelie van vandaag. Waar ooit werd gebeden en van waaruit goede werken werden gedaan, zijn nu woningen. Omdat God altijd onderdak biedt aan mensen.

 

De eerste lezing van vandaag brengt een tweedeling aan tussen ons. Sommigen moeten zich wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord. Anderen moeten ervoor zorgen dat het woord van God niet wordt verwaarloosd. Hier wordt de taak van de Caritas bedoeld. De een gaat bidden, de ander gaat goede werken doen. Bij het caritaswerk mogen we ons niet beperken tot de eigen groep. Niet eigen volk eerst. We moeten de boodschap van het evangelie tot naastenliefde oppakken, ook al weten we dat taal en culturele verschillen kunnen leiden tot misverstanden, tot spanningen, tot tweedracht en misschien zelfs tot discriminatie.

 

Er is niets nieuws onder de zon. In de eerste jaren van de kerk, zo lazen we zojuist, waren er spanningen tussen Grieks sprekende en Aramees sprekende Christenen. De ene groep zorgde niet voor de andere. Dat werd hen verweten. Vreemd natuurlijk, want ze hadden hetzelfde geloof. Ze spraken alleen een andere taal. Misschien verstonden ze elkaar niet of hebben ze elkaar verkeerd begrepen. We moeten over taalverschillen heen stappen, maar ook over religieuze verschillen. We zullen, zoals paus Franciscus onlangs in Egypte deed, niet alleen bij de aan ons verwante Kopten op bezoek moeten gaan, maar ook bij andersdenkenden zoals Joden en Moslims. Ik denk dat wij de eerste stap moeten zetten om de verstandhouding in de wereld tussen de religies te verbeteren. Het zal niet van bovenaf komen, maar moet vanuit ons beginnen. De wereld is gediend met een dialoog en met wederzijds begrip tussen Moslims en christenen en tussen Joden en Moslims. Dat is de enige weg naar vrede in de wereld. Als er wederzijds begrip is, wederzijdse tolerantie, dan is er ruimte voor velen, niet alleen in dit huis, maar op heel de aarde. Hier schort het nog al aan. Begrip en tolerantie zijn ver te zoeken. Komt dit voort uit onze angst? Angst om iets te verliezen? Wat staat er dan op het spel? Ons eigen geloof, onze eigen cultuur, onze eigen gewoontes? Laat je niet bang maken door populisten, doemdenkers, egoïsten en angsthazen. Denkt u nou echt dat zonder de komst van vreemdelingen en andersdenkenden naar ons land, onze gewoonten niet zouden zijn veranderd in de afgelopen decennia? Ik loop toch al een flink tijdje mee. Niets is meer zoals het was en dat is maar goed ook, want stilstand is achteruitgang.

 

Ik had juist altijd het gevoel dat de ontmoeting met andersdenkenden me verrijkt. Daarmee hoef je jezelf niet te verloochenen of je te bekeren. Door de ander te leren kennen leer je ook heel veel over jezelf. Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik op achttienjarige leeftijd van Tilburg naar Leiden verhuisde om te gaan studeren. Toen, in de jaren zestig, een ware cultuurschok. Van een voor katholieken open katholieke stad naar een voor katholieken gesloten protestantse. Van een katholieke school naar de universiteit die het bolwerk was van de reformatie. Van katholieke verenigingen naar een religieus-neutrale of bijna religieus-vijandige studentenvereniging. Maar ik ben er volgens mij niet slechter van geworden en ik heb ook de kerk niet verlaten. Ik heb er van geleerd. Je moest jezelf altijd verdedigen in de zin van “Maar gij bent ook een van Hem”. Eigenlijk was je een eenling, een buitenstaander, een roomse zuiderling, misschien wel een roomse zonderling in hun protestantse ogen. Maar zij namen mij op in hun huis, waar plaats was voor velen. Ik kreeg er waardevolle vriendschappen onder andersdenkenden: hervormden, doopsgezinden, vrijmetselaars en antroposofen. Vriendschappen die met behoud van ieders eigene, zijn blijven bestaan tot op de dag van vandaag.

 

Ik was vele malen in Istanbul. Dan genoot ik van een bezoek aan een prachtige moskee zoals bijv. De blauwe moskee. In het centrum van Amsterdam kan ik werkelijk stil worden in een van de grote synagogen van onze stad. Ook in deze huizen van God is plaats voor velen. Ik genoot, waarschijnlijk net als andersdenkenden die een bezoek brengen aan de Sint Pieter of aan een van de vele kerken in Rome. Daarmee hoeven zij nog niet katholiek te worden en ik niet moslim of jood. De ontmoeting met de ander kan je kracht en sterkte, begrip en vertrouwen geven. Je treedt andere mensen met open hart tegemoet. Laat je niet uit het veld slaan en zeker niet afschrikken door enge populisten en tirannen of door terreurdaden van zwaar gestoorde individuen en groepen.

 

De boodschap van vandaag is dat in het huis van God plaats is voor velen. Voer dus een ruimhartig vreemdelingenbeleid. Geef ze kost en inwoning en neem ze op in ons midden. Laten we niet beknibbelen op ontwikkelingshulp, op caritas, op vreemdelingenhulp en ook niet op een bed-bad-en-broodregeling. Neem de boodschap van Laudato Si’ ter harte. Paus Franciscus roept daarin op om de schepping te behouden en de levensomstandigheden van de zwaksten te verbeteren. Hij roept op om het welzijn te behartigen van de generaties die na ons komen. De aarde is ons huis. Daar moeten we zuinig op zijn, zodat er plaats is voor de vele mensen die de aarde bewonen en nog gaan bewonen.

 

Ik wil graag deze verkondiging samen met Laudato Si’ aanbieden aan de onderhandelaars van de kabinetsformatie. Dan zijn geen partijprogramma’s en geen moeizame gesprekken meer nodig. Deze richtlijnen zullen het leven van iedereen op Gods aarde verbeteren.

Opdat er plaats is voor velen!

 

Amen

 

Verkondiging

 

 

op de 4e zondag van Pasen, 7 mei 2017, “Roepingenzondag”, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Johannes 10,1-10

                               Handelingen 2,14a.36-41. Psalm 23. 1Petrus 2,20b-25

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Het wordt een traditie: elk jaar dat Bevrijdingsdag geen nationale vrije dag is, klinkt de roep om 5 mei ieder jaar voor iedereen vrij te laten zijn. “Wij willen vrij,” riepen wij, kinderen, al op de basisschool. Want als je vrij bent, leef je pas ècht – in zoveel ellendige situaties in de wereld verlangen mensen ernaar.

                Vrijheid is aantrekkelijk; je kunt ademen, lachen, genieten van elkaar en van al het goede. Wanneer Jezus zegt dat het doel van Zijn komst in de wereld ons leven in overvloed is, kunnen wij ons dat niet voorstellen zonder vrijheid. Terecht [cf. Paulus in Ga 5,1].

                Maar hoe die overvloed aan leven, die vrijheid, er dan uitziet, daarover lopen de ideeën nogal uiteen. Menige bevrijdingsbeweging is uitgelopen op een gewelddadige onder-drukking. Bij politieke partijen betekent de vrijheid van de één vaak de onvrijheid van een ander – zoals de Franse Revolutie ons geleerd heeft: vrijheid, gelijkheid en broederschap golden niet voor slaven en de armen [i.t.t. Paulus in 1Kor 12,13. Ga 3,28].

                Het leven in overvloed dat Jezus bewerkstelligt voor wie in Hem geloven en Hem navolgen, is (1) het meest vrije leven op aarde en is (2) bedoeld voor iedereen.

                (ad 1) Dit overvloedige vrije leven wordt gemakkelijk verward met onafhankelijkheid. Onafhankelijkheid klinkt aantrekkelijk, maar blijkt een illusie: mensen hebben (God en) elkaar nodig; landen hebben elkaar nodig. Dat kan zo beklemmend voelen, dat partners uit elkaar gaan – “het is geen leven zo” – en dat volken “breken” (Brexit) met elkaar en (opnieuw) muren bouwen om zich te beschermen. Maar wie los van anderen zijn plan trekt, verdwaalt, eindigt eenzaam en berooid. Denk maar aan de verloren zoon, die de levensader doorsneed en deed waar hij zin in had. Dat is geen leven [Lk 15,11-16].

                Leven in overvloed ervaren we daarentegen juist als wij samen zijn: genieten van het eten, van goede muziek, de natuur, een voetbalwedstrijd – als we het zonder anderen doen, is er niet veel aan. Ook bij arbeid: samenwerken betekent dikwijls inspanning, maar ook het hebben/krijgen van een band, solidariteit, voldoening.

                Jezus in het Evangelie benadrukt dat de band met Hem zaligmakend is, voor iedere mens [cf. Joh 10,16]. Het beeld van een goede herder spreekt voor zich: die kent al zijn schapen, geeft om hen – en geeft zelfs Zijn leven, – zal hen brengen waar voedsel is en hij beschermt hen tegen gevaar. Verbondenheid met Hem leidt tot vrede onderling en vrede van binnen. We worden bevrijd van de drang tot zelfbehoud, angst en jaloezie. Dàt is pas leven!

                (ad 2) De Herder Die al Zijn schapen bij name kent, roept hen ook bij hun naam. Ieder van ons laat Hij delen in het meebeleven en het meewerken aan de komst van Gods Rijk [cf. 2Tim 1,8]. Als wij “op onze plek” zijn, word onze vrijheid groter, ons leven overvloediger/ gelukkiger. 

                Iedere mens wordt dus geroepen om te leven. Maar niet wordt iedereen tot hetzelfde geroepen. Onze gaven en talenten wijzen ons al de weg en door onze intuïtie, in gebed en in onderlinge ontmoetingen proberen wij Zijn stem te verstaan: wat is de vervulling van mijn leven?

                Bovendien wordt niet iedereen op dezelfde wijze geroepen. Denk maar aan David, Samuël en Ruth. Als ik terugkijk naar mijn eigen leven, is het verstaan van mijn roeping vooral een innerlijk proces geweest: toen ik op mijn 16e serieuzer ging nadenken over mijn levenskeuzes, las ik ‘toevallig’ het Marcusevangelie dat mij diep raakte en ontmoette ik ‘toevallig’ voor het eerst een Passionist die mij inspireerde. Dat zette mij op een weg waar ik nog steeds gelukkiger van word.
                De stem van God Zelf, ja, die heb ik één keer gehoord. Ik woonde en werkte toen als diaken in Londen. Op een zaterdagmorgen liep ik mee in een Memorial Walk: een voettocht van de historische vereniging langs plekken die in de jaren 1930 en ’40 het toneel waren van het opkomende fascisme in Engeland. Onderweg raakte ik aan de praat met een joodse man. Hij noemde zich agnost: niet antigelovig, maar er was gewoon teveel gebeurd in zijn leven om nog te kunnen geloven. We spraken over van alles, ik weet al niet meer wat. Opeens – zo voelde het voor mij tenminste – vroeg hij mij: “Heb je er weleens over gedacht om priester te worden?” Deze man had ik dus niet eens verteld dat ik katholiek was! Hoe hij eruit zag, weet ik niet meer. Maar achteraf herkende ik de Stem [Joh 10,3v cf. Lk 24,15v]. Dáár heeft de Eeuwige mij aangesproken, zeg ik, bij monde van een niet-gelovige joodse man nota bene! Zo weet ik mij bevestigd in de weg die ik aan het gaan ben. En hoewel die niet altijd eenvoudig is, tot op vandaag vervult deze ontmoeting mij met grote dankbaarheid, met kracht en vreugde, om op deze weg verder te gaan.

                Zo kan het gaan bij levenskeuzes, óók op latere leeftijd; Abraham was al 75 [Gn 12,1-5]: “Levensvervulling: hoe dan”?  Levenshouding, beroep, partner (of niet) en vrienden, je geld en je tijd... De vraag “Wat is Gods bedoeling met mijn leven?” is dezelfde als: “Hoe vind ik het ware geluk?” en: “Welke plaats geeft Hij mij in de geloofsgemeenschap die de Kerk is?” Want als een ieder geroepen is om in verbondenheid met Hem te leven, heeft een ieder hier ook van Godswege een welkome plaats!

                In deze dagen vieren wij onze vrijheid. In het licht van de woorden van de Goede Herder en verzameld rondom Zijn tafel realiseren wij ons dat onze vrijheid en ons geluk uiteindelijk liggen in ons verbonden zijn met Hem. Laten we daarom het lawaai om ons heen tot zwijgen brengen in ons. Dan kunnen wij Zijn stem horen en verstaan. Een goede herder zal elk van zijn schapen immers leiden naar datgene wat goed is voor hen [Ps 23]. In dit ver-trouwen kunnen wij van harte en elke dag antwoord op geven op Zijn stem – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil, nu en hierna [Hnd 2,38-40. 1Pe 2,25]. Amen.

 

Verkondiging

in de Kerk van Onze Lieve Vrouwe Koningin van de Vrede.            30 april 2017.

 

Gelezen uit : Handelingen van de apostelen 2, 14+22-32 en 1 Petrus 1, 17-21 en Lucas 24, 13-35.

Suzette van Balen

 

Hoe zit het ook alweer met  die stokken ?

Een vraag van mijn jongste dochter een paar weken geleden,  hoe zit het ook alweer met die twee stokken die ik moet kopen voor Palmpasen?

Hun oudste zoon Thijmen is  4 jaar en zit op een katholieke school. De ouders is gevraagd twee stokken mee te geven aan de kinderen.  Mijn dochter wist nog wel dat ze de beide stokken als een kruis moest vastspijkeren en dat de kinderen de stokken zouden gaan versieren maar wat was ook alweer het verhaal dat erbij hoort? Ik heb haar het geloofsverhaal verteld vanaf de intocht in Jeruzalem, Palmpasen, tot en met de opstanding van Jezus maar dacht tegelijkertijd: zou ze het geloven of twijfelt ze aan het gebeuren? Ik heb mijn dochters katholiek opgevoed. Ze hebben catechese gehad, eerste communie gedaan en het vormsel  toegediend gekregen. En dan na 20 jaar, wat weten ze er nog van of beter gezegd: willen ze er nog iets van weten?

 In het evangelie hebben we gelezen dat twee mannen, op weg naar Emmaus, zich afvragen wat ze nu wel of niet moeten geloven in wat er de afgelopen dagen in Jeruzalem is gebeurd. Inmiddels loopt Jezus met ze mee maar ze herkennen Hem niet. Het gesprek tussen die twee gaat als volgt: ” Jezus van Nazareth, Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze leiders hebben Hem gekruisigd. Wij hoopten dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar er is nog niets gebeurd. En dan nog het verhaal van die  vrouwen. Een engel hebben ze gezien en de engel zei dat Jezus leeft”. Waar is Jezus dan?

Alom verwarring, teleurstelling en ongeloof. U kunt zich voorstellen dat het gebeuren van de afgelopen dagen bij de mannen niet in de koude kleren is gaan zitten. Ze begrijpen er niets van. Zij en vele anderen hebben zo in Jezus geloofd. Jezus zou de Verlosser zijn maar dat geloof is verdwenen.  Het gevoel overheerst dat hij vertrokken is en hen met lege handen heeft achtergelaten. In hun diepste gevoelens en in hun liefde voor Jezus wisselen zekerheid en onzekerheid, geloof en ongeloof elkaar af.

Als de drie mannen op de plaats van bestemming zijn aangekomen  gaan ze naar binnen en Jezus breekt het brood, spreekt de zegen uit  en geeft het hun. Nu gaan de ogen open en ze herkennen Jezus in het breken en delen van het brood maar meteen daarna is Jezus verdwenen.”

Meer dan 2000 jaar later wordt dit ritueel, het breken van het brood, het uitspreken van de zegen en het delen van het brood tijdens de H. Eucharistie herhaald. De Transsubstantiatie, de verandering van het brood in het Lichaam van Christus is en blijft het belangrijkste moment van de viering van de Heilige Eucharistie. In deze handeling zit de kern van ons geloof.  Het geloof  in de opgestane Heer, de aanwezigheid van Christus in ons midden. Ik kan Hem niet zien, Hem niet voelen maar kan ik Hem misschien in geloof denken ?  

In de lezing van de Handelingen van de Apostelen horen we hoe de opstanding van Jezus nogmaals wordt bevestigd. Ik citeer: “ God heeft Hem laten opstaan door een einde te maken aan de weeën van de dood, want het was onmogelijk dat Hij door de dood werd vastgehouden. God heeft deze Jezus laten opstaan. Daarvan zijn wij allen de getuigen”.

Nog niet zolang geleden las ik een essay, geschreven door Gianni Vattimo, met de titel: ik geloof dat ik geloof.  Gianni Vattimo is geboren in Turijn in 1936 , studeerde  literatuurwetenschap en filosofie. Naast zijn werkzaamheden als Hoogleraar wijsbegeerte in Turijn was hij ook actief als gemeenteraadslid en afgevaardigde in het Europees parlement. In zijn essay beschrijft hij hoe hij als kleine jongen vaak naar de Katholieke Kerk ging en daar vreugde aan beleefde. Maar in zijn studententijd liet hij de Kerk los, zonder wrok zoals hij zegt, enerzijds om  filosofische redenen maar anderzijds ook vanwege zijn homoseksualiteit  en de houding van de kerk omtrent dit gegeven. Hij keert niet meer terug binnen de Kerk. Maar toch zegt hij: Ik geloof dat ik geloof.

Vijf woorden!  Ik geloof dat ik geloof! In die zin voel ik een zekere mate van twijfel maar in de zin zit ook een bevestiging. Gelooft hij wel of niet?

Geloven gaat niet vanzelf, het is een leerproces.  Wij weten dat geloven in datgene wat in de Bijbel staat  moeilijk is. We willen altijd alles bewezen zien. Leven vanuit het geloof in God is niet leven vanuit bewezen kennis maar leven in vertrouwen dat Hij het beste met ons voor heeft. Geloven heeft alles te maken met vertrouwen. Ik geloof in jou, ik heb vertrouwen in jou. Als er geen vertrouwen is tussen twee personen dan is, denk ik, vriendschap niet mogelijk. Vertrouwen heeft ook iets met gevoel te maken. Als we met mensen vertrouwd raken, voelen we elkaar aan. Zonder woorden weten we wat er in de ander omgaat. Je wordt gezien en gewaardeerd zoals je bent.

Onze relatie met God is gebaseerd op geloof, op vertrouwen. We vertrouwen erop dat wij door God gekend en gezien worden. Vertrouwen geeft kracht aan de mens om in moeilijke tijden het uit te houden. Ik denk dat Gianni Vattimo die kracht van God heeft ervaren, dat hij zich door Hem gekend en gezien voelde. Hij schrijft:  “Ik ben nooit alleen, nooit totaal verlaten. God is degene die ik ontmoet als ik aan niets anders denk”.  Dit is geloven zonder een vraagteken. Het vertrouwen heeft de twijfel overwonnen.

Zo ook uiteindelijk bij de Emmaüsgangers. Zo ook hopelijk bij mijn dochter. Moge het ook zo zijn voor U.

 

Verkondiging

 

 

 

op 17 april 2017, paasmaandag of Tweede Paasdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand 2, 14+22-32; Mt. 28, 8-15

 

Je zult maar een leeg graf aantreffen. Is me dat schrikken zeg. Je eerste reactie is: gestolen! Terwijl hij zo goed was weggelegd, zo goed opgeborgen; het graf was zo goed afgesloten. Dat moet een plofkraak van jewelste zijn geweest en de dader zal wel op het kerkhof liggen. Natuurlijk denk je niet aan zelf weggelopen, aan zelf vertrokken. Hoe kom je er bij. Dood is dood. Klaar is klaar.

 

Ik denk dat ik u over Pasen, over Kerstmis en Pinksteren niets nieuws meer kan vertellen. U als vaste klant hier, als doorgewinterde kerkganger. U als de harde kern van deze parochie, die zelfs op deze paasmaandag, op sommige plaatsen al afgeschaft, hier aanwezig is. U weet er alles van. We vierden hier de verrijzenis van Christus, zaterdag in de paaswake en gisteren op het hoogfeest van Pasen. Maar weten we er ook werkelijk alles van? Ik wil de gevoelens rond Pasen voor u nog wel een keer opsommen. De ontzetting, de angst, de verbijstering, maar ook de opgetogenheid, de vreugde en vooral de hoop. Aan de ene kant: Dit kan toch niet waar zijn? Maar vooral, aan de andere kant: God, laat het waar zijn! Want zonder die Verrijzenis is alles voor niets geweest. Ons geloof staat of valt hiermee. In Kor. 1 lezen we: “Als Christus niet verrezen is, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof zonder grond. Dan is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in zonden.” Wie wil dat nou? Als de verrijzenis er niet was geweest, hadden we geen Kerstmis en, straks, ook geen Pinksteren hoeven vieren. Trouwens, voor je het weet zijn die feestdagen in dit ontkerstenende land afgeschaft. Pasen is het feest van de hoop en van de toekomst. Daar is Kerstmis niks bij. Kerstmis is een leuk romantisch feest en de extra vrije dagen zijn mooi meegenomen. Iedereen geniet daarvan, ook al weten de meesten niet meer wat we vieren. Wij vieren Kerstmis omdat het over die ene geboorte gaat. Zo op het eerste gezicht ook nog een tragische geboorte, want er was geen plaats voor Hem in de herberg. Dat wil zeggen, er was geen plaats onder ons. We wilden Hem niet en we keken liever de andere kant op. Zoals ook nu nog velen liever de andere kant opkijken bij vluchtelingen, bij daklozen, bij voedselbankklanten en bij andere minder gewenste personen en maatschappelijke vraagstukken.  Het kerstfeest was ook nog bijna het begin van het einde, omdat aan het geboortefeest van Christus onlosmakelijk Zijn dood op Goede Vrijdag vast zit. Ik zei bijna het begin van het einde. Dat zou het zijn geweest als Goede Vrijdag het einde was. Als dood, dood zou zijn. Maar dan is er de hoop en de vreugde van het Paasfeest. We zouden beter met Pasen aan vrienden en bekenden een kaart sturen dan met Kerstmis.


 

Laten we terug gaan naar de gebeurtenissen van de paasmorgen. Een columnist in dagblad Trouw vroeg zich af wat een bewakingscamera daar in alle vroegte heeft gezien en heeft vastgelegd. Niets. Hooguit een engel, zittend op een steen. Dat zou al heel geweldig zijn. Verder niets! Hiermee zeg ik niet dat de verrijzenis niet bestaat. Maar de verrijzenis is niet de reanimatie van een lijk. Het is dus niet zo dat hetzelfde lichaam dat in dat graf lag, eruit is weggewandeld. Als dat wel zo was, dan had iedereen Hem meteen herkend. Nu herkent niemand Hem. Zijn vrienden niet, de vrouwen niet, de Emmaüsgangers niet. Wij niet. Pasen betekent de dood van de oude manier van leven. Pasen is een sprong naar een radicaal nieuw leven. Bij Pasen gaat het niet om een ánder leven. Het gaat bij Pasen om dít leven maar dan anders.

 

Jezus herhaalt In het evangelie van vandaag de boodschap van gisteren: “Weest niet bevreesd. Ga aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Mij zien.”

 

Die broeders, dat zijn wij. De boodschap is dus aan ons gericht. Met “Ga naar Galilea” wordt niet bedoeld dat we ons een vakantiereis naar het Heilig Land moeten verschaffen. Het is de bedoeling dat wij ons verdiepen in Zijn boodschap, de boodschap die Hij ons tijdens zijn leven in Galilea heeft gegeven. Die boodschap is verwoord in het Evangelie. Als je Hem wilt zien, moet je Hem gaan zoeken, niet bij de doden, dus niet op de kerkhoven. Je moet ook niet gaan zoeken naar een gereanimeerd lijk. Je moet zoeken onder de levenden, dus onder ons. Want midden onder ons staat Hij die gij niet kent. De boodschap van Pasen is dat niet de dood, maar het leven het laatste woord heeft. Als we dat geloven, zullen we Hem zien.

 

Pasen verdient onze hoogste aandacht. Jammer genoeg denken velen in dit geseculariseerde land dat hun geluk meer afhangt van de komst van twee reuzenpanda’s, dan van de wederkomst van Christus.

 

Amen

 

Verkondiging

 

 

op 16 april 2017, Eerste Paasdag, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34-43), Psalm 118 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3, 1-4) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20, 1-9).

 

"De kerken stromen echt niet meer vol. Pasen zal onvermijdelijk veranderen in het commercieel-seculiere lentefeestje dat het voor het gros van ons allang is. Persoonlijk vind ik de stap van morbide mythen naar vrolijk gekleurde haasjes er eentje voorwaarts. Ik juich het 'afzwakken' van de religieuze symboliek dan ook toe."

 

Aldus Christiaan Weijts, columnist van de NRC, in de krant van afgelopen vrijdag. Hij schreef naar aanleiding van de commotie in verband met een katholieke school in Rotterdam waar ze vanwege de islamitische leerlingen de palmpaasstokken maar niet langer in de vorm van een kruis maken - tot grote verontrusting én verontwaardiging van allerlei mensen voor wie de islam zo ongeveer de duivel betekent.

 

"Lentelol krentenbol" - een term van professor Ben Hemelsoet zaliger gedachtenis. Ook volgens hem was het paasfeest voor niet-gelovige, buitenkerkelijke mensen meestal niet meer dan dát: lentelol-krentenbol. Maar volgens die Christiaan Weijts is dat dus béter dan het joodse en het joods-christelijke Paasfeest dat gebaseerd zou zijn op wat hij nota bene noemt 'morbide mythen'.

 

Is het waar veelgeliefden? Zouden de verhalen over de doortocht door de Rode Zee en die over Jezus' dood en verrijzenis, zouden dat inderdaad 'morbide mythen' zijn? 'Morbide', dat is: 'ziekelijk', 'pervers' volgens het woordenboek. Is het Jezus-verhaal dat? Dat mensen er zo over denken dierbare gasten en parochianen, dat kan ik mij wél voorstellen. Want wordt van Jezus' kruisdood niet gezegd dat Hij die ondergaat in gehoorzaamheid aan God, Zijn Vader, om op die manier de zonden van de mensheid op zich te nemen en goed te maken? En is dat niet wreed? Is dat niet inderdaad morbide? Welke vader zou zijn kind zoiets laten overkomen, ja áándoen zelfs?

 

Christiaan Weijts oppert in dit verband nog een interessante gedachte. Zou het niet kunnen zijn dat in al die kritiek op moslims, dat daarin ook een bepaalde jaloezie een rol zou kunnen spelen zo vraagt hij zich af. Want, ik citeer nu Weijts: "Zij lijken nog levende rituelen te hebben, een spirituele traditie, met bijbehorende hechte familiebanden, bruiloften en uitvaarten die langer duren dan wat haastige uurtjes, (en) vrouwen die dagenlang in de keuken exotische lekkernijen staan te bereiden." Ik herken dat beeld, óók van onze eigen Filippino's: van de El Shaddai-gemeenschap die samen met ons gebruik maakt van deze Vredeskerk. Ik herken het ook van de Afrikaanse All Saints-parochie waar we destijds altijd de Maria-processie mee samendeden. En ik herken het van geloofsgenoten afkomstig uit het Midden-Oosten die tegenwoordig deel uit maken van onze eigen gemeenschap. Zij koken overvloedig en graag. En op tijd wordt niet gelet. Wij steken daar als Hollandse katholieken maar mager bij af, dat wil zeggen: ook wij proberen er wat van te maken. Ook onder ons zijn er allerlei mensen die zich in dit verband ontzettend inspannen. Zo hebben we de hele afgelopen nacht Paaswake gehad, en na afloop daarvan was er een fijn paasontbijt dat met vereende krachten op tafel werd gebracht.

 

 

 

 

Christiaan Weijts zegt: "Onze (...) frustratie is dat wij (de niet-gelovigen) geen werkende alternatieven hebben gevonden voor (...) primitieve maar bezielde riten" - die van de gelovigen dus.

 

Tja.

 

Maar... zo vraag ik mij af: Zou het niet kunnen zijn dat die zogenaamde 'primitieve riten' van ons, die van de gelovigen, dáárom bezield zijn en werkelijk verbindend zijn voor mensen, omdát die riten en die zogenaamde 'morbide mythen' waar ze mee samenhangen, - dat die toch minder primitief en morbide zijn dan Christiaan Weijts en mensen zoals hij denken? Zou de verbindende en bezielende kracht die onze mythen en riten naar wij ervaren inderdaad hebben, zou dat niet te maken kunnen hebben ook met een waarheid die van die riten en mythen inderdaad hart en ziel is? Eenvoudiger gezegd: Werkt het Paasverhaal niet gewoon omdat het waar is? Die hele kerk van ons, die nu al tweeduizend jaar bestaat, die over de hele wereld verspreid is en zichtbaar is in vaak indrukwekkende gebouwencomplexen zoals onze eigen kerk: zou zoiets kunnen blijven voortbestaan als het in wezen allemaal onzin en lariekoek is? - dat Paasverhaal. Zouden wij ernaar toegaan, naar de kerk en zouden wij ons ervoor inzetten, er aan werken, als de kern ervan, het evangelie van Pasen, als dat gebakken lucht zou zijn? Ik geloof dat eerlijk gezegd niet.

 

Maar in Holland denken en beweren allerlei mensen: het christelijk geloof en de kerk, dat is hier een aflopende zaak. Christiaan Weijts schrijft: "Binnen twintig of dertig jaar is Pasen een seculier eierfeest voor iedereen onder de lentezon." Ja, maar werd dertig of twintig jaar geleden niet reeds precies hetzelfde voorspeld? En zie vandaag: Wij zíjn er als kerk, en hoe.

 

Zou dat niet ermee kunnen samenhangen ook dat de kern van de zaak: het evangelie, gewoon waar is en klopt?

 

In onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen wordt steeds gesproken over 'getuigen':

 

"Wij zijn de getuigen van alles wat Hij (Jezus) gedaan heeft in het land van de joden en in Jeruzalem."

 

"God heeft Hem opgewekt op de derde dag en Hem laten verschijnen, aan (...) getuigen (...), aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben na Zijn opstanding uit de doden."

 

Oef! Dat is niet niks, dat laatste.

 

Zouden Petrus, die daar spreekt in de Handelingen, en Lucas die het opgeschreven heeft, zouden zij of één van beiden ons willens en wetens gewoon wat op de mouw spelden? Ik kan mij dat eerlijk gezegd niet voorstellen. Nee. Er moeten indrukwekkende, overweldigende ervaringen ten grondslag liggen aan wat wij nog altijd kunnen lezen.

 

Ook Johannes, in de evangelietekst die wij hoorden, rapporteert nauwkeurig, bijna als in een proces-verbaal, dat in het graf, "de linnen doeken (waarin Jezus' lijk gewikkeld was geweest, dat die) er nog lagen".

 

"Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook dat de doek die Zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag; hij was opgerold en lag helemaal apart."

 

Het is raadselachtig. Is het materiaal voor een detective? Kan inspector Morse of Sarah Lund zoiets oplossen? Petrus "zag" zo staat er. De andere, niet met name genoemde leerling, maar het was degene "van wie Jezus hield" - zo staat er wél heel expliciet bij, die twééde "zag en kwam tot geloof". En dat is dus van een andere orde: geloven. Zien is één ding. Geloven is een ander ding. Je kunt het niet pakken. Je kunt het niet bewijzen. Maar waar is het wél. Zó kan iemand, zo kunnen ménsen het wel degelijk ervaren.

 

In de tweede lezing uit Paulus' brief aan de Kolossenzen ging het over een afstand van twintig eeuwen maar toch réchtsreeks óók over ons. "Als u nu met Christus ten leven bent gewekt" schrijft Paulus. En: "U bent (...) gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God".

 

Is dat zo? Geldt dat voor ons? Leven wij, levend op deze aarde, ook ergens als gelovigen in een soort stormvrije zone? Zijn wij op een bepaalde manier al gestorven, maar ook opgewekt, verrezen - zoals Christus? Waar gaat dit over?

 

Wie zal het zeggen veelgeliefden? Het idee lijkt mij in elk geval dat wijzelf, dat onze eigen levens, naar Paulus' idee een soort bevéstiging zouden kunnen betekenen van Jezus' dood en verrijzenis.

 

En waar moeten wij dan aan denken? Iemand die ik ken maakt een heel heftig ziekteproces door, van hemzelf en zijn partner tegelijkertijd. Het is een drama vol medische missers, onder andere als gevolg van haastwerk, en van volstrekt ontbrekende thuiszorg: een effect, dat laatste, zo krijg je de indruk, van hoe ons laatste VVD-PvdA effect met de zogenaamde 'zorg' is omgesprongen. Twee mensen die dringend thuiszorg behoeven, al tijdenlang. Er wordt uitvoerig door vele mensen over vergaderd. Maar adequate thuiszorg komt niet van de grond. Laatst schreef de zorgbehoevende mij: "Ik laat mij leiden naar beleving en confrontatie met God. Dat gaat heftig." "Ik sta op een verlaten strand en provoceer God dan. Het is zoeken naar een directe ontmoeting en meestal komt die. Het zijn die momenten van het erbarmen dat voelbare warmte biedt en ik zie tekenen, waaruit blijkt dat mijn wanhoop is verstaan, ergens, buiten deze wereld. Contemplatie is mijn redding."

 

Vage taal? Dat zal wel. Maar ik denk veelgeliefden: Wij spreken hier over een sfeer en een gebied waarbinnen en waarvoor woorden te kort schieten maar die sfeer maakt wel ons wezen uit. Daar, in dat wezen, zijn wij met Christus, verborgen in God. Met Jezus die ons door God in Zijn compassie met ons geschonken is. Jezus lijdt met ons mee. En Jezus gaat ons voor naar het Licht. Hij is verrezen. En tot verrijzenis nodigt Hij ons uit. Zoiets is het. Zoiets moet het zijn. Het werkt. Hij werkt. Amen. Ik wens u een Zallig Pasen.

 

Verkondiging

 

in de Paasnacht van 2017 (eerste deel) in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de boeken Genesis (1, 1-2, 2), Exodus (14, 1-15, 1) en van de profeet Ezechiël (37, 1-14) e n uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (6, 3-11).    

 

Vele, vele jaren geleden, wij waren nog studenten, bezocht een vriendin van mij voor het eerst Indonesië. Vol verhalen kwam zij terug. Zeker in afgelegen gebieden waren witte mensen daar nog echt iets bijzonders: vanwege hun huiskleur en omdat zij vergeleken met de Indische mensen relatief groot zijn. Mensen die hier in Holland kleín van stuk zijn, steken dáár met kop en schouders boven iedereen uit - een wonderlijke ervaring is dat. Indonesische mensen waren soms vol verwondering, gefascineerd naar die vriendin van mij toegekomen. Ze zeiden: "Belanda..., Belanda..." en dan wilden ze haar aanraken, die witte huid, om te zien of die wel echt was...

 

Het huidige Nederland is wat altijd zo fraai genoemd wordt 'een multi-culturele samenleving'. Hier, zeker in Amsterdam, wonen mensen uit alle delen van de wereld. Om allerlei redenen zijn ze hier naar toegekomen - nadat in eerdere fasen van de geschiedenis, 'wij' de Europeanen en Hollanders-van-oudsher, enthousiast de wijde wereld zijn ingetrokken om handel te drijven en om te koloniseren zelfs: om in verafgeleden gebieden de lakens te gaan uitdelen en soms zelfs de mensen tot slaven te maken; om ze vanuit Afrika met name op schepen als haringen in een ton naar Amerika te transporteren waar ze dan verkocht werden. Het was een gevaarlijke reis en vele van die Afrikaanse mensen overleefden die reis niet. Vol trots kunnen Hollanders-van-oudsher het hebben over de zogenaamde VOC-mentaliteit: die van de Verenigde Oostindische Compagnie. Maar aan die mentaliteit en aan de geschiedenis die ermee samenhangt, daaraan zitten, dierbare gasten en parochianen, daaraan zitten ook heel dubieuze, problematische, kwalijke kanten.

 

In deze paasnacht van 2017 is in ons midden de familie Atem. Wij kennen jullie al sinds lang: voorál Beatrix, die geboren werd op 30 april 2002, én Angela, geboren in 2000 - en die op dit moment nog altijd jarig is. Zij twee zijn hier geruime tijd misdienaressen geweest. Wij herinneren ons nog de dramatische gebeurtenis dat één van jullie beiden (was het Beatrix of was het Angela?) tijdens de hoogmis met stoel en al van de verhoging op het priesterkoor achterover kukelde en náár terecht kwam, met een hersenschudding als gevolg. Jullie zijn daar zo van geschrokken dat jullie meteen gestopt zijn met het misdienaressenschap. Het is daar niet pluis in die kerk! moeten jullie hebben gedacht.

 

Maar nu belde een paar maanden geleden moeder Rose mij op om te zeggen: Ik heb nog twee kinderen, Maria Atong, elf jaar oud, en Timothy, van negen, en die zijn nog niet gedoopt! Vandaar dat ik op een avond jullie thuis aan de Govert Flinckstraat heb bezocht om erover te praten: over jullie, over jullie leven, over school en over de doop. En toen hebben we afgesproken om het in deze paasnacht te laten gebeuren.

 

 

Iets prachtigs is dat. Want Pasen is ons grootste, belangrijkste christelijke feest. In deze nacht vieren we om te beginnen dat God alles geschapen heeft, dat Hij het begin en het hart is van alles wat leeft, dat wij van Hem zijn. En ten tweede vieren we in deze nacht dat Hij het joodse volk verlost heeft uit de slavernij in Egypte. En we vieren ten derde maar voor ons als christenen is dát het allerbelangrijkste; we vieren dat God Jezus die door mensen aan het kruis werd gespijkerd en de marteldood stierf; we vieren dat God Jezus uit de dóód heeft laten opstaan.

 

Dus gedoopt worden betekent: (1) dat je weet, dat je erkent, dat je een kind van God bent, dat Hij je Vader is. En het betekent (2) dat je een vrij mens bent, wórdt, dat je geen slaaf bent, niet meer, van niemand.

 

In de krant van dit weekend staat een interview met een jongen van zeventien, Imani Ram. Hij vertelt in dat interview: "In mijn jaar is iedereen erg met merkkleding bezig, met hoe duur het is. Dat heeft dan status. Ik vind het vooral belangrijk dat kleren bij je passen, bij jouw identiteit horen. Op een gegeven moment ging ik me wat meer aanpassen. Ik had een vriendje dat op mijn school best wel populair was. Als zijn vrienden erbij waren, had ik toch het gevoel dat hij liever had dat ik eruitzag zoals zijn vrienden mooi vonden. Ik merkte wel dat het dan minder comfortabel werd voor mezelf. Dat vond ik zonde. Ik wil niet veranderen voor iemand."[44] Tot zover Imani Ram.

 

Over zulke dingen gaat het dus: geen slaaf zijn. Niet van merkkleding en niet van de smaak van een ander. 

 

Gedoopt worden was dus (1) - kind van God zijn, (2) - Vrij zijn. En (3) - dat je daardoor één wordt met Jezus Christus. Gedoopt worden, dat is: samen met Hem, met Jezus sterven en begraven worden - ten onder gaan, kopje onder gaan in het doopwater. Maar je kopje komt ook weer boven want met Jezus word je door God tegelijk ook opgewekt uit de dood.

 

Zojuist hebben we horen voorlezen uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome. Paulus schreef: "Indien wij als het ware vergroeid zijn met zijn (met Jezus') dood, (dan) moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding." Zó, dat is niet niks. Wie gedoopt is, die leidt met Jezus een nieuw leven. De dood heeft dan geen macht meer over je. Paulus schrijft: "Het leven dat hij (zij) leeft, heeft alleen met God van doen."

 

Toen ik bij de familie Atem op bezoek was, toen moest ik denken aan het sprookje van Sneeuwwitje. Dat meisje was "zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en haar haar (was) zo zwart als ebbenhout."[45] Wat is ebbenhout? Nou, geen idee eigenlijk, behalve: het moet wel héél zwart zijn. En dat zíjn jullie, de familie Atem, óók: niet alleen van haar, maar ook van huid. Jullie zijn een Hollands gezin. Alle vier de kinderen zijn in Holland geboren. Maar vader en moeder zijn geboren in Zuid-Soedan, het land waar we regelmatig over horen omdat er, God betere het en sta de mensen bij; - we horen daarover omdat er strijd is en omdat daar honger is. In Zuid-Soedan, daar zíjn de mensen dus zo heel zwart, zo zwart als ebbenhout. Ik vind het prachtig. Ik voelde me bij jullie thuis precies als die mensen in Indonesië toen ze die vriendin van mij zagen en vol bewondering "Belanda..., Belanda..." zeiden.  In het Hooglied in de bijbel gaat het over een jongen en een meisje, een man en een vrouw die verliefd op elkaar zijn. Het meisje, de vrouw is zwart. Er staat: "Zwart ben ik en prachtig"[46] - precies zoals jullie dus!     

 

In het scheppingsverhaal dat we hebben horen voorlezen, daarin hoorden we hoe God wilde dat alles er was: alle levende wezens, gras, bomen, met vruchten "met zaad erin". En ook de dieren: "tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten", "gevleugelde dieren", "krioelende dieren waar het water van wemelt", zeemonsters. En, zo steeds staat er steeds bij: Hij maakte "allerlei soorten", "soort na soort". En zo is het bij de mensen ook. Er zijn mensen in allerlei soorten en maten, groot en klein, harig en kaal, wit en zwart, rood, geel en bruin. En iedereen mag er zijn en iedereen is welkom.

 

Ik vind het een eer dat ik Maria Atong en Timothy mag dopen. En ik hoop dat jullie allebei misdienaars worden en dat Beatrix en Angela het ook weer gaan doen. Dan kan iedereen van jullie genieten: van hoe mooi jullie zijn, mooi van buiten en mooi van binnen. Misdienaar-zijn is mooi om te doen. Ik ben het zelf ook ooit geweest, vele jaren. Misdienaars zijn belangrijk en nodig. Want: Wie gedoopt is, die hoort bij God en die hoort bij de kerk. Als je gedoopt bent, dan is de kerk van jou. Van alles wat God ons in en door de kerk geeft, daar mag je van meegenieten. En je mag zelf ook iets voor de kerk doen. Dat hoort er dan ook bij. En dit geldt voor ons allemaal: voor alle gedoopten. Samen zijn we verantwoordelijk voor de kerk en ook voor de wereld. Van harte hoop ik dat iedereen die verantwoordelijkheid neemt en waarmaakt. Dat is de bedoeling. Amen. 

 

Verkondiging

 

op 13 april 2017, Witte Donderdag, in de kerk van Onze Lieve Vrouw koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), psalm 116 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenenvan Korinthe (11, 23-26) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Chrstus volgens Johannes (13, 1-15).

 

Wat zou u doen - als u, als jou gevraagd zou worden: Wil jij, wilt u meedoen dit jaar aan de voetwassing op Witte Donderdag? In de kerk wast de priester op die dag, in de avond, de voeten van twaalf mensen - zoals Jezus het deed bij Zijn twaalf apostelen. Wil jij meedoen? Wil jij daarvoor je voeten lenen?

 

Wat zou jij, wat zou u antwoorden?

 

Destijds, in Jezus' dagen, in het hete, stoffige Midden-Oosten, liepen de mensen in sandalen en was men aan het verschijnsel gewend. Men waste z'n eigen voeten. Of een vrouw waste de voeten van haar man. Of de kinderen die van hun vader. Of een gastheer liet zijn slaven de voeten van zijn gasten wassen. En bij de joden waren het dan geen joodse slaven die dat deden, maar niet-joodse, heidense slaven. Want men beschouwde het als ordinair werk, laag-bij-de gronds, ver-neder-end.[47] Joodse slaven waren daarvoor nog te goed.

 

Binnen onze West-Europese, Hollandse cultuur is dit gebruik echt een Fremdkörper, een zeer ongewoon verschijnsel. Wie zít er nu ooit aan jouw voeten? Ja de pedicure. Maar ja, dan moet je daar dus 'bij lopen'. En wie doet dat? Lang niet iedereen... Ouders en kinderen en geliefden raken elkaar natuurlijk ook aan. Maar de voeten? Vermoedelijk niet zo vaak... 

 

Heel bijzonder dus dat nota bene de priester het dan wel doet, in de kerk, op Witte Donderdag. Ik moet u zeggen: enige weerstand ertegen overwinnen moet ik altijd wél. Want het is nogal iets intiems. En tegelijk heeft het ook iets gênants: omdat die intieme actie in de volle openbaarheid, op het priesterkoor van de kerk zich afspeelt. Je bent er toch even druk mee bezig. Het vergt enige werkelijke inspanning. Ik voel me altijd even een werkster en een sloof. Maar tegelijk ervaar ik het ook als iets moois, iets groots, iets eervols: zomaar de voeten van mensen mogen áánraken, wassen en afdrogen. Ik probeer het altijd met zo groot mogelijke aandacht en gevoelvol te doen, dus niet te haastig. Daartoe dwing ik mijzelf min of meer - omdat ik er dus mijn eigen gêne, en die van u in mijn beleving, voor moet overwinnen.

 

De Roomse liturgie voorziet daarbij ook nog in de mogelijkheid om de voeten, nadat ze gewassen en gedroogd zijn, te kussen. Dat heb ik nog nooit gedaan. Dat is voor mij tot op heden een brug te ver geweest, too much, te erg. Dat gaat te ver, denk je. Dat kan ik niet aan.

 

Ja, de liturgie kan ons echt uitnodigen, uitdágen zelfs, om onze grenzen te verkennen en eventueel ook te verleggen. De paus, Franciscus, doet het, sans gêne. Hij kúst de voeten, bij voorkeur die van criminelen, mannen en vrouwen, christenen en niet-christenen, gelovigen, andersgelovigen, niet-gelovigen... niemand wordt bij voorbaat uitgesloten.

 

 

 

Op deze avond gedenken wij de uittocht van het joodse volk uit Egypte en die van Jezus uit dit aardse bestaan met een maaltijd. In Egypte waren de joden zelf slaven. Maar ze waren aan dat slavenbestaan gewend. Ze waren ermee vertrouwd. En hoe bitter, hoe vernederend dat bestaan ook was, het loslaten, het achter zich laten, er uit weggaan, dat viel toch ook niet mee. Want wat zou de toekomst brengen? Het was een waagstuk. Vandaar dat er met het paaslam en het ongedesemde brood bittere kruiden werden en door joden nog altijd wórden gegeten. En Jezus legt voordat Hij de voeten van Zijn apostelen wast Zijn bovenkleed af. Dat bovenkleed is een beeld van Zijn aardse leven dat Hij loslaat in die bittere kruisdood die wij morgen op Goede Vrijdag gedenken. Jezus geeft Zijn leven. En in brood en wijn maakt Hij er Zijn geschenk van, een eeuwig, onuitputtelijk geschenk, voor ons en voor iedereen in alle tijden - totdat Hij komt.

 

Die maaltijd en die voetwassing. Wat zou jij doen? Doe je mee? Leen jij je ervoor? - je voeten voor die wassing?

 

Je voelt misschien weerstand, zoals Petrus. Die wil niet. Maar... "als ik je voeten niet mag wassen, dan hoor je niet bij mij" zegt Jezus. Zo extreem is het dus. Het is bepaald niet niks, die voeten. Het is iets essentieels.            

 

Waar is het goed voor? Ik denk: Het verschil tussen mensen die zogenaamd meer of minder waard zouden zijn, tussen 'hoger' en 'lager' heft Hij op. Ik ben niet beter dan de werkster. Nee, zeker niet. Maar zij staat ook niet boven mij. We zijn allemaal gelijk, allemaal even veel waard. We zijn broeders en zusters, allemaal kinderen van één Vader. We hoeven voor elkaar geen schroom te hebben. En als je goed bent, al is het maar voor één mens, dan doe je al iets belangrijks, dan red je in zekere zin de hele wereld, dan blijft er hoop en dan doe je goed aan het geheel.

 

"Als ik jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen" zegt Jezus. 'We benne in de wereld om mekaar, om mekaar te helpen niewaar'. 1969, 't Schaep met de 5 Pooten, Adèle Bloemendaal, Leen Jongewaard. We benne in de wereld om mekaar te helpen niewaar. Ja, dát is de zin van het leven! Zo banaal is het. En zo verheven is dat tegelijkertijd. Afgelopen middag had ik bezoek van een meisje van zeven jaar met haar moeder en dat was de vraag van dat meisje: Wat is de zin van het leven? Toemaar. In de voetwassing laat Jezus het zien: De zin van het leven is dat we elkaar dienen, voor elkaar zorgen. Waar het gebeurt, daar gebeurt God, daar verschijnt Jezus zelf: in ons. Laat ieder het dan op eigen wijze doen: zorgen en dienen. Amen. 

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                            

op 2 april 2017, de vijfde zondag van de veertigdagentijd, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (37, 12-14), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (8, 8-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (11, 1-45).

 

Is 't 'm nu wel?

 

Of is 't 'm nu niet?

 

- zo vroeg ik mij van de week af, zittend in de zon, op een bankje in het Sarphatipark.

 

Is 't 'm nu wel of is 't 'm nu niet? - Wim Kieft, die voetballer. Die van dat boek. Die achttien jaar lang verslaafd was. Aan de dope en aan de drank.

 

Was 't 'm nu wel of was 't 'm nu niet?

Ik was te bleu om 't hem te vragen.

Je wilt zo iemand natuurlijk ook niet lastig vallen.

 

Maar... gisteren heb ik toch even gegoogled op Wim Kieft en mijn conclusie was dat hij het toch heel goed geweest kan zijn.

 

Ik stuitte op een interview van Jeroen Pauw met hem uit 2014. Jeroen leest daarin een stukje voor uit het boek over zijn leven, over een episode waarin het voor hem zoals dat wordt genoemd rock-bottom was: waarin hij op de bodem van de put terecht kwam, met z'n achterwerk op de hard grond, op de rots.

 

Zijn vader was gestorven. Op de dag van de begrafenis vertelde zijn vriendin hem dat ze genoeg van hem had "en intussen ook regelmatig op de koffie ging bij iemand anders". Het was allemaal te veel geweest voor hem. Hij is naar Best gegaan, naar een kliniek waar hij al twee keer eerder was geweest. Hij deed het uit voorzorg. Hij dacht: Dit gaat fout. Toen hij er aankwam was hij emotioneel geknakt. Het overlijden van zijn vader, zijn vriendin die weg was, zijn eigen lichamelijke en geestelijke toestand en financiële zorgen. Hij dacht dat hij gek werd, krankzinnig. Verslaving vlakt gevoelens af. Wie clean wordt krijgt ze terug. Verdriet, pijn, schuld, schaamte, paniek... het kwam allemaal tegelijk bij hem binnen. De controle over zichzelf raakte hij totaal kwijt. In de kliniek hield hij het niet uit. En toen is hij verschrikkelijk teruggevallen. In een hotelkamer bereikte hij de bodem... En... er kwam licht, ínzicht: Zo ga ik er echt áán.   

 

Aldus Wim Kieft.

 

Maar wat heeft het, wat heeft híj met Lazarus te maken?

 

Nou ja, als ik het goed begrepen heb, dan is hij het vaak genoeg geweest: lazarus - aangeschoten, dronken, van de wereld, ook door de dope. En wie weet, veelgeliefden, zijn er wel meer raakvlakken.

 

 

 

 

Slaapt Lazarus nou of is hij echt dood, morsdood? Het laatste... Als Jezus eindelijk, na allerlei getalm en getreuzel zo krijgen wij de indruk, als Hij eindelijk arriveert in het dorp waar Lazarus met zijn twee zussen woonde, als Jezus daar aankomt, dan ligt Lazarus nota bene al vier dagen in het graf.

 

Vier dagen terug was ik toevallig zelf ook op het kerkhof. We begroeven een meisje dat maar veertien jaar oud werd, Nikki. Op prachtige foto's heb ik haar dode lichaam gezien. En ook hoe haar ouders, beide zusjes en broertje liefdevol daarbij aanwezig waren en daarmee omgingen.

 

Een dood lichaam. Ontzield. Wat rest van een mens. De stoffelijke resten. Dat lichaam is oneindig kostbaar voor nabestaanden. Want het is het lichaam geweest van iemand die men liefheeft. Maar het dode lichaam doet ons ook huiveren, helemaal als wij ons voorstellen, wat je dus liever niet doet, hoe het er uit ziet na reeds vier dagen in het graf te hebben gelegen.  "Maar Heer, de stank!" zegt Marta vol afschuw. Maar Jezus gaf bevel om de steen van het graf weg te nemen. En hij riep Lazarus om naar buiten te komen. "En de dode kwám naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels, en zijn gezicht in een doek gewikkeld. 'Maak hem los,' beval Jezus, 'en laat hem gaan.' "

 

Oef! Dát is me nog eens een rock-bottomsituatie, veel extremer nog dan in het geval van Wim Kieft. Het gaat over een rock, een rotsgraf, en over iemand die daar in ligt en die daarmee dus helemaal de bottom, de bodem van het aardse bestaan bereikt heeft, letterlijk en figuurlijk. Dieper kan een mens niet vallen en niet zakken. Het gaat om het absolute nulpunt. Precies in en door dat talmen en treuzelen van Jezus en het gegeven dat Lazarus nota bene al vier dagen in dat graf lag is dat gegeven onderstreept - een beetje zoals een goochelaar de hoge hoed van alle kanten beklopt en laat zien om zijn publiek ervan te overtuigen dat die hoed echt leeg is en geen dubbele bodem heeft.

 

Lazarus was echt dood. En Wim Kieft was echt ook bijna dood. En beiden zijn uit de dood teruggeroepen en uit het graf gekomen.

 

In onze tweede lezing vandaag, uit Paulus' brief aan de christenen van Rome, ging het enerzijds over 'zonde' en anderzijds over de Geest van God, die van Christus. "Als Christus in u is", schrijft Paulus, "(als Christus in u is) blijft uw lichaam wel door de zonde aan de dood gewijd, maar uw geest leeft".

 

Veelgeliefden, wat is zonde?

 

Ik denk: het leven van Wim Kieft (laten we het over hem hebben, dat is lekker veilig, dan blijven we zelf buiten schot); het leven van Wim Kieft kan het rijkelijk illustreren - wat zonde is: misbruik van alcohol en verdovende middelen en vast ook een relatieleven dat niet beantwoordt aan hoe onze Roomse kerk dat idealiter gestalte ziet krijgen. Jaja: wat een zondaar die Wim. Zonde van zijn leven wat hij allemaal gedaan heeft, hoe hij het verknald heeft kun je denken. Zonde is: je eigen leven en dat van anderen ondergraven, beschadigen, er afbreuk aan doen en verdriet veroorzaken: bij anderen en bij jezelf.

 

Maar ja veelgeliefden: die Wim heeft zichzelf natuurlijk ook niet gemaakt. In wat voor omstandigheden is hij ter wereld gekomen? Wie waren zijn ouders? Wat heeft hij van huis uit meegekregen? En wat niet? En wat gebeurt er als zo'n doodgewone Amsterdamse jongen die lekker kan voetballen in de voetbalwéreld terecht komt, een wereld waarin zoals bekend geweldig veel geld omgaat en zoals dat heet 'grote belangen op het spel staan'. Wat doet dat met een mens? We kunnen het in Kieft allemaal nalezen.

 

 

Bij Paulus lezen we: "Als de Geest van Hem die Jezus heeft opgewekt van de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u woont". Woont die Geest waarover Paulus het heeft veelgeliefden, woont die Geest die uit de doden opwekt ook in Wim Kieft? Ik hoop het. En: Vast! Want ik denk: Wim heeft daarvan getuigd. Want zijn leven was geworden als een plas brak water dat stonk, onfris. Er kwam een graflucht vanaf. Hij was er helemaal in vastgelopen. Maar hij is er God-zij-gedankt-en-geprezen niet in gebleven. Hij is er uitgekomen.

 

Onze eerste lezing vandaag kwam uit het boek van de profeet Ezechiël. Van Godswege zegt Ezechiël: "Ik schenk u mijn geest, zodat u weer leeft, en laat u op uw eigen grond wonen." Je eigen grond. Wat is jouw eigen grond? Waar ligt die? Wie ben jij eigenlijk? Wie ben jij ten diepste? Ik denk: Zónde is vooral wat jou dáárvan vervreemdt. Gods Geest echter, die van Jezus, die van Christus, die zou je van die zonde moeten kunnen bevrijden, verlossen, die Geest zou jou moeten kunnen doen herleven.

 

"Kom naar buiten!" "Maak hem, maak haar, los!" "Laat hem, laat haar, gáán!" Mogen wij het allen meemaken veelgeliefden. Moge het, Zijn wil, aan ons geschieden. Amen. 

                                                                                                                                            

Verkondiging

 

op 5 maart 2017, de eerste zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (2, 7-9; 3, 1-7), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (5, 12-19) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (4, 1-11).

 

Wat is er misgegaan dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Wannéér is het misgegaan? En wáár is het misgegaan? - met u, met jou, met mij, met ons in onze individuele levens en met ons samen als mensheid op aarde?

 

Ik denk: het is wáár; - een bewustzijn dát er iets is misgegaan, dát er iets of dingen fout zijn gelopen, zo'n bewustzijn kunnen wij in sterke mate hebben. En allerlei gedachten kunnen ons wat dit betreft sterk bezig houden: Hoe? Waar? Wanneer?

 

Al heel spoedig na het begin! wil de bijbel ons vandaag laten weten, in het tweede hoofdstuk van het boek Genesis waaruit wij in de eerste lezing hoorden voorlezen. Het leven op aarde was nog heel pril en paradijselijk. De mens was er nog maar pas. En meteen bedierf de mens, dat wil zeggen: om te beginnen de vrouw die haar man er in meenam, meteen bedierven zij het al - niet alleen voor zichzelf, maar ook voor alle mensen die nog zouden volgen, voor alle kinderen van Adam en Eva, voor alle geslachten na hen. Hoe stom. Hoe dom. Hoe jammer. En hoe onbenullig: Het eten van één enkele vrucht (was het een appel? of een banaan? een peer? of een mango?) - één enkele vrucht. Zo is het gekomen. Dat was de fout. Daarmee is het misgegaan.

 

Moeten we dat verhaal van Adam en Eva nu letterlijk nemen veelgeliefden? Is het "echt zó gebeurd"? Nee, natuurlijk niet. Juist als verklarende mythe, als voorstelling, als idee, als verhaal over 'hoe het allemaal gekomen is', zijn de beide scheppingsverhalen in de bijbel, Genesis 1 en 2, binnen het joodse volk ontstaan, precies zoals andere volken ook hún verklarende verhalen over de oorsprong, het begin van het leven én over het waar, hoe en wanneer het misging hebben.

 

Ooit... leefden we in een paradijs en waren we naïef, onnadenkend. We werden verleid. We waren dwaas. Door schade en schande wijs geworden weten we inmiddels beter. Na de zonde komt het berouw. Ik denk, veelgeliefden, deze bijbelpassage, kan ons helpen bij het ons bewustworden ván, het nadenken óver en het erkénnen van wanneer, waar en hoe dingen zijn misgegaan in ons persoonlijk leven. Politici liggen wat dit betreft onder een vergrootglas, zeker in verkiezingstijd. Bert Tichelaar, de commissaris van de koning in Drenthe, een PvdA'er, en François Fillon, de zeer katholieke, rechtse Franse presidentskandidaat, allebei zijn ze in de problemen gekomen omdat ze faciliteerden dat familieleden van hen, overheidsopdrachten kregen. Ja, je kunt je voorstellen hoe zoiets kan lopen, want het hemd is altijd nader dan de rok. Maar totaal correct en onkreukbaar was het niet en achteraf gezien was het ook niet slim. Want beiden, Tichelaar en Fillon, hebben zich erdoor in de nesten gewerkt, hebben er problemen door gekregen en kunnen zich er nu vast voor om hun kop slaan: dat ze destijds die vrucht van het bevoordelen van hun familie hebben geplukt hebben en die familieleden ervan hebben doen eten.

 

Verboden vruchten smaken het lekkerst. En mensen, wij, wij kunnen zwak en zot zijn en hebben onszelf ook niet gemaakt, maar zijn kinderen van Adam en Eva: mensen die zagen hoe goed het was om te eten van de verboden boom, dat hij een lust voor het oog was, mensen die plukten en aten.

 

In een zeldzaam en prachtig moment van ongevraagde publieke eerlijkheid konden wij verleden week zondagavond in zijn tv-serie Made in Europe de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst op een steigertje aan een Zweeds meer zien staan. Hij was daar eerder geweest. Want een tijdlang is hij met een Zweedse vrouw samen geweest en woonde hij daar. We hoorden hem zeggen: "Voor het eerst sinds lange tijd rijd ik terug naar de plek waar ook ik een deur achter me dicht trok. Verleden... het is iets wat je opstapelt. En mijn stukje leven in Zweden bevindt zich inmiddels op die stapel. Maar kijk, ik ben toevallig in de buurt en gaap mijn oude pijnen aan." En dan, staande op dat steigertje: "Ik heb al eens afscheid genomen van deze plek en had niet gedacht hier nog eens opnieuw te staan. (...) Een laatste blik, omdraaien en weggaan. Zoals ik afscheid neem van alles: mij gewoon omdraaien. Er zat teveel kut in m'n kop en te weinig verstand in m'n lul. Dat is een beetje een rode draad aan het worden. Het wordt tijd dat het renpaard op stal gaat. Ik ben zo iemand die een huis koopt en de dag erna tegen z'n vrouw gaat zeggen: Ik heb je bedrogen. Of die een trouwfeest geeft en die de week nadien zegt: Ik moet je iets zeggen... Ja... Ik ben toch een geweldige klootzak, ik. Maar ik meen het wel goed altijd. Ik ga er altijd voor, voor eeuwig. En een week nadien is het weer met iemand anders voor eeuwig. Verlaten, men kan er zich ook in bekwamen." 

 

Tot zover Dimitri Verhulst.

 

Tja veelgeliefden. De relatievorming in zijn leven is duidelijk niet conform hoe onze Roomse kerk het graag ziet en als Gods bedoeling voorhoudt. Maar Verhulst, die naar eigen zeggen een heel vroom jongetje was, is op zijn twaalfde het geloof in God kwijtgeraakt en heeft afstand genomen van de kerk. Nochtans moet ik zeggen dat de wijze waarop hij, heel eerlijk, vol humor, zelfspot maar ook met milde ogen zichzelf in zijn persoonlijk verlangen én onvermogen, in zijn mislukkingen, durft te laten zien, dat mij dat erg aanspreekt. En ik heb het duizendmaal liever dan de hypocrisie van, excusez le mot, allerlei katholieke en andere klootzakken.   

 

Het achter je dichttrekken van een deur. Dat deed Verhulst. En Adam en Eva werden er uitgegooid, uit het paradijs. Zij, wij, aten van de verboden vrucht en het gebeurde. En nu zitten we met de gebakken peren, met de brokstukken van ons leven. En hoe nu verder?

 

Afgelopen week heb ik een roman gelezen waar ik geweldig van onder de indruk ben, Mintijteer van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis. Het gaat in dat boek om verschrikkingen van het leven en hoe geloof in God daardoor beproefd en afgebroken wordt. Maar bij Esther Maria Magnis blijft God ten diepste wonderwel overeind en blijkt het geloof in Hem ook van geweldige betekenis te kunnen zijn. Ik citeer er een stukje uit:

 

"Ons geloof, het geloof van de christenen, daar zit schrik in. Het heeft weet van de complete rotzooi die de wereld is. Daar schrik je van. Van de drek en het afval en het puin. Dat eerst. En dan pas komt de blijde boodschap. Eerder is er geen enkele reden om dom grijnzend op de preekstoel te gaan staan en de mensen voor je met hun echte nood, met hun kapotte huwelijken en zieke kinderen, mensen die hun broers en zussen verliezen en van wie de ouders dementeren, mensen met gebroken harten en gekrenkte trots, om die met slap en gemoedelijk geleuter en sociale kitsch in slaap te sussen."

 

Einde citaat. Aldus schrijft Esther Maria Magnis in Mintijteer. Wat zij in deze woorden als norm stelt, dat herken ik en ik hoop er aan te beantwoorden. Ik hoop dat ik als pastor en predikant inderdaad níet slap en gemoedelijk leuter en u niet met sociale kitsch in slaap sus.

 

Complete rotzooi de wereld, drek en puin, die wij naast al het goede óók van onze voorvaderen en -moeders hebben overgeërfd en -gedragen hebben gekregen. Dat eerst. En dan nu, veelgeliefden: de blijde boodschap.

 

Ook Jezus maakte, net zoals wij het kunnen meemaken, een woestijntijd in Zijn leven mee: een tijd waarin het in Zijn leven dor, schraal, leeg en kaal was. Hoe, waar, waarin moet je het zoeken? Wat geeft aan je leven nog inhoud en zin? Kun je die inhoud en die zin maar beter vergeten en je beperken tot en genoegen nemen met het natje en het droogje? Dat was en is de eerste duivelse beproeving. Kun je als een desperado in een kamikazeactie maar beter alle remmen losgooien en je in het avontuur, de leegte, de diepte, de afgrond storten? Dat was en is de tweede duivelse verleiding. Of moet je gaan voor de macht en het heersen en ja zeggen tegen alle duivelse bekoringen, mores en methodes die er vaak bij horen als je wilt winnen, als je aan de top wilt komen en wilt blijven? Zie Fillon en Tiggelaar en het hele verkiezingscircus dat we momenteel meemaken. Geworteld in Zijn God is Jezus er níet in mee gegaan en hopelijk laten wij, in diezelfde God, in Hem, in Jezus, geworteld ons ook níet gek maken: gaan ook wij níet alleen voor de materie, doen we niet aan kamikazeacties en houden wij ons ook niet bezig met slinkse, laagbijdegrondse, gemene methodes om andere mensen te beheersen, niet in werkverhoudingen niet in de privé-sfeer. Daar nee tegen zeggen, vanwege God en vanwege jezelf. Jezus kon het en heeft het gedaan. En daarmee bracht hij "vrijspraak en leven voor allen" schrijft Paulus in de Romeinenbrief. Wat fundamenteel mis ging én gaat op aarde, onder de mensen, dat is en wordt door Jezus hersteld. Want Hij hield en houdt nog altijd stand in de beproevingen en Hij gaf en geeft zichzelf nog altijd, áán ons en ook in ons hopelijk.

 

Aan het eind van Mintijteer van Esther Maria Magnis sterft Johannes, de 23jarige broer van de hoofdpersoon aan kanker zoals eerder hun vader gestorven is aan dezelfde ziekte. Nogmaals citeer ik en daarmee eindig ik dan:

 

"(En) het was op deze ogenblikken, als Johannes weer een pijnaanval had, dat ik begon mijn God ervoor te danken dat hij zich door de mensen had laten folteren. Dat hij zelf geschreeuwd had. Want als dat niet zo was geweest, dan had ik niet meer met hem kunnen spreken. Dan had ik misschien op een of andere manier nog heel beleefd in hem geloofd. Maar ik zou dan ook gedacht hebben: 'Kom eerst eens uit de hemel hier naar beneden. Lijd eerst zelf maar eens, voordat je van ons verlangt dat we in je geloven' - maar dat kon ik nu niet meer zeggen.

                God had al geleden, en zoals Johannes nu met hem sprak, leek het alsof het juist op dat moment gebeurde, alsof hij geen centimeter week van het kind dat hij liefhad, alsof hij het geen seconde uit zijn ogen liet, alsof hij zich had voorgenomen de hele tijd ononderbroken niet een seconde eerder zijn marteling aan het kruis op te geven dan die bij de jonge man, die daar op dat bed lag, voortduurde. Hij bleef en bleef en bleef. En in de tussentijd wendde Johannes zijn gezicht en keek hem aan - en voor die momenten, voor die ontmoetingen heb ik geen woorden."[48]

 

Tot zover Ester Magnis en deze verkondiging. Jezus aankijken als je het moeilijk hebt, als je beproefd wordt, als je lijdt, als je sterft. Hij kijkt jou aan. Hij is onze rijkdom, Hij is onze kracht. Amen.

 

Verkondiging

op de 8e zondag door het jaar, 26 februari 2017, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Mattheüs 6,24-34

                               Jesaja 49,13-16. Psalm 62. 1Korinthiërs 4,1-5

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Is er iets nuttelozers dan vogelen: met een verrekijker op zoek naar vogels? “Je ziet ze gaan en je ziet ze komen;” “Je ziet ze vliegen”, zogezegd. Maar had deze nu een witte oogstreep of niet? Zat er wat oranje bij de vleugel of was het de schaduw?  Is er iets nuttelozers dan vogelen?

                Pas toen ik in het klooster leerde mediteren en ging studeren, merkte ik dat dat “nutteloze” turen naar vogels wel degelijk óók vruchten voortbracht. Het kostte mij nauwelijks moeite om aandachtig te zijn voor de details – vogels onderscheiden zich vaak van elkaar door minieme verschillen – èn tegelijkertijd aandachtig voor het grotere geheel, want vogels vind je niet zomaar, maar meestal in een bepaalde leefomgeving, waarin zij passen. Bovendien maakt het op zoek gaan naar vogels geduldig en gepassioneerd. Dat hoef ik hopelijk niet uit te leggen.

                Jezus in het evangelie wijst ons op de schoonheid van de schepping, het wonderlijke van- en in de natuur. Lang niet iedereen had en heeft daar oog voor. Want toen het leven veel langzamer ging dan nu, was die natuur zo vanzelfsprekend, dat menigeen de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan niet zag. Nu is ons leven misschien te druk, te stads, te commercieel of te digitaal om de schoonheid ervan waar te nemen.

                Toch was juist een populaire geleerde met de naam Einstein iemand die oprecht verwonderd was over het mooie dat hij vond in de natuur en in heel het universum. Het ging hem niet alleen over uiterlijke schoonheid, maar ook om de schoonheid van de natuurlijke processen en om de orde ervan: het past allemaal zó mooi in elkaar, dat hij het wel heel onwaarschijnlijk vond dat de dingen en de ordening ervan alléén maar toeval zouden zijn.[49]

                Het mooie en harmonieuze in de natuur verwijzen naar iets nog veel groters, zegt Jezus ons: niet alleen dat alles van oudsher door “God” gemaakt is en goed geordend [Ps 136,1-9: schepping], maar ook dat Deze als een goede vader en moeder ervoor zorgt [bevrijding: Ps 136,10-24, en voorzienigheid: Ps 136,25v cf. resp. Mt 6,26. Js 49,15]; alles is op elkaar afgestemd; Hij draagt en beschermt wat Hij gemaakt heeft, zodat het niet verloren gaat [W 1,14]. De natuur zoals we die nu kennen, is zo gegroeid, inderdaad. Maar zo is zij ook bedóéld.

                Als God al zo bezorgd is om de kleinste vogels, hoeveel te meer zal Hij dan niet bezorgd zijn voor de mens, die Hij in Zijn liefde een bijzondere plaats en verantwoordelijk-heid heeft gegeven in het geheel? [Mt 6,30 cf. Gn 1,26-29, vandaar: Ps 62]

                Maar dáár gaat het voor veel mensen mis. Want lang niet iedereen belééft dit zo. God

is voor menigeen juist ver weg. De wereld is vol lelijkheid, ellende... Die ervaring wordt door de profeet Jesaja verwoord in de Eerste Lezing: “De Heer heeft mij verlaten; mijn God heeft mij vergeten” [Js 49,14]. Deze woorden worden Sion in de mond gelegd, i.e. de stad Jeruzalem. Deze stad ligt compleet in puin na de oorlog. Wat er momenteel in Mosul (Syrië) en op zoveel andere plaatsen gebeurt, is niets nieuws. Maar het kan gelovigen (en niet-gelovigen) wel wanhopig maken, want de erváring van Gods afwezigheid is echt!

                De menselijke ervaring is nooit het hele verhaal. De verstoring van de harmonie van Godswege door de hebzucht [Mt 6,24 cf. 4,3v], eerzucht [Mt 4,5-7] en honger naar macht [Mt 4,8-10] van de mens is een feit. Zij is een realiteit náást die harmonieuze realiteit [cf. W 14,22-15,19]. De ervaring van het in de steek ge-laten zijn, van de teleurstelling speelt zich af op de vóórgrond. Op de àchtergrond blijft evenwel de herinnering, de belofte. En de òndergrond die alles draagt, blijft de realiteit van de harmonie en de orde, ook al is die schoonheid voor ons oog soms onzichtbaar. Op het slagveld van gisteren, waar de lijken nog niet eens zijn weg-gehaald, begint vandaag een vogel zijn nest te bouwen... “Ik vergeet jou nooit!” [Js 49,15]

                Door het lawaai van oorlogsgeweld en rouwklachten, verkiezingsretoriek en reclame, het verkeer en de smartphone, door de stem in ons hart die ons oproept om snel, sexy en succesvol te zijn, horen we de zang van de vogels niet meer. Amsterdam zit vol merels: een van de mooiste zangvogels in Nederland. Nooit hebben zij zangles gehad. Niemand voedt hen. Zij léven – en zo getuigen zij van Gods goedheid, àls je het ziet en hoort.

                “Wat zullen wij eten, drinken, aantrekken? Door zulke vragen worden ongelovigen in beslag genomen” [Mt 6,31-32a]. Wij kunnen diezelfde vragen hebben, maar altijd vanuit het vertrouwen dat de Heer, Die de aarde vanaf het begin vormde en ordende, zorgt voor elk van Zijn mensen [Mt 6,32b] – óók als we dit zelf niet ervaren.

                Wie niet in beslag genomen wordt door het zoeken naar meer bezit, om te overleven en te genieten, kan zich realiseren vrij te zijn en gedragen te worden. In die vrije ruimte kunnen wij de stem verstaan die ons oproept om vóór alles het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken [Mt 6,33]. Of met de woorden van de apostel Paulus: “Men moet ons beschouwen” en wij moeten dus onszelf beschouwen “als helpers van Christus” [1Kor 4,1]. Ons vertrouwen maakt ons niet passief of gericht op ons eigen welzijn alleen; wij worden ons ervan bewust dat wij gedrágen worden in ons zoeken, voortdurend, dat wij geholpen worden in onze taak om het goede van Godswege te beheren en door te geven, en betrouwbaar te zijn [1Kor 4,2].

                Voor Jezus liep die weg uit op de veroordeling tot de kruisdood, zoals wij in het bijzonder in de komende 40-dagentijd in herinnering zullen roepen. Het eindoordeel echter ligt bij Degene Die ons het leven geeft, en een leefomgeving die bij ons past [Mt 6,32b]. Voor Hem is niets verborgen [1Kor 4,4v cf. Ps 139]. In de Eucharistie vieren wij dat Hij voor hen die met Hem de weg van de gerechtigheid gaan, de deur naar het léven opent: niet pas hierna, maar nú al [Mt 6,33]; zoals de merels in hun leefomgeving het voedsel vinden dat zij nodig hebben, zo voedt Hij ons op deze weg [cf. Lk 24: Emmaüs] met geloof, hoop en liefde, met kracht en geduld, wijsheid en inzicht. God-dank! Amen.

                                                                                 

Verkondiging

 

op 29 januari 2017, de vierde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Sefanja (2,3; 3, 12-13), Psalm 146, de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 26-31) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (5, 1-12a).

 

De grootste rijkdommen van onze kerk, dierbare gasten en parochianen, zijn ongetwijfeld de heiligen. Dat zijn: vrouwen en mannen in alle eeuwen die op een authentieke, overtuigende wijze gelovige mensen zijn geweest, mensen die er echt voor gingen voor dat geloof en die er alles voor over hebben gehad. Van de martelaren onder de heiligen geldt zelfs dat ze het er niet levend van af hebben gebracht. Ze stόnden ergens voor. En dat hebben ze met hun bloed moeten bekopen.

 

Voor wie zich in hun levens verdiept, kunnen zij echt gaan leven en gaan spreken, ook al zijn zij gestorven. Bepaalde heiligen kunnen zo echt met je méé gaan leven. Ze gaan deel uitmaken van 'je systeem' en in allerlei omstandigheden kunnen ze een voorbeeld voor je zijn, mede richting geven aan je leven en een bron van kracht en van troost voor je zijn.

 

Voor mij is de heilige Johannes Chrysostomus zo iemand. Hij is één van de vier Griekse kerkvaders, zoals er ook vier Latijnse zijn, van wie de kerkvader Augstinus de bekendste is. Johannes, geboren rond het midden van de vierde eeuw, was een ascetische figuur en een geweldige predikant. Zijn eretitel 'Chrysostomus' betekent 'mond van goud'. Hij werd bisschop van Constantinopel, de keizersstad aan de Bosporus. Hij schroomde niet om gevoelige onderwerpen aan de orde te stellen, zoals: losheid van zeden, luiheid van priesters en laksheid van bestuurders. Daar maak je niet per se vrienden mee natuurlijk. Keizerin Eudoxia kon zijn bloed wel drinken. Vier jaar na zijn aantreden wist men een groep bisschoppen zo ver te krijgen om te verklaren dat hij was afgezet. Johannes Chrysostomus moest in ballingschap gaan. Hij werd gedwongen tot slopende dagmarsen richting de Zwarte Zee. Ziet u hem lopen, dierbare gasten en parochianen: deze bisschop... ? Hij bezweek er aan, de arme man. Hij was nog maar begin vijftig.

 

Onze eigen Titus Brandsma was ook zo iemand. Hij was een Friese boerenzoon. In mijn eerste jaren in de Vredesparochie kwam daar dagelijks een oude dame, mevrouw Siemensma, όόk een Friezin. In de buurt werd ze wel 'rondje-om-de-kerk' genoemd, want inderdaad: voortdurend cirkelde ze er als het ware omheen, om het heilig geheim dat door het kerkgebouw wordt gesymboliseerd en omvat.

 

"Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is" zo hoorden wij vandaag in onze tweede lezing uit Paulus' eerste Korinthenbrief. En zo iemand was die mevrouw Siemensma wel. Zij was een doodsimpele ziel. Maar ook: een mens zonder bedrog. Ze was een beetje van de wereld. Maar misschien was ze ook wel verslonden in God. Ze was een beetje de kluts kwijt, maar ze had ook haar heldere momenten. Toen ik een keer op de jaarlijkse gedenkdag van Titus Brandsma over hem sprák en in dat verband in de dagkapel rechtstreeks háár aansprak als afkomstig uit dezelfde provincie, toen zei ze: "Ik heb z'n sokken nog gewassen...".

 

Indrukwekkend was dat. De rillingen liepen mij over de rug. Titus Brandsma: kloosterling, karmeliet, priester. Hij werd professor in de wijsbegeerte en in 'de geschiedenis van de vroomheid' aan de pas opgerichte universiteit van Nijmegen. En hij was ook journalist. Hij verzette zich tegen het opkomend nazisme, kwam op voor de joden, en bleef dat doen, ook toen de nazi's aan de macht kwamen. Hij werd opgepakt, kwam in Dachau terecht, moest zich afbeulen op een akker en op 26 juli 1942 gaf een kamparts hem een spuitje. Hij was eenenzestig jaar oud.

 

Tenslotte, kort, nog éénmaal: pater Frans van der Lugt, zoon van deze parochie, jezuïet, het hart verpand aan Syrië. Zijn klooster in Homs was een oase van ontmoeting en vriendschap voor mensen van verschillend geloof. Hij verliet de mensen en de plek niet toen de stad werd belegerd, ook niet toen de honger door de straten gierde. Op 7 april 2014 schoot iemand hem een kogel door het hoofd. Hij was zesenzeventig jaar oud.

 

Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma, Frans van der Lugt: drie mannen van geloof, drie mannen die ergens voor stonden, drie mannen die zich niet lieten intimideren, drie martelaren die blijven spreken, net als mevrouw Siemensma trouwens, ook al zijn zij gestorven.

 

De vraag, veelgeliefden, die natuurlijk onontkoombaar op je afkomt als je stilstaat bij de levens van zulke heilige mensen, dat is de vraag: En waar sta jíj voor, ook als het moeilijk wordt? Waarvoor en voor wie kom jíj op, juist als christen? - áls jij jezelf tenminste zo wenst en durft te noemen, áls jij tenminste jezelf for better and  for worse gecommitéérd hebt aan de man uit Nazareth...

 

Het woord 'recht' loopt als een rode draad door de lezingen van deze zondag. Doe ik recht? En doe jij recht? Dat zijn de vragen die ons gesteld worden.

 

"Zoekt de gerechtigheid", zo klonk het in de eerste lezing uit het boek van de profeet Sefanja. De enige mensen die het redden, zo stelt hij van Godswege, dat zijn de mensen die "geen onwaarheid meer doen en geen onwaarheid meer spreken, in hun mond is geen tong die bedriegt." Zulke mensen redden het, bij en voor God, de anderen vallen af.

 

"De Heer verschaft recht" en "bemint de rechtvaardigen" zo klonk het in de 146ste psalm die wij baden.

 

En in de eerste Korinthenbrief schreef Paulus over "Christus Jezus, die van Godswege heel onze (...) gerechtigheid is geworden" - en onze wijsheid, heiliging en verlossing. In Hem, in Jezus, is het allemaal te vinden. Hij was, Hij is 'de gerechte'. Wil jij het ook zijn, kijk dan naar Hem, doe als Hij, laat Hij de bron zijn waaruit jij put.

 

In het evangelie hoorden wij de beroemde zogenaamde 'zaligsprekingen'. Jezus sprak ze uit op een berg, precies zoals Mozes ooit op een berg de wet van God ontvíng. De laatste van die zaligsprekingen begint met: "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid..."

 

Dit en wat volgt wordt door de Bijbel in gewone taal als volgt vertaald:

 

"Het echte geluk is voor mensen die lijden omdat ze doen wat God wil. Want voor hen is de nieuwe wereld van God. Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben omdat je bij mij hoort. Misschien schelden de mensen je uit, of willen ze je gevangen nemen. Misschien vertellen ze allerlei leugens over je. Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel. De profeten van vroeger werden net zo slecht behandeld als jullie nu."

 

Tja...

 

Oef!       

 

Laten wij ons geen illusies maken veelgeliefden. Wie haar of zijn bestaan met dat van Jezus verbindt, met hem of haar kan dan gemakkelijk gebeuren wát met Jezus is gebeurd. Kijk maar naar Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma en Frans van der Lugt. Wínnen in onze wereld, dat doen steeds weer degenen die bereid zijn om daarvoor eventueel alles uit de kast te halen: allerlei machts- en drukmiddelen, oneerlijke methodes en geweld, verbaal en ook fysiek als het moet. Degenen die daarvoor passen, zij die het kwade spel niet mee willen spelen, díe delven het onderspit - in deze wereld.

 

Maar gelukkig, veelgeliefden, is er ook nog een andere wereld, een wijder perspectief, dat van de hemel, de wereld waarin alleen God regeert zoals wij Hem in Jezus hebben leren kennen. Het echte geluk, zoals de Bijbel in gewone taal vertaalt, is alleen daar, in die andere wereld te vinden. En wáár is die andere wereld veelgeliefden? Ik denk: het is déze wereld ánders, het is deze wereld bezien in en vanuit het licht dat God, dat Jezus er op werpt. En díe wereld kan zonder lijden niet betreden worden, lijden dat aanvaard, omarmd en bemind zelfs wordt, omdat je kunt geloven en ervaren dat het ook ergens goed voor is.

 

Sinds enkele weken bezoek ik een dame, ergens in de zestig denk ik, die ongeneeslijk ziek is. Ze is bezig met het laatste stukje van haar aardse levensreis. Voor haar ramen strooit iemand af en toe wat brood voor de vogels. Daar geniet ze van: om naar de vogels te kijken. Ze begint ze al te herkennen. Eén winterkoninkje is altijd alleen. Daar maakt ze zich wat zorgen over. En ze herkent zichzelf er in. Afgelopen week is ze met de wensambulance in het Amsterdamse Bos geweest, ook in de geitenboerderij. Ze was er verwend. Iedereen was zo aardig geweest. Betaald hoefde er niet te worden. Het was 'van het huis'. De dagen erna heeft ze het wel moeten bezuren. Ze had veel pijn. Men begint dan al gauw over morfine. Want: je hoeft geen pijn te hebben. "Maar ja", zei ze, "dan dan ben je ook meteen wel 'van de wereld'. Je wordt verdoofd, maar je bent er ook eigenlijk al niet meer" - terwijl zij nog zo graag ziet, en vόelt. En een zekere mate van pijn, zolang die nog enigzins te dragen valt, heeft ze daar wel voor over.

 

Wat voor ons hét grote geneesmiddel is had ik bij mij. Ik steek een kaarsje aan. Ik open dit drieluikje met daarin een crucifix. We bidden. Ik lees voor uit het evangelie. En ik geef haar de communie, vrucht van Jezus' kruisdood en voorspijs van Gods nieuwe wereld, die van Jezus' verrezen leven en het echte geluk. In jouw lijden is Hij bij je. Hopelijk kun je voor jouw lijden kracht putten uit het zijne. Morfine verdooft. Hopelijk kan Hij je helpen om zo lang mogelijk te blijven voelen en de overgang naar het andere leven zo bewust mogelijk te ervaren.

 

Het is net een wip: de morfine en de verdoving aan de ene kant, het kruis en het voelen, maar ook lijden, aan de andere kant. Wat kies je? Wat is voor jou de juiste dosering, van het een en van het ander? Wat kun je aan? Kun je het nog aan? Heb je het er voor over?

 

Misschien wel het beste en mij dierbaarste gebed in ons getijdenboek, veelgeliefden, is dit: "Heer onze God, sterk ons door het lijden van uw Zoon om bereidwillig zoals Hij ons juk te dragen. Maak ons ontvankelijk voor zijn liefde die elke last verlicht."

 

Ja... zo is dat. Jezus heeft met zijn liefde de last van Johannes Chrysostomus, van Titus Brandsma en Frans van der Lugt verlicht. En Hij kan en Hij wil het ook voor jou, voor ons doen. Mogen wij het laten gebeuren. En laat mensen die jou eventueel geen warm hart toe dragen maar lekker in hun eigen sop gaarkoken. Bid maar voor ze en lach er maar om. Maar blijf jij lekker bij Hem, bij Jezus, daar zit je goed. En met Hem wordt alles anders. Amen.

 

Verkondiging

 

op 15 januari 2016, de tweede zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (49, 3-6), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 1-3) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (1, 29-34).

 

Er zijn dingen die mensen zeggen, die komen binnen, die blijven hangen...

 

Jaren geleden hoorde ik een oud-studiegenoot zeggen: Alle instellingen waar ik ooit leerling of student geweest ben, zijn inmiddels opgeheven: de lagere school waar ik op gezeten heb, de middelbare school waar ik op gezeten heb en ook het theologisch instituut waar hij en ik elkaar van kennen, hier in Amsterdam, ook dat is inmiddels opgeheven.

 

Een erg relativerende opmerking dierbare gasten en parochianen. Denk aan die verschillende scholen en denk aan die theologische faculteit. Denk aan al die mensen die er leerden, studeerden, werkten. Die school, dat was veelal het centrum van hun leven, daar draaide

alles om. Daar leerden ze hun vrienden kennen. Ze spraken er voortdurend over met elkaar. Ze wonden zich er over op. Ze deden er alles voor. Zoveel tijd, zoveel geld, zoveel idealisme, zoveel denkkracht en concrete inzet werd daar in geïnvesteerd. En zie nu eens... allemaal verdwenen, allemaal in lucht opgegaan of nou ja... όpgeheven en in ander verband voortgezet of opnieuw begonnen. Want onderwijs is er in Nederland natuurlijk nog altijd. Je kunt er zelfs nog theologie studeren.     

 

Ander voorbeeld: De kussens waar de mensen op zitten die zitten in de stoelen die staan vόόr onze voorste kerkbanken. Kussens gemaakt van prachtige stof. Ik heb die destijds, vele jaren geleden, zelf uitgezocht: stof in de stijl van de twintiger jaren waarin ook onze kerk gebouwd werd. De stoelen ben ik destijds samen met Elly Visser in Amstelveen gaan kopen. En de kussens werden gemaakt door Alie van Rijn en haar dochter Diny Faber, vrouwen die zich geweldig voor onze kerk hebben ingezet. Zo leidde Alie vele jaren lang de kerkschoonmaak op dinsdag. Later groeiden beiden naar mijn indruk enigzins weg van de kerk, in elk geval van de onze. Ze verhuisden trouwens allebei. En beiden zijn inmiddels gestorven. Gelukkig hoorden we er wel van, van beider overlijden en hebben we in elk geval bloemen kunnen sturen, maar toch... wat bleef er voor henzelf over van al hun inzet? Voor ons bleven dus in elk geval die kussens er van over. En hoe lang zullen die nog meegaan en nodig zijn? Ik kan ze niet zien, die kussens, zonder ook aan Alie en Diny te denken. Ik vind dat fijn. Maar zou het ook voor hen, voor Alie en Diny, iets betekenen - dat zij nog leven en mijn gedachten, dat ik vandaag hun namen noem en hun inzet ter sprake breng?

 

Laatst sprak ik iemand die vergeleek onze kerkelijke situatie met het langzaam leeglopen van een badkuip. Als de kuip bijna leeg is en het water naar het putje stroomt, dan treedt er een versnelling op. En dát is wat er in deze tijd kerkelijk gebeurt volgens de bewuste persoon - die het weten kan. Mensen en middelen verdwijnen in rap tempo, extra snel. Het is, dierbare gasten, het is geen opwekkend maar integendeel: het is een onheilspellend beeld. Maar het is misschien wel een reëel beeld, niet alleen wat onze situatie in Nederland betreft trouwens. Kerk en geloof verdampen en verdwijnen zegt men, hoezeer wij ook trachten om er in te blijven geloven en er ons voor inzetten, soms met grote persoonlijke offers. Nochtans gebeurt het zegt men. En waar is het dan allemaal goed voor geweest? En wat komt er voor in de plaats? We zien allerlei ontwikkelingen in deze tijd met lede ogen aan maar voelen ons vaak machteloos.

 

Vergeefs. "Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt". Zo hoorden wij vandaag in de eerste lezing de profeet Jesaja spreken en zijn woorden sluiten aan bij vele ervaringen van vergeefsheid en mislukking die wij zelf kunnen

hebben. Diederik Samson en Barack Obama zouden er ook een duit over in het zakje kunnen doen. En Jesaja's woorden kunnen we ook verbinden met het levenseinde van Jezus. Want dat leven lijkt, met Jezus' kruisiging, objectief te zijn uitgelopen op een totale mislukking. Nee, als beeld word je daar natuurlijk niet vrolijk van: van een kruisiging - precies zoals we niet vrolijk worden van allerlei krantenfoto's. Wat een ellende. Wat een mislukking. Wat een vergeefsheid. Zoveel liefde die wreed eindigt.

 

En toch veel geliefden... dit is niet hele verhaal. Jesaja zegt nog meer: " 'Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt'; maar de Heer zal mij recht brengen en mijn God zal mij belonen. Ik sta hoog in aanzien bij de Heer, en mijn God is mijn kracht."

 

Ja... Waar, aan wie kun je als mens jezelf optrekken als je verzeild en opgescheept bent geraakt met ervaringen van vergeefsheid? Ja natuurlijk, veelgeliefden, dan moet je het hebben van je eigen innerlijk ervaring. En voor ons als mensen die zichzelf graag beschouwen als gelovigen, als mensen die dat kleine vlammetje van geloof in ons proberen te bewaren en behoeden, voor ons is die innerlijke ervaring in tijden van rampspoed er hopelijk één van gezien, bemind, getroost en bekrachtigd worden door God zelf met Jezus als ons grote voorbeeld, Jezus die hopelijk ín ons leeft.

 

De apostel Paulus, in de tweede lezing vandaag uit de eerste Korinthenbrief, Paulus schrijft de gemeenschap van gelovigen in Korinthe aan als degenen die "geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus." Veelgeliefden, hoe wordt ons leven geheiligd? Wat is een heilig leven? Ik denk, waar het om gaat, dat is: zoáls Jezus en mét Jezus samen door de dood en door allerlei ervaringen van vergeefsheid en mislukking ook heen kunnen gaan. "He brought me (...) out of the horrible pit out of the mire and clay" zong het koor in de veertigste psalm die wij hoorden: "Hij trok mij omhoog uit het rampzalige graf, omhoog uit slijk en moeras" - zό klinkt dat in het Nederlands.[50]

 

Johannes de Doper noemt Jezus in het evangelie van deze dag "lam van God". "Daar is het lam van God" zegt hij. Dat woord, 'lam', en het beeld dat het oproept, herinneren ons meteen aan "het lam dat ter slachtbank wordt geleid" zoals Jesaja daar elders in zijn profetieën over spreekt.[51]  En het herinnert aan de bok die op symbolische wijze beladen met de zonde van het hele volk op de Grote Verzoendag de woestijn werd ingejaagd.[52] En het herinnert aan het lam dat haastig werd gegeten op de avond van het vertrek uit de slavernij in Egypte, voordat men de zee in zou gaan, daar doorheen zou gaan.[53] En die zeeërvaring komt dan weer terug in de doop die Johannes toedient om daarmee de Zoon van God te kunnen identificeren, om daardoor te kunnen vaststellen wie die Zoon is. Want: "Als je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten, dan weet je: Hij is degene die doopt in Heilige Geest." En

 

"Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken van de aarde" zegt Jesaja - en precies dat is wat er gebeurd is met, in en door Jezus wiens leven, gekruisigd, zo vergeefs en mislukt leek te zijn geëindigd. Maar zo was en zo is het niet veelgeliefden. Nee, integendeel. Juist in en door onze ervaringen van vergeefsheid, mislukking en kruis heen, kan God in ons leven, bij ons van binnen, in hart en geest, en zich des te sterker doen gelden. Juist dan steekt Hij in de gekruisigde Jezus Zijn hand naar ons uit. Mogen wij in staat zijn om het te geloven en het mogen ervaren. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                                     

op 8 januari 2017, hoogfeest van de Openbaring des Heren ('Driekoningen') in de kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (2, 1-12).

 

"Stralender dan stralend!" Zό karakteriseerde één van ons, dierbare parochianen en gasten, zό karakteriseerde een koorlid de kerstnachtviering hier in onze kerk. Ik was daar niet bij. Maar ik heb de tekst van de sublieme verkondiging door mijn ambtsbroeder pater Frans Vervooren gelezen. Lekker kort! En het koor heb ik de volgende dag gehoord, op Eerste Kerstdag. Geweldig! Dus inderdaad: Stralender dan stralend.

 

Vandaag, op dit hoogfeest van de Openbaring des Heren, Epifanie, dat vanouds ook Driekoningen wordt genoemd, vandaag wordt er in verband met al dat stralen nog een tandje bíjgezet. Want vandaag verschijnen de "wijzen uit het oosten" ten tonele, de drie koningen bereiken de stal of liever gezegd: "het huis" - want dát is wat er in de Mattheüs-tekst staat. Vandaag verschijnen die raadselachtige wijzen en vandaag verschijnt om te beginnen die ster waardoor zij magisch worden aangetrokken. En de vraag is natuurlijk: Kunnen wij ervaren wat zij hebben ervaren? 

 

We asked for signs. The signs were sent. In de kerstnacht citeerde pater Frans Vervooren de pasgestorven Leonard Cohen: "We vroegen om tekens. (En) tekens werden ons gezonden." En dat teken waar we naar verlangden en dat we kregen was dus en is dus vandaag die stér.

 

                                   Ik zag vanavond voor het eerst een ster.

                                   Hij stond alleen, hij trilde niet.

                                   Ik was vanavond ineens van hem doordrongen,

                                   ik zag een ster, hij stond alleen,

                                   hij was van licht, hij leek zo jong en

                                   van vόόr verdriet.

                                                                                  (Maria Vasalis)[54]

           

Waarom een ster? In die ontelbare kleine lichten aan de nachtelijke hemel herkennen wij wellicht het zuivere, oorspronkelijke licht, van inderdaad: vόόr verdriet, in elk van ons, in elk mensenkind. En temidden van al die sterren valt Jezus' licht speciaal op. Zijn ster wekt de interesse van de wijzen en houdt voor hen een belofte in. Zij herkennen in die ster iemand die ons geven kan wat niemand andersgeven kan. Jezus' ster springt er uit, letterlijk: hij gaat aan de wandel en de wijzen gaan er achteraan.

 

In één adem noemde pater Frans in de kerstnacht Bethlehem, Berlijn, Aleppo én Amsterdam. 'Nacht' is het symbool van alles wat jammer, wat slecht, wat verschrikkelijk is op aarde. "Niet voor niets", zei Frans, "staat er in het lijdensverhaal van Jezus volgens Johannes op het moment dat Judas van tafel opstaat: 'Het was nacht'. Iemand verraden is nacht. En terreur is nacht. "Duisternis bedekt de aarde, donker de volkeren" klonk het ook vandaag in de eerste lezing uit het boek van de profeet Jesaja. De nacht van Kerstmis staat voor de nachtzijde van het bestaan op aarde. En midden in die nacht is het Kind in de kribbe de grote bron van licht en hoop. En Zijn ster wijst daarheen de weg.

 

Intussen zijn wij nu bijeen in het volle licht. En vol van licht was met name ook onze eerste lezing vandaag, die van Jesaja: "Sta op, laat het licht u beschijnen, Jeruzalem, want de Zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen. (...) Volkeren komen af op uw licht, koningen op de luister van uw dageraad." Maar scherp daarmee in contrast staat wat we in het evangélie hoorden over datzelfde Jeruzalem. Jeruzalem láát zich niet zo gemakkelijk beschijnen blijkt daar. De wijzen komen er heel argeloos aan. Onbekommerd informeren ze naar de pasgeboren koning van de joden. Maar die vraag slaat in als een bom - al houdt misschien iedereen zijn en haar gezicht in de plooi. "Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem." Jeruzalem in last. Deskundigen worden er bijgehaald en die geven feilloos het goede antwoord op de vraag van de wijzen: In Bethlehem moeten ze zijn. Die deskundigen kennen de bijbel van buiten, maar ik ben bang, veelgeliefden, dat het slechts 'geloofskennis' is: kennis van het hoofd, maar niet van het hart. Het is kennis die niet echt is ingedaald en die de mensen in feite worst is en koud laat. Waar het om gaat, om Wie het gaat, houdt ze niet echt bezig. Waarover praten wij onderling, ook in kerkelijk verband? Hebben we het ooit over Hem, over de Heer? Nou ja, praatjes vullen geen gaatjes zult u zeggen. Als je maar een goed mens bent. En zijn wij dat dan, u en ik? Wat zijn onze manieren? Hoe gaan wij met elkaar en allerlei mensen om? Heeft die omgang de kwaliteit van de Heer? Het is maar een vraag...

 

Bij Jesaja was alles licht vandaag. Maar te Jeruzalem wil het maar moeilijk doordringen. En hoe is dat bij ons? Ja, het was hier stralend in de kerstnacht, stralender dan stralend, en ook nu. Maar... veelgeliefden, is dat stralende alleen iets van de buitenkant? Of zit het ook bij ons van binnen? Bij die mevrouw, die van dat "stralender dan stralend" denk ik wel. Ik meende het in en bij haar te zien. Hoe zit dat met het licht bij u, bij jou, bij mij van binnen?

 

Een érg duistere figuur vandaag is koning Herodes. Hij is de baas, zit op het pluche en dat wil hij graag zo houden. Zulke figuren kennen wij. Krampachtig houdt Herodes vast aan zijn macht. Maar hij voelt zich gauw bedreigd - nu door een zuigeling nota bene. Het is om te lachen en het is om te huilen. Herodes "ontbood in het geheim de wijzen" hoorden wij. En dat "in het geheim", daar is iets mee. We komen daarmee in de sfeer van het stiekeme, in de sfeer van het 'niet verder vertellen hoor', in de sfeer van achterbaks gedoe en onfris geregel. Nacht! Uit de mond van Herodes, veelgeliefden, komt dan vervolgens een werkelijk bloedstollende zin, een zin waarbij je de rillingen over de rug lopen. "Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan opdat ook ik het hulde kan gaan brengen." Hij spreekt poeslief, Herodes, maar onderhand... zéér onwaarachtig. Ook wij kunnen dat meemaken: dat mensen waar je bij bent, in je gezicht, vriendelijk en aardig zijn, maar intussen... Hoe wordt er over je gesproken zodra je je hielen gelicht hebt? In bepaalde situaties, bij bepaalde mensen kun je soms aan je theewater voelen dat het niet klopt en dat men heel andere gevoelens, gedachten en intenties heeft, die jíj niet te horen krijgt. Voelen de wijzen het ook aan hun theewater? Het zou zomaar kunnen. Er staat: "Na de koning aangehoord te hebben vertrokken zij." Dat "aangehoord" - Je ziet ze verstrakken, de wijzen.

 

"En zie", we hienee in het Hebreeuws, "de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het kind zich bevond stil bleef staan." Opnieuw de vraag: Door welke ster, door welk licht, word jij als door een magneet getrokken? Waar en hoe komen jij en dat licht bij elkaar? Kun jij rusten in dat licht? En kan dat licht rusten in jou? Heb jij zo'n ster, zo'n licht in je leven? Wat is het? Wie is het? Is het Jezus of iemand of iets anders? Heeft jouw passie 'Jezus-kwaliteit'? Zit Híj er in? "Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde". Hoe vreugdevol kun jij zijn? Geeft waar jij 'het' in probeert te vinden in jouw leven, geeft dat jou vreugde? Opnieuw: Heeft het Jezus-kwaliteit? Zit Hij er in?

 

"In een droom van godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij", de wijzen, "langs een andere weg naar hun land." Dat laatste! Waar is jouw land? Waar ben jij thuis? Wat is jouw basis? Daar doe je het toch voor? De ontmoeting met de pasgeboren Jezus heeft de wijzen verrijkt. In materiële zin zijn ze een stuk lichter geworden. Hun goud, wierook en mirre hebben ze achtergelaten. "Veel kun je niet menemen op reis en veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren. Goud van de liefde, wierook van het verlangen, mirre van de pijn heb je altijd bij je. Hij zal het aanvaarden" - woorden van de grote theoloog Karl Rahner die pastor Martin Schneeberger dit jaar op zijn kerst- en nieuwjaarswens liet drukken. "Veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren." En zo is het. De Nederlandse worstverkoper op de kerstmarkt in Berlijn hield het na de aanslag daar voor gezien vertelde pater Frans in de kerstnacht. "Zo hoeft het voor mij niet meer" had hij gezegd. En zo is het veelgeliefden. Als je hart, als God, het je ingeeft, door een droom of anderzins, dan mag je rustig, of dan moet je wel, afstand nemen van waar en bij wie het niet pluis is en het niet deugt. Maar laat Hem, Jezus, Zijn licht, in je zijn, altijd, overal. Volg Zijn ster. Ga er achteraan, ook in 2017. Word zélf: strálender dan stralend. Amen. Zalig Nieuwjaar.

 

Verkondiging

 

Op de Tweede Kerstdag 2016   -Ton van Hal

 

Dat zijn allemaal behoorlijk nare dingen die Jezus zijn leerlingen in het vooruitzicht stelt. Zij zullen zijn leer gaan verkondigen maar dat zal niet zonder slag of stoot gaan. Dat zien we al meteen met Stefanus die dus uiteindelijk gestenigd werd. “Maar wie stand houdt tot het einde zal worden gered”. Dat zegt Jezus er ook bij.  In vers 55 van Mt (dat we vandaag niet hoorden) staat het: Maar hij (Stefanus), vol van de heilige geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Gods rechterhand. Stefanus zag de hemel open.

Jezus, die we gisteren nog als weerloos baby’tje in het kribje zagen liggen is volwassen geworden.   De romantiek van gisteren tegenover de harde realiteit van wat Jezus kwam doen in de wereld.

Het gaat vandaag over weerstand. Jezus voorzegt de grote weerstand die de apostelen zullen gaan ondervinden, Hij spreekt over weerstand tussen ouders en kinderen. Weerstand die zich zal gaan vertalen in rechtszaken en ernstige agressie. Maar ook horen we vandaag dus over “de hemel open zien” als je niet buigt voor de weerstand. Het gaat daarbij  over hoofd- en bijzaken.

Ik zal het hebben over Stefanus, Maarten Luther, Paus Franciscus en Steffi de Pous.

We hoorden van Stefanus die ernstige weerstand opriep door de mensen erop aan te spreken hoe verkeerd ze bezig waren met hun geloof. Dat ze de profeten niet eerden en ze zelfs gedood hadden (Jezus ook). Dat ze teveel met uiterlijkheden bezig waren, met allerlei bijzaken.   Dat hoorden de mensen niet graag, met name niet toen Stefanus de heilige tempel van Salomo relativeerde. “De allerhoogste rechter woont niet in wat men met mensenhanden maakt, want “De hemel is mij een troon en de aarde een voetbank voor mijn voeten”.  Ze stopten hun oren dicht om het verder maar niet meer te hoeven aanhoren.

Ik kom eerst even op iets anders. Volgende week is het 2017 en dus het jaar waarin Maarten Luther 500 jaar geleden zijn 95 stellingen publiceerde. Ook Luther had, net als Stefanus 1500 jaar daarvoor, ernstige kritiek op de wetten en gebruiken van de kerk in die dagen en ook hij ontmoette harde weerstand. Luthers belangrijkste theologische geschilpunt met de Kerk ging over de genadeleer (krijgen we die “om niet” van God geschonken of  kunnen wij die ook verdienen door goede werken?)  Maar Luther keerde zich ook fel tegen de praktijk van de zgn aflaatbrieven. Die konden mensen kopen bij wijze van penitentie na de biecht. Luister hoe dat ging daar in Sachsen.

Albrecht van Brandenburg was op 23-jarige leeftijd (1513) aartsbisschop van Maagdenburg en  Halberstadt. Een jaar later werd hij als keurvorst en aartsbisschop van Mainz voorgedragen, mede omdat Albrecht beloofd had de door Mainz te betalen kerkelijke belastingen  voor zijn rekening te nemen. Maar Albrecht bezat dus al de bisschoppelijke zetels van Maagdenburg en Halberstadt. Dit was in strijd met de kerkelijke wet Maar de curie was zo goed hem dispensatie te verlenen tegen 10.000 dukaten. Samen met de belastinggelden van Mainz (14.000 dukaten) moest Albrecht nog 24.000 dukaten hebben, waarvoor hij 29.000 Rijnlandse goudgulden leende bij de bank in Augsburg. Hij moest dit geld bij elkaar brengen door zich gedurende acht jaar te belasten met de prediking van de aflaat en de verzameling van de opbrengsten uit de verkoop ervan voor de Sint Pieterskerk, waarvan hij de helft mocht houden.

Ook Luther die zich hiertegen natuurlijk terecht verzette (daarover kunnen we het nu wel eens zijn denk ik) , ook Luther ontmoette weerstand : Hij moest zijn kritiek bekopen, wel niet met steniging, maar wel met excommunicatie en de zgn Rijksban. Hij moest onderduiken in de Wartburg in Eisenach.

De heilige tempel van Salomo, de Sint Pieter in Rome: dat zijn niet de hoofdzaken.

Ik denk (in alle bescheidenheid uiteraard) dat wat vandaag bedoeld wordt is:

Trouw zijn aan God is belangrijker dan trouw aan  al het andere, inclusief gebruiken in de kerk, ja, misschien wel dan de hele kerk. Trouw zijn aan God is uiteindelijk  belangrijker dan trouw zijn aan je familie, aan je vrienden. Wat is Hoofdzaak en wat zijn bijzaken ?

Hoe ben je dan trouw aan God?  Door trouw te zijn aan de onbaatzuchtige Liefde (met een hoofdletter) , aan de Waarheid (ook met een hoofdletter, maar ik bedoel niet de krant), en aan wat het Evangelie ons leert. Tel uit je winst? Ja, dat is pure winst. Dan kun je  de hemel open zien, als Stefanus (en Jezus aan het einde). Dan zie je de Hoofdzaak en niet al die talloze bijzaken die ons zo bezig houden. Dat is denk ik de eenvoudige, maar verrekte moeilijke boodschap vandaag.

Tot besluit nog twee teksten. Eentje van  onze Paus (met au) en een van Steffi de Pous (met ou).

De tekst van paus Franciscus vond ik opmerkelijk als je die legt naast het optreden  van Stefanus       In 2014 gaf de paus “tien tips om gelukkig te worden”. Een daarvan:

Probeer niet mensen te bekeren tot je eigen mening. We kunnen anderen inspireren door op zo’n manier te getuigen dat je samen groeit in onderlinge communicatie. Maar het ergste van alles is religieuze bekeringsdrang, die verlammend werkt. “Ik praat met jou om je te overtuigen”. Nee, de gesprekspartners moeten in dialoog zijn met elkaar, ieder vanuit zijn/haar eigen identiteit. De kerk groeit door haar aantrekkingskracht, niet door bekeringsdrang. (einde citaat).

Van de week zag ik op tv een reportage over Steffi de Pous (met ou dus) Een prachtige jonge vrouw die Amsterdam verruilde voor Lesbos om daar de vluchtelingen te helpen en op die manier (zo werd gezegd) haar grote geluk vond. “Dat is raar he”, zei ze, “dat je door mensen die het veel slechter hebben te helpen, dat je daar dan toch gelukkig van wordt.” 

Dat is helemaal niet zo raar, volgens Jezus: Wie tot het einde stand houdt zal gered worden. Die ziet de hemel open.

Ik dacht: nog maar de helft van de Nederlanders rekent zich tot een religieuze gemeenschap. Maar als die andere helft nou uit allemaal Steffies de Pous zou bestaan, zou dat dan erg zijn ?

En wij? Wij zijn wel de hard-core katholieken die zelfs op 2e kerstdag naar de mis komen, maar we zijn geen Stefanus, geen Maarten Luther en misschien ook geen Steffi de Pous.

Misschien kunnen we. Als we toch goede voornemens maken voor 2017, eens nagaan wat voor ons nou hoofdzaken en wat eigenlijk toch maar bijzaken zijn in het leven. Misschien leidt dat wel tot een paar pijnlijke ontdekkingen, maar het kan je ook helpen om de hemel een stukje open te zien gaan.

AMEN

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Erik Borgman, Meditaties bij de krusiweg. Baarn (2018).

[2] In: 'Alle rijke mensen zijn bang van me. Gesprek met Jan van Kilsdonk', Interview door Jan Goossensen in Hervormd Nederland (30 oktober 1982), p. 3.

[3] I Koningen 8, 27.

[4] De volledige antwoorden vindt u in de bijlage bij deze verkondigingstekst.

[5] NRC, 15 februari 2018, p. 3.

[6] ‘Standvastig lied’. Tekst: A. Bosch. Muziek: Fl. van der Putt. In: Gezangen voor Liturgie. Baarn (1996), p. 740. Nr. 634.

[7] Bij Eugen Drewermann, in: Zwischen Staub und Sternen. Predigten im Jahreskreis, Düsseldorf (1991), p. 32: “Ein Funken Ehrlichkeit ist besser als alles Gerede.”

[8] Psalm 133, 3.

[9] In: Konstantin Paustovski, Verhaal van een leven 2, Amsterdam (2017), p. 277.

[10] I Joh. 1, 5.

[11] SBS6, 22 december, 20u: Zo viert Nederland Kerst. Het bewuste fragment 5.31minuten na start van het programma.

[12] Lucas-evangelie 1, 52.

[13] Lucas 10, 42.

[14] Genesis 1.

[15] I Johannes 1, 5.

[16] Johannes 1, 9; 9, 5; 12, 46.

[17] Zie: Sulpicius Severus, Het leven van de heilige Martinus. Vertaald en ingeleid door Peter Nissen en Els Rose. Christelijke bronnen 11. Kampen (1997), p. 30.

[18] Zie Mtt. 25, 40.

[19] Op mijn verzoek zond de ukelelespeler, Jorrit Albers, mij de tekst van zijn lied toe.

[20]  Hij sprak over de evangelietekst in zijn toespraak voorafgaand aan het Angelus-gebed op het Sint-Pietersplein en zei onder andere: "Ik moet u zeggen dat het mij persoonlijk verdriet doet als ik mensen zie die psychologisch leven van het najagen van de ijdelheid van onderscheidingen." De paus citeerde in zijn toespraak wel Jezus' aansporing zich geen 'rabbi' en 'leraar' te laten noemen. De aansporing zich geen 'vader' te laten noemen noemde hij echter niet.

 

 

[21] Lucas 10, 38-42.

[22] Lau Tse, Tao te King. Vertaling: Huib Wilkes en Michael de Baker. Haarlem (1992), nr. 47, p. 74.

[23] Nadjezjda Mandelstam, Memoires, vertaald uit het Russisch door Kees Verheul, Amsterdam (1971). Geciteerd in: Jan Brokken, De gloed van Sint-Petersburg. Wandelingen door heden en verleden. Amsterdam (2016), p. 107.

[24] 'Een goed liedje is een roman op zich'. Interview met Frits Spits door Coen Verbraak. In: NRC (23-24 september 2017), p. 25.

[25] Marcus 12, 34.

[26] Brief aan de Filippenzen 3, 20.

[27] Mgr. J.M. Punt in Nieuwe Tijden, nieuwe wegen (2004), p. 3.

[28] Evangelie volgens Lucas, 2, 8.

[29] Het betreft de op 7 september 2017 om 21.12u door Canvas in 'Check-point' uitgezonden documentaire Behind the Altar (2017), van John Dickie en GA&GA.

[30] Evangelie van Lucas 19, 5.

[31] Evangelie van Mattheüs 23, 13 en van Lucas 11, 52.

[32] Lucas 2, 19.

[33] Mattheüs 14, 22-36

[34] Geciteerd in de toespraak, verkondigingstekst, 'Ach olijven, je smaakt me niet meer - amandelbomen, je bloeit niet voor mij' door pater Jan van Kilsdonk S.J. Deze is te vinden in: Met het licht van jouw ogen... zegen mij. Amstelveen (1982), p. 59v, herdruk: Heeswijk (2000), p. 79v. De tekst getuigt van buitengewoon indringend nadenken over het fenomeen suïcide waarmee de pater als studentenpastor een royale eigen ervaring had. Ook in: 'Het opzettelijk vaarwel. Over mensen die het levenslicht niet beminnen', in: Delf mijn gezicht op. Kampen (10980), p. 43v.

 

[36] Lucas 23, 31

[37] Krzysztof Charamsa, 'Im Zentrum der Verlogenheit', in: Stern nr. 18, 27 april 2017, p. 37. Vert. PV.

[38] In: J.H. Leopold, Verzen, Amsterdam (1977), p. 206.

[39] Van Stephen Daldry (2000). De film ontving drie BAFTA's voor beste film, beste acteur Jamie Bell (BIlly) en beste vrouwelijke bijrol van Julie Walters (balletjuf).

[40] Mark Vangheluwe, Brief aan de paus. Amsterdam//Antwerpen (2017), p. 85

[41] Ibidem, p. 34.

[42] Op. cit. p. 78.

[43] Ibidem, p. 199.

[44] 'Ik wil niet veranderen voor iemand', in NRC, zaterdag 15 april & zondag 16 april 2017, p. 35.

[45] De sprookjes van Grimm. Weesp (1940/1984), p. 166.

[46] Hooglied 1, 5 (vrij naar de vertaling van Pieter Oussoren in de Naardense bijbel).

[47] Zie: Jan Nieuwenhuis,  Het laatste evangelie, deel 2, Kampen (1996), p. 16-17. 

 

[49] “Als dit universum in zijn miljoenvoudige orde en precisie het resultaat van een blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer een drukkerij explodeert en alle druklettertjes weer op de grond terecht komen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek.”

[50] Psalm 40, 3.

[51] Jesaja 53, 7.

[52] Leviticus 16.

[53] Exodus 12-15

[54] In: Vergezichten en gezichten, Amsterdam (1982), p. 24.